Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5953

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
310169 KG ZA 08-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overgangsvoorziening voor het afleggen van de staatsexamens op Curaçao. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat gedaagden jegens eisers met de geboden overgangsregeling niet onrechtmatig handelen. De vordering van eisers is daarom niet voor toewijzing vatbaar. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde af.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 13 maart 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 310169 / KG ZA 08-552 van:

1. [eiser sub 1], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [A],

2. [eiseres sub 2], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [B],

3. [eiser sub 3], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [C],

4. [eiser sub 4], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [D],

5. [eiser sub 5], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [E],

allen wonende te Curaçao,

eisers,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage,

en

1. [interveniënt sub 1], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [F] en [G],

2. [interveniënt sub 2], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [H], [I] en [J],

3. [interveniënt sub 3], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [K] en [L],

allen wonende te Curaçao,

4. de stichting Stichting Nederlands Middelbaar Onderwijs Curaçao (het Vespucci College),

gevestigd te Curaçao,

interveniënten aan de zijde van eisers,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage,

tegen:

1. de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),

zetelend te Den Haag,

2. de Informatie Beheer Groep,

gevestigd te Groningen,

gedaagden,

advocaat mr. E.J. Daalder te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk ‘eisers’, ‘interveniënten’, ‘gedaagden’ als gedaagden gezamenlijk dan wel gedaagden afzonderlijk als ‘de Staat’ en ‘de IBG’.

1. Het procesverloop

Eisers hebben gedaagden op 6 mei 2008 doen dagvaarden om op 13 mei 2008 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 15 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter in deze zaak een tussenvonnis gewezen waarbij een deel van het gevorderde is afgewezen. Voor het overige zijn toen alle beslissingen in afwachting van de resultaten van het door de Staat te voeren overleg met onder meer vertegenwoordigers van het ministerie van Defensie en de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (NOB) pro forma aangehouden.

./. Een kopie van dat vonnis wordt hierbij aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2009 hebben eisers verzocht om een voortgezette behandeling van de zaak. Bij brief van 2 maart 2009 heeft de raadsman van eisers een akte houdende wijziging van eis ingediend. Voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009.

2. Het incident tot voeging

Nadat de interveniënten 1 tot en met 3 reeds ter zitting van 13 mei 2008 tot voeging aan de zijde van eisers zijn toegelaten, is interveniënt 4, nadