Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6542

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/270 WOW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel alwaar eiser een glastuinbouwbedrijf exploiteert. Verweerder heeft de aangevraagde bouwvergunning geweigerd,omdat het bouwplan in strijd zou zijn met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/270 WOW44

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 27 april 2006 heeft verweerder de door eiser op 31 augustus 2005 ingediende aanvraag om een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [adres], afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2006, verzonden op dezelfde datum heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften van 6 juli 2006, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 augustus 2006, ingekomen bij de rechtbank op 25 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 30 november 2007 (AWB 06/7103 WOW44) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2006 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 8 januari 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 januari 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van gelijke datum heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 14 februari 2008 (AWB 08/285 WOW44) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Het beroep is op 29 augustus 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].

Motivering

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [adres], alwaar eiser een glastuinbouwbedrijf (gerberakwekerij) exploiteert. Verweerder heeft de aangevraagde reguliere bouwvergunning geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

In de uitspraak van 30 november 2007 (AWB 06/7103 WOW44) heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Landelijk gebied 1974 na 7e herziening. Dit is het geval omdat eiser destijds bezwaar heeft aangetekend bij Gedeputeerde Staten en de Kroon tegen de in het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1990 opgenomen bestemming "Agrarische doeleinden". Eiser wilde voor zijn perceel de aanduiding "Ak". De Kroon heeft het bezwaar gegrond verklaard zodat het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1990 met betrekking tot eisers perceel gewijzigd had moeten worden in "Ak". Omdat dit niet is gebeurd, moet worden teruggevallen op het oude bestemmingsplan Landelijk gebied 1974 na 7e herziening. Het betrokken perceel heeft volgens dit plan de bestemming 'Landbouw, veeteelt en opengrondsetuinbouw'.

In artikel 11, tiende lid, van de planvoorschriften is bepaald dat indien voor een bedrijf een bouwvergunning is aangevraagd, burgemeester en wethouders het bouwplan in handen van de landbouwkundig adviseur stellen met het verzoek om hem schriftelijk kenbaar te maken:

a. of het bouwplan betrekking heeft op een agrarisch bedrijf als toegestaan ingevolge de bestemmingsomschrijving;

b. of, indien het bouwplan betrekking heeft op een woning, deze woning een agrarische bedrijfswoning is als omschreven in artikel 1 lid 10;

c. of van het desbetreffende gebouw in het algemeen een blijvend en overwegend agrarisch gebruik is te verwachten.

Verweerder heeft gezien bovenstaande terecht advies aan de Agrarische beoordelingscommissie (ABC) gevraagd. De ABC heeft in haar advies van

4 november 2005 geadviseerd geen medewerking te verlenen aan het bouwplan omdat het bouwvoornemen gezien de huidige omvang van het bedrijf niet noodzakelijk wordt geacht voor de agrarische bedrijfsvoering en het voorts, gelet op de continuïteit, niet in overeenstemming is met de voorschriften van het bestemmingsplan.

Verweerder heeft op grond van dit advies de gevraagde bouwvergunning op grond van artikel 44, onderdeel c, van de Woningwet geweigerd.

Volgens verweerder is niet voldaan aan het gestelde in artikel 11, tiende lid, onder c van de planvoorschriften omdat eiser de vergunde uitbreiding van zijn kassenareaal niet heeft gerealiseerd, eiser op leeftijd is, en er geen opvolger voor het bedrijf is.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de punten waarover de ABC op grond van artikel 11 van de planvoorschriften moet adviseren begrepen worden als nadere voorwaarden waaraan een bouwplan moet voldoen.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het thans bestreden besluit onvoldoende onderbouwd waarom eisers bedrijf in de huidige omvang onvoldoende bestaanszekerheid heeft en van een bedrijfswoning dus geen overwegend agrarisch gebruik te verwachten is.

