Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6402

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/22384
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 (200708670/1), dat uit de wettelijke bepalingen zoals weergegeven onder 2.2 tot en met 2.6 niet volgt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in persoon moet worden ingediend. Hoewel een verblijfsvergunning persoonsgebonden is, biedt de tekst van artikel 3.102 Vb geen aanknopingspunt voor de uitleg van die bepaling dat aan het verstrekken van gegevens en bescheiden, noodzakelijk voor het beslissen op een ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier, de verschijning in persoon van de desbetreffende vreemdeling noodzakelijkerwijs verbonden is.

Met betrekking tot het betoog van verzoeker, dat verweerder niet op de correcte wijze heeft getracht de leges te innen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De voorzieningenrechter stelt, gelet op de inhoud van de brieven van 8 en 16 april 2008, vast dat aan verzoeker geen andere gelegenheid is geboden om de leges te voldoen anders dan in persoon. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de in rechtsoverwegingen 2.5 tot en met 2.7 genoemde bepalingen niet volgt dat leges uitsluitend in persoon kunnen worden voldaan. Nu er kennelijk geen grondslag is voor de door verweerder gestelde eis dat de leges in persoon moeten worden voldaan, kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat naar haar voorlopig oordeel verweerder aan verzoeker geen reëel herstel tot verzuim heeft geboden en dat derhalve niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4:5, eerste lid, Awb. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 2 juni 2008 (AWB 07/35515), welke is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van 17 december 2008 (200805290/1).

Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen en ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 22384

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2009

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1973, van Nigeriaanse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. T. Thissen, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 5 maart 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “arbeid in loondienst”. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 19 juni 2008 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 8 juli 2008 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft meegedeeld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 20 juni 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft op 7 november 2008 een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 21 november 2008. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 4:1 Awb wordt een aanvraag schriftelijk ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

2.3 Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

2.4 Ingevolge artikel 23 Vreemdelingenwet 2000 (Vw), voor zover hier van belang, wordt een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, Awb, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger.

2.5 Ingevolge artikel 24, tweede lid, Vw is de vreemdeling, in de door Onze Minister te bepalen gevallen en volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

2.6 Artikel 3.102, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling bij de in persoon ingediende aanvraag in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding overlegt, alsmede, voor zover mogelijk, gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening. Het tweede lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de niet in persoon ingediende aanvraag de vreemdeling afschriften overlegt van de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden.

2.7 In de artikelen 3.34 tot en met 3.34i van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 zijn regels opgenomen met betrekking tot de leges terzake van de afdoening van een aanvraag.

2.8 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is bij brief van 8 april 2008 uitgenodigd om op 8 mei 2008 in persoon bij verweerder te verschijnen teneinde zijn aanvraag te completeren en de verschuldigde leges te voldoen. Op 9 april 2008 heeft de gemachtigde van verzoeker schriftelijk aan verweerder bericht dat verzoeker graag wil komen als hij de garantie krijgt niet te worden gedetineerd. Tevens vraagt de gemachtigde of het zin heeft om de aanvraag schriftelijk aan te vullen. Bij brief van 16 april 2008 deelt verweerder onder andere mede dat een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier pas in behandeling wordt genomen en inhoudelijk wordt beoordeeld nadat de vreemdeling zich in persoon aan het loket van de IND heeft geïdentificeerd en de leges zijn betaald.

2.9 Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoeker de voor de aanvraag verschuldigde leges niet heeft voldaan en geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om dit verzuim te herstellen. Daarnaast heeft verzoeker de aanvraag, na daartoe te zijn uitgenodigd, niet in persoon aangevuld met de benodigde bescheiden.

2.10 Verzoeker heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Verzoeker is niet gehouden zijn aanvraag in persoon in te dienen. Verzoeker verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 juni 2008 (200708670/1). Verweerder heeft de leges niet op de correcte wijze getracht te innen. Zo heeft verweerder verzoeker ten onrechte geen mogelijkheid geboden om de leges schriftelijk te voldoen en heeft daartoe geen eerste en tweede acceptgiro gezonden. Verzoeker is niet zonder opgaaf van redenen niet verschenen op de uitnodiging van verweerder om op 8 mei 2008 te verschijnen. Verzoeker wilde enkel verschijnen onder de voorwaarde dat hij niet gedetineerd zou worden hetgeen verweerder hem niet kon garanderen. De uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 is gelet op het laatste niet analoog toepasbaar op de onderhavige aanvraag.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.11 Verzoeker heeft op 5 maart 2008, middels een daartoe bestemd formulier, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend. In de toelichting op dat formulier staat vermeld welke documenten bij het indienen van de aanvraag moeten worden overgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker bij het indienen van de aanvraag niet de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde documenten heeft overgelegd en de leges niet heeft betaald.

2.12 Bij brief van 8 april 2008 heeft verweerder verzoeker verzocht het aanvraagformulier persoonlijk in te leveren en daartoe op 8 mei 2008 in persoon te verschijnen en daarbij de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde, maar vooralsnog ontbrekende, (originele) documenten over te leggen en de leges te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker op 8 mei 2008 niet in persoon is verschenen en zijn aanvraag niet heeft aangevuld met de voor de beoordeling van die aanvraag benodigde (originele) documenten en de betaling van leges, zoals vermeld in de brief van 8 april 2008.

2.13 De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 (200708670/1), dat uit de wettelijke bepalingen zoals weergegeven onder 2.2 tot en met 2.6 niet volgt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in persoon moet worden ingediend. Hoewel een verblijfsvergunning persoonsgebonden is, biedt de tekst van artikel 3.102 Vb geen aanknopingspunt voor de uitleg van die bepaling dat aan het verstrekken van gegevens en bescheiden, noodzakelijk voor het beslissen op een ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier, de verschijning in persoon van de desbetreffende vreemdeling noodzakelijkerwijs verbonden is.

2.14 Met betrekking tot het betoog van verzoeker, dat verweerder niet op de correcte wijze heeft getracht de leges te innen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.15 De voorzieningenrechter stelt, gelet op de inhoud van de brieven van 8 en 16 april 2008, vast dat aan verzoeker geen andere gelegenheid is geboden om de leges te voldoen anders dan in persoon. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de in rechtsoverwegingen 2.5 tot en met 2.7 genoemde bepalingen niet volgt dat leges uitsluitend in persoon kunnen worden voldaan. Nu er kennelijk geen grondslag is voor de door verweerder gestelde eis dat de leges in persoon moeten worden voldaan, kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat naar haar voorlopig oordeel verweerder aan verzoeker geen reëel herstel tot verzuim heeft geboden en dat derhalve niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4:5, eerste lid, Awb. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 2 juni 2008 (AWB 07/35515), welke is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling van 17 december 2008 (200805290/1).

2.16 Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen en ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.17 De voorzieningenrechter zal een voorlopige voorziening treffen.

2.18 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

2.19 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 322,- te betalen aan verzoeker;

3.3 draagt de Staat der Nederlanden op € 145,- te betalen aan verzoeker als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, voorzieningenrechter, en op 26 januari 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.