Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6629

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
09/753938-07 Vonnis ex artikel 36e SR
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. (Zie voor de strafzaak LJ-nummer: BH6628.) Namens de veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de door veroordeelde ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Veroordeelde is door de politie voorafgaand aan die verhoren er niet op gewezen dat hij bijstand van een advocaat kon vragen en ook tijdens die verhoren is veroordeelde verstoken gebleven van rechtskundige bijstand. Onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Salduz komt de raadsman tot de conclusie dat door het gebrek aan rechtskundige bijstand tijdens de politieverhoren het recht van veroordeelde op een eerlijk proces ten gronde is geschonden indien voor een bewezen verklaring van die verklaringen gebruik wordt gemaakt. De politierechter verwerpt dit verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/753938-07

Datum uitspraak: 11 maart 2009

Vonnis ex artikel 36e SR

Beslissing van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

adres: [adres]

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de politierechter het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximum bedrag van € 200.938,32.

Het onderzoek ter zitting.

Ter terechtzitting van 25 februari 2009 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd.

De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, is verschenen en op de vordering gehoord.

Beoordeling van de vordering.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 11 maart 2009, voor zover van belang, veroordeeld terzake van de strafbare feiten:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

en

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

In deze zaak heeft de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in het dossier van de strafzaak tegen de veroordeelde. De conclusie van de officier van justitie is, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 200.938,32 bedraagt.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de politierechter van oordeel dat de veroordeelde door middel van hiervoor genoemde strafbare feiten geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Motivering van de afwijzing van de maatregel.

De politierechter neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/ 753938-07 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feiten.

Uit de bewijsmiddelen leidt de politierechter het navolgende af.

Op 24 oktober 2007 is in een bij veroordeelde als bedrijfspand in gebruik zijnde garage een hennepkwekerij aangetroffen met 520 planten, waarvan de helft was geoogst. De geoogste planten zijn in datzelfde pand aangetroffen. (feit 3 op de dagvaarding)

Veroordeelde heeft deze oogst zelf opgekweekt en verzorgd. (feit 2 op de dagvaarding).

Deze kweek heeft echter niet tot enig voordeel van veroordeelde gestrekt; alle aangetroffen planten zijn immers in beslag genomen en vernietigd.

Namens de veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de door veroordeelde ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Veroordeelde is door de politie voorafgaand aan die verhoren er niet op gewezen dat hij bijstand van een advocaat kon vragen en ook tijdens die verhoren is veroordeelde verstoken gebleven van rechtskundige bijstand. Onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Salduz komt de raadsman tot de conclusie dat door het gebrek aan rechtskundige bijstand tijdens de politieverhoren het recht van veroordeelde op een eerlijk proces ten gronde is geschonden indien voor een bewezen verklaring van die verklaringen gebruik wordt gemaakt. Uitsluiting van die verklaringen voor het bewijs dient te leiden tot vrijspraak en afwijzing van de ontnemingsvordering.

De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte is een volwassen Nederlandse man die zich zeer bewust is van zijn situatie en die, op het moment dat de politie zich meldde bij zijn bedrijfspand waarin later de hennepkwekerij is aangetroffen, nog voordat hem de cautie kon worden gegeven, meedeelt dat hij in dat pand een hennepkwekerij heeft. Bij alle verhoren die na zijn aanhouding hebben plaatsgevonden, is hem de cautie gegeven en er is op geen enkele wijze gebleken dat hij niet in vrijheid zou hebben verklaard. Evenmin is gebleken dat verdachte heeft gevraagd om bijstand door een advocaat voorafgaand of tijdens zijn verhoren en evenmin is gebleken dat de politie die bijstand op enige wijze zou hebben belemmerd. Ten tijde van zijn inverzekeringstelling heeft hij rechtsbijstand van een advocaat gehad. Bij die gelegenheid heeft verdachte zijn eerder afgelegde verklaringen niet herroepen of heeft hij een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte zijn eerder afgelegde verklaringen ook niet herroepen, maar heeft hij zich alleen beroepen op zijn zwijgrecht. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, is geschonden, ook al heeft het hem voorafgaand en tijdens de verhoren door de politie ontbroken aan toegang tot dan wel bijstand door een advocaat.

Veroordeelde is vrijgesproken van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot de vrijspraken overweegt de politierechter dat met betrekking tot feit 1 en feit 4 (voor zover betrekking hebbend op het jaar 2005) het enige bewijs wordt gevormd door de verklaring van verdachte, hetgeen onvoldoende is om het bewijs in die zaken aan te nemen. Met betrekking tot feit 4, de jaren 2006 en 2007 geeft het door Nuon opgemaakte rapport geen aanleiding tot de conclusie dat verdachte elektriciteit illegaal zou hebben afgenomen (gestolen). In het door Nuon opgemaakte rapport is niet opgenomen dat stroom "van achter de meter" zou zijn afgenomen. Slechts is vastgesteld dat de verzegeling van de meter is verbroken en dat zwaardere stoppen zijn aangebracht. Het in het Nuon rapport opgenomen overzicht van meterstanden geeft eerder aanleiding aan te nemen dat verdachte voor alle afgenomen stroom heeft betaald. Indien stroom illegaal wordt afgetapt, wordt die afname niet door de meter geregistreerd. In de onderhavige zaak is, blijkens het door Nuon opgestelde rapport, wel alle stroom over de meter gelopen en geregistreerd.