De daarvoor gegeven onderbouwing, te weten dat de noodzakelijke uitbreiding waarvoor destijds een vergunning is verleend niet is gerealiseerd en dat eiser reeds op leeftijd is en nog geen opvolger heeft, is ontoereikend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het bedrijf van eiser klaarblijkelijk al jaren kan voortbestaan zonder schaalvergroting en dat concrete aanwijzingen dat dat binnenkort gaat veranderen ontbreken. Niet betwist is dat de bedrijfsresultaten behoorlijk zijn. Eiser heeft voor het feit dat de uitbreiding nog niet heeft plaatsgevonden een verklaring gegeven; deze uitbreiding is niet te exploiteren als er geen toezicht vanuit een bedrijfswoning aanwezig is. Er is geen reden te twijfelen aan deze verklaring. Dat eiser misbruik zou willen maken van de mogelijkheden is niet gebleken.

Ook de omstandigheid dat eiser 57 jaar oud is en (nog) geen bedrijfsopvolger heeft, is onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat geen overwegend agrarisch gebruik van een bedrijfswoning te verwachten is."

In de uitspraak van 14 februari 2008 (AWB 08/285 WOW44) heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende overwogen:

"De voorzieningenrechter deelt niet de opvatting van verzoeker dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 30 november 2007 heeft overwogen. In het nieuwe besluit op bezwaar heeft verweerder zijn standpunt dat de huidige, kleinschalige bedrijfsvoering niet tot een bedrijfswoning noopt nader onderbouwd. Verweerder heeft de bouwaanvraag van verzoeker opnieuw beoordeeld, waarbij hij niet alleen heeft gekeken naar de bedrijfsvoering van verzoeker maar tevens de toekomstige planologische ontwikkelingen in aanmerking heeft genomen. Of verweerder met deze ontwikkelingen rekening had mogen houden, is een vraag die in de beroepszaak aan de orde kan komen."

De rechtbank overweegt thans, gelet op het voorgaande, als volgt.

Verweerder heeft aan het thans bestreden besluit mede ten grondslag gelegd het feit dat eisers bedrijf is gelegen in een gebied, dat op basis van het op 31 januari 2006 door de raad van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle vastgestelde Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP) is aangewezen voor woningbouwdoeleinden.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat er van uit, dat het ISP voorziet in woningbouw ter plaatse van de [adres].

Eiser heeft betoogd dat, nu het ISP is vastgesteld nadat eiser op 31 augustus 2005 de aanvraag om bouwvergunning indiende, geen sprake is van gewijzigde planologische omstandigheden. Eiser stelt dat het ISP bij de beantwoording van de vraag of het bouwplan voldoet aan het bepaalde in artikel 11, tiende lid, van de planvoorschriften, buiten beschouwing dient te worden gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder gehouden was het besluit van 27 april 2006 te heroverwegen met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die waren op het tijdstip van de heroverweging. Dat aan artikel 7:11 van de Awb ten grondslag liggende uitgangspunt lijdt geen uitzondering nu na een vernietiging door de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of van de bedrijfswoning in het algemeen een blijvend en overwegend agrarisch gebruik is te verwachten, onlosmakelijk is verbonden met toekomstige ontwikkelingen die betrekking hebben op het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de toekomstige planologische ontwikkelingen terecht in aanmerking heeft genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank had het, gelet op het bepaalde in artikel 11, tiende lid, van de planvoorschriften, in de rede gelegen dat verweerder het bouwplan wederom ter advisering in handen van de ABC had gesteld. Bovendien heeft eiser gemotiveerd ontkend dat de algemene trend van toenemende schaalvergroting in de glastuinbouw, die volgens verweerder lijdt tot een sanering van kleinere bedrijven, niet geldt voor eisers gerberakwekerij.

De ABC had vervolgens, met in achtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van

30 november 2007 (AWB 06/7103 WOW44) heeft overwogen, moeten beoordelen of het bouwplan voldoet aan het gestelde in artikel 11, tiende lid, onder c van de planvoorschriften. Bij de beantwoording van die vraag moeten het ISP betrokken worden.

Verweerder heeft, door het bouwplan niet wederom ter advisering in handen van de ABC te stellen, in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 11, tiende lid, van de planvoorschriften.

Gelet hierop is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel als bedoeld in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank zal hiervoor een termijn stellen.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting 2 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan eiser moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer, mr. C.M. Derijks en mr. T. van Rij en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2009, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.F. van Aalst.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.