Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6206

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/33491
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen algemene zorgplicht COA

Onder verwijzing naar AbRS van 18 november 2008 (200802954/1) overweegt de rechtbank dat het Rvb geen bepalingen bevat die het COA een mogelijkheid bieden om de in artikel 2, eerste lid genoemde kring van rechthebbenden uit te breiden. Gelet op het samenstel van wettelijke bepalingen is geen sprake van algemene jegens vreemdelingen op het COA rustende zorgtaken, die er toe kunnen leiden dat het COA zijn in de Rvb toevertrouwde taken uitvoert met voorbijgaan aan de daaraan gestelde begrenzing dat de desbetreffende vreemdelingen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g of h, van de Vw 2000 hebben. Dit vindt bevestiging in het bepaalde in artikel 10 van de Vw 2000. Er is dan ook geen ruimte voor het oordeel dat het op de weg van het COA lag om bij de beoordeling van de aanvragen van de vreemdelingen om verstrekkingen op grond van de Rvb uitvoering te geven aan de gestelde uit het IVRK voortvloeiende en op de Nederlandse staat rustende zorgplicht ten aanzien van de categorie minderjarigen, waartoe de vreemdelingen behoren. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het voorgaande anders zou zijn ten aanzien van eventuele zorgtaken voortvloeiend uit artikel 8 van het EVRM en uit – voor zover dit een een ieder verbindende bepaling is – artikel 13 van het ESH.

In tegenstelling tot hetgeen eiseres heeft gesteld, heeft de AbRS dus wel uitspraak gedaan over de uit internationale verplichtingen voortvloeiende zorgplicht in het kader van de Rvb. De door eiseres aangevoerde omstandigheden geven de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan de AbRS in voormelde uitspraak heeft gedaan. In die uitspraak betrof het kinderen die in afwachting waren van het antwoord op de vraag of zij in aanmerking zouden komen voor een pardonvergunning. Die kinderen hadden geen rechtmatig verblijf, maar werden ook niet door verweerder uitgezet (en ‘hoefden’ dus niet te vertrekken) zolang er geen uitsluitsel over de pardonprocedure was. Dat eiseres niet kan en ‘hoeft’ te vertrekken, maakt deze zaak dus niet anders. Evenmin is er sprake van enige rechtsontwikkeling op grond waarvan thans een andere beoordeling dient plaats te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/33491

inzake:

eiseres [naam], geboren [geboortedatum] in 2001, van Surinaamse nationaliteit, wonende te Amsterdam,

gemachtigde: mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem,

tegen:

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigde: mr. J.N. Mons.

I. PROCESVERLOOP

Op 11 augustus 2008 heeft eiseres een vervolgaanvraag tot verlening van verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) ingediend. Bij besluit van 1 september 2008 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en de Rvb uitkering van eiseres per 25 juli 2008 beëindigd.

Bij beroepschrift van 16 september 2008 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In het verweerschrift van 26 november 2008 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2008. Eiseres is daar vertegenwoordigd door mr. E.C. Cerezo, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam] de moeder en wettelijk vertegenwoordiger van eiseres.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiseres is afkomstig uit Suriname. Onderzoek aldaar gaf geen uitsluitsel over de oorzaak van de medische problemen van eiseres. Daarom is eiseres op kosten van de werkgever van haar vader met haar moeder naar Nederland gekomen. Zij verblijven bij de grootvader van eiseres, zonder geldige verblijfsvergunning. De aanvraag voor een verblijfsvergunning op basis van medische gronden is afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar ingediend. Tevens heeft eiseres een verzoek bij de rechtbank ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt de uitzetting van eiseres te verbieden zolang niet is beslist op het bezwaar. Beide procedures zijn nog aanhangig.

2. Op 30 mei 2008 heeft de gemachtigde namens eiseres een bezwaar ingediend tegen het indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 21 maart 2008. Op 2 september 2008 heeft het CIZ een conceptbeschikking uitgegeven. In de conceptbeschikking wordt het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Gedeeltelijk, omdat er meer zorg gewenst is dan het CIZ kan indiceren.

3. Uit deze conceptbeschikking blijkt dat eiseres als gevolg van een lichamelijke aandoening blijvende neurologische problemen ondervindt en dat zij hierdoor is beperkt op motorisch en cognitief gebied. De lichamelijke aandoening is een zeer zeldzame stofwisselingsziekte waardoor de hersenen van eiseres onvoldoende glucose (voeding) krijgen. Dit heeft geleid tot een hersenbeschadiging en een forse ontwikkelingsachterstand. Eiseres functioneert op het niveau van iemand die ongeveer anderhalf tot twee jaar is.

4. Middels een ketogeendieet kan het hersenweefsel ook worden gevoed met ketogeen in plaats van glucose. Die behandeling mag niet worden gestaakt, anders zal de hersenbeschadiging doorgaan. In het geval van eiseres is volledig herstel niet meer mogelijk. Er zullen zowel lichamelijk als mentaal ernstige beperkingen blijven. De benodigdheden voor het ketogeendieet zijn in Suriname niet te verkrijgen. Inmiddels krijgt eiseres de zorg die door het CIZ is geïndiceerd.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder heeft de uitkering van eiseres op grond van de Rvb beëindigd per 25 juli 2008, omdat eiseres per die datum niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Immers, het bezwaar tegen het afwijzende besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning is ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep en het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hebben geen schorsende werking.

2. Eiseres heeft tegen de beëindiging van de verstrekkingen het volgende aangevoerd. Eiseres is slechts zeven jaar oud en is gehandicapt. Weliswaar verblijft eiseres niet langer rechtmatig in Nederland, maar zij heeft wel recht op hulp. Er rust een zorgplicht op de Nederlandse staat. Dit volgt uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Weliswaar is er in de Rvb geen hardheidsclausule neergelegd op grond waarvan het COA kan afwijken van de in de Rvb gestelde vereisten, maar uit voornoemde verdragen volgt dat het COA toch is gehouden om de uitkeringen te verstrekken. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 oktober 2006 (LJN: AY9940) en van 22 december 2008 (LJN: BG8789). Daarin is bevestigd dat de hoofdregel is dat alleen kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven in aanmerking komen voor bepaalde rechten, maar dat op die hoofdregel uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor kinderen zonder rechtmatig verblijf. Er zijn al eerder uitspraken gedaan over de zorgplicht van de Staat en artikel 2 van het IVRK. Echter, die zaken betroffen niet de Rvb, maar de Regeling verstrekkingen asielzoekers die tevens opvang van asielzoekers regelt. Bovendien betreft het hier andere omstandigheden waarover nog niet eerder uitspraken zijn gedaan. Deze omstandigheden zien op de situatie dat eiseres niet terug kan en hoeft, omdat verweerder haar niet zal uitzetten zolang het verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig is. In het kader van het beroep op artikel 8 van het EVRM wordt verwezen naar de uitspraak inzake Mayeka en Mitunga tegen België (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 12 oktober 2006; LJN: AZ4343; EHRC 2006, 144). Hieruit volgt dat de Staat een eigen plicht ten opzichte van het kind heeft. Bovendien bestaat er voor de Staat een positieve verplichting om het familie- en gezinsleven mogelijk te maken. Eiseres en haar moeder wonen thans bij de grootvader van eiseres en kunnen voor de noodzakelijke benodigdheden niet in hun eigen levensonderhoud voorzien. Ter onderbouwing van het beroep op artikel 13 van het ESH wordt verwezen naar de uitspraak inzake de International Federation of Human Rights Leagues tegen Frankrijk (Europese Commissie inzake Sociale Rechten, 8 september 2004, complaint no. 14/2003). Daarin is bepaald dat de Staat mensen op hun grondgebied niet mag uitsluiten van sociale en medische bijstand wegens het ontbreken van de juiste documenten. Ter vervulling van die zorgplicht is het COA in de onderhavige zaak de aangewezen instantie. Het is immers een zelfstandig orgaan dat ondanks de Rvb een eigen verantwoordelijkheid heeft. Thans wordt eiseres van het kastje naar de muur gestuurd.

3. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder het volgende standpunt ingenomen. Eiseres heeft geen rechtmatig verblijf. Het vereiste van rechtmatig verblijf is neergelegd in de Rvb, hetgeen een ministeriële regeling is, waarvan het COA niet mag afwijken. Het COA is alleen belast met het verstrekken van toelagen aan de specifiek in de regeling genoemde categorieën. Er is geen sprake van algemene zorgtaken. Zo is ook geoordeeld in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 29 april 2008 (2008800462/1; LJN: BD1538) en van 18 november 2008 (200802954/1). Het IVRK roept geen aanspraken in het leven voor kinderen die geen rechtmatig verblijf hebben. Het is geoorloofd om voor het verstrekken van financiële opvang een onderscheid te maken tussen rechtmatig en niet-rechtmatig verblijvende kinderen. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 12 april 2007 (LJN: BA3394) en van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 november 2007 (AWB 07/17793, 07/17794, 07/17795; LJN: BB8838). Voorts is er geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM. Beëindiging van de Rvb-uitkering resulteert niet in een scheiding tussen eiseres en haar ouders. Er is dus geen sprake van inmenging in het gezins- en familieleven. Het recht op uitkering is niet geregeld in artikel 8 van het EVRM. De overheid heeft een positieve verplichting om het recht op respect voor de persoonlijke levenssfeer en familieleven mogelijk te maken. Er mag geen situatie gecreëerd worden waarin het onmogelijk wordt om de rechten uit te oefenen. Door stopzetting van de uitkering wordt het eiseres niet onmogelijk gemaakt dit recht uit te oefenen. De verwijzing naar de uitspraak inzake Mayeka en Mitunga tegen België maakt dit niet anders. Het beroep op artikel 13 ESH kan niet slagen, omdat het geen een ieder verbindende bepaling is als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Nu het beroep op artikel 8 van het EVRM niet kan slagen, kan ook in dat kader geen gewicht aan artikel 13 ESH worden toegekend. Voorts bestaat er weliswaar een zekere zorgplicht, maar deze gaat niet zover dat het COA gehouden is een uitkering te verstrekken op grond van de Rvb, terwijl eiseres daar geen recht op heeft. Bovendien is het COA niet de aangewezen instantie.

III. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kan van het eerste lid worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Wet COA is het COA belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers en met ander door de minister van Justitie (hierna: de minister) aan het COA op te dragen taken die samenhangen met de opvang van asielzoekers. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de minister het COA taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

3. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Wet COA.

4. Dergelijke regels zijn gesteld in de Rvb. In deze regeling is aan het COA de taak opgedragen te voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden (inhoudende een financiële toelage en de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe door het COA te treffen ziektekostenregeling) voor een aantal categorieën vreemdelingen.

5. Ingevolge artikel 2, eerste lid en onder e, van de Rvb, zoals luidende sinds de wijziging daarvan op 22 december 2006, welke wijziging met ingang van 1 januari 2007 in werking is getreden, is het COA belast met het, gedurende de daarbij aangegeven termijn, voorzien in de noodzakelijke bestaanvoorwaarden van - voor zover van belang - een samen met tenminste één ouder of verzorger hier te lande verblijvende minderjarige vreemdeling, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in onderdeel c, die geen aanspraak heeft op verstrekkingen op grond van enig ander wettelijk voorschrift en die blijkens een schriftelijke verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vw 2000, vanaf het moment dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vw 2000, is verkregen tot het moment waarop dit rechtmatig verblijf is geëindigd.

6. De rechtbank stelt vast dat niet tussen partijen in geschil is dat eiseres hier te lande geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 onder f, g of h, van de Vw 2000 heeft. Nu artikel 2, eerste lid en onder e, van de Rvb onder meer als voorwaarde voor inwilliging van de aanvraag stelt dat de vreemdeling rechtmatig verblijf op de voet van artikel 8 onder f, g of h, van de Vw 2000 geniet, heeft verweerder de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank derhalve terecht op die grond afgewezen.

7. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het COA in verband met een algemene zorgplicht voor de Nederlandse Staat desondanks een zorgplicht heeft ten aanzien van eiseres. Daartoe heeft eiseres verwezen naar de internationale verplichtingen uit artikel 2 van het IVRK, artikel 8 van het EVRM en artikel 13 van het ESH.

8. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt en verwijst daartoe naar de recente uitspraak van de AbRS van 18 november 2008 (200802954/1). Daarin is overwogen dat het COA ingevolge de Rvb is belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden van de in artikel 2, eerste lid, vermelde categorieën vreemdelingen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb behoort tot de kring van rechthebbenden de categorie minderjarige vreemdelingen die, samen met tenminste één ouder of verzorger, in afwachting van een verblijfsaanvraag rechtmatig in Nederland verblijven. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Rvb wordt met de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor deze categorie vreemdelingen slechts het verstrekken van een financiële toelage bedoeld. Het Rvb bevat geen bepalingen die het COA een mogelijkheid bieden om hiervan af te wijken dan wel om de kring van rechthebbenden uit te breiden. Hieruit volgt dat het COA ten aanzien van minderjarige vreemdelingen die geen asielzoeker zijn, uitsluitend is belast met de specifieke taak van het verstrekken van een financiële toelage aan de categorie vreemdelingen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb. Gelet op dit samenstel van wettelijke bepalingen is geen sprake van algemene jegens vreemdelingen op het COA rustende zorgtaken, die er toe kunnen leiden dat het COA zijn in de Rvb toevertrouwde taken uitvoert met voorbijgaan aan de daaraan gestelde begrenzing dat de desbetreffende vreemdelingen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g of h, van de Vw 2000 hebben. Dit vindt bevestiging in het bepaalde in artikel 10 van de Vw 2000. Volgens de AbRS had de rechtbank in die zaak dan ook ten onrechte overwogen dat het op de weg van het COA lag om bij de beoordeling van de aanvragen van de vreemdelingen om verstrekkingen op grond van de Rvb uitvoering te geven aan de naar haar oordeel uit het IVRK voortvloeiende en op de Nederlandse staat rustende zorgplicht ten aanzien van de categorie minderjarigen, waartoe de vreemdelingen behoren. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het voorgaande anders zou zijn ten aanzien van eventuele zorgtaken voortvloeiend uit artikel 8 van het EVRM en uit – voor zover dit een een ieder verbindende bepaling is – artikel 13 van het ESH.

9. In tegenstelling tot hetgeen eiseres heeft gesteld, heeft de AbRS dus wel uitspraak gedaan over de uit internationale verplichtingen voortvloeiende zorgplicht in het kader van de Rvb. De door eiseres aangevoerde omstandigheden geven de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan de AbRS in voormelde uitspraak heeft gedaan. In die uitspraak betrof het kinderen die in afwachting waren van het antwoord op de vraag of zij in aanmerking zouden komen voor een pardonvergunning. Die kinderen hadden geen rechtmatig verblijf, maar werden ook niet door verweerder uitgezet (en ‘hoefden’ dus niet te vertrekken) zolang er geen uitsluitsel over de pardonprocedure was. Dat eiseres niet kan en ‘hoeft’ te vertrekken, maakt deze zaak dus niet anders. Evenmin is er sprake van enige rechtsontwikkeling op grond waarvan thans een andere beoordeling dient plaats te vinden.

10. Voor zover eiseres in het beroepschrift subsidiair heeft aangevoerd dat op het COA een doorzendplicht berust indien het COA niet zelf verantwoordelijk is, overweegt de rechtbank dat de aanvraag een vervolgaanvraag op grond van de Rvb betreft. Voor de uitvoering van deze regeling is het COA verantwoordelijk en in zoverre was de aanvraag dan ook aan het juiste bestuursorgaan gericht, zodat er geen doorzendplicht bestond. Het feit dat eiseres na toetsing van de aanvraag niet aan de voorwaarden van het Rvb voldeed, deed niet een doorzendplicht ontstaan.

11. De conclusie is dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarom zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

12. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Talsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2009.

De griffier is buiten staat deze De voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: LT

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.