Het zwijgrecht is een boven alles te respecteren recht, maar het zou, zoals in de onderhavige zaak, in het nadeel van verdachte kunnen werken. Verdachte heeft vragen met betrekking tot het energieverbruik, waarop de antwoorden voor hem ontlastend zouden kunnen zijn geweest, niet willen beantwoorden. Het door Nuon uitgebrachte rapport op zich geeft echter voldoende aanknopingspunten om tot vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde te komen.

Feit 1 heeft betrekking op het jaar 2005, maar het bewijs dat veroordeelde het hem onder dat punt ten laste gelegde heeft begaan ontbreekt. Wettig en overtuigend is wel bewezen dat hij in de periode april - oktober 2007 een hennepkwekerij heeft gerund maar dat, zoals hiervoor betoogd, die kweek niet heeft geleid tot enig financieel voordeel.

Het ontnemingsrapport gaat er vanuit dat veroordeelde in de periode januari 2005 - oktober 2007, 9 oogsten heeft gehad, immers 5 oogsten per jaar over een periode van 2 jaar met aftrek van de in beslag genomen oogst.

De vraag die beantwoord dient te worden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat veroordeeld in 2006 en 2007, 9 oogsten heeft gehad en daaruit wederrechtelijk inkomen heeft verkregen.

Naar het oordeel van de politierechter is dit bewijs niet alleen niet te leveren, ook is niet aannemelijk geworden dat veroordeelde in die periode wederrechtelijk vermogen heeft verkregen. De politierechter overweegt daartoe het volgende.

Het financiële onderzoek, voor zover daarvan sprake is, is verregaand onder de maat. Bij het proces-verbaal als ook bij het ontnemingsrapport zijn 6 bankafschriften van drie verschillende rekeningen bij twee bankinstellingen gevoegd, als ook een saldo-overzicht van de creditcard van veroordeelde.

Genoemde bankafschriften geven geen enkel inzicht in de geldbewegingen over die rekeningen. Een analyse op jaarbasis van die rekeningen is niet gemaakt. Veroordeelde is met betrekking tot die bankrekeningen in het totaal niet gehoord. De suggestie dat bepaalde stortingen zouden samenvallen met tijdstippen waarop veroordeelde inkomen uit hennepoogsten zou hebben gehad, is dan ook niet meer dan een suggestie. Evenmin is een heldere vergelijking gemaakt tussen de door de belastingdienst verstrekte gegevens over de jaren 2004 - 2007 en de financiële situatie van veroordeelde en zijn bedrijf. Dat laatste klemt nu een van de bijgevoegde bankafschriften betrekking heeft op het bedrijf van veroordeelde. Uit dat afschrift valt alleen af te leiden dat er betalingen ten laste van het bedrijf van veroordeelde plaatsvinden zonder dat deze verder in enig financieel kader worden geplaatst. Het aanmerken van een van de op dat afschrift opgenomen betalingen als verdacht kan zonder nadere motivering niet anders dan als onvoldoende onderbopuwd worden beschouwd. De selectie van bankafschriften en de focus op bepaalde transacties wekt meer dan de indruk van een doelredenering. Van enig behoorlijk financieel onderzoek is echter geen sprake.

Nuon heeft een rapport opgesteld waarin is opgenomen (pagina 74) een historisch overzicht van verbruik van elektriciteit in het bedrijfspand van veroordeelde. Opvallend is dat in de periode 18 juni - 24 oktober 2007 meer dan twee keer zoveel elektriciteit wordt gebruikt dan op jaarbasis in de voorgaande jaren. (juni 2005 - juni 2006: 6902 Kilowatt; juni 2006 - juni 2007: 7311 Kilowatt; juni 2007 - oktober 2007: 18932 Kilowatt). Het door Nuon berekende verbruiksvermogen van de aangetroffen kwekerij komt overeen met het in die laatste periode zeer sterk toegenomen verbruik van elektriciteit. Dat verbruik stemt ook overeen met de verklaring van veroordeelde dat hij in die periode een actieve kwekerij beheerde. Indien veroordeelde in de jaren daarvoor zoveel zou hebben gekweekt als het rapport de lezer wil doen aannemen, zou het verbruik van elektriciteit navenant moeten zijn.

Dat is het aantoonbaar niet. Ook hier doet zich een vorm van doelredenering voor. Nagelaten is te onderzoeken hoeveel elektrische energie het bedrijf van veroordeelde op jaarbasis verbruikt. Die informatie had niet alleen ontlastend voor veroordeelde kunnen zijn, ook had met behulp van die informatie vastgesteld kunnen worden of er sprake is van onverklaarbaar energieverbruik.

Beslissing.

De politierechter,

wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;

Dit vonnis is gewezen door

Mr. de Graaff, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. Veenhuizen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2009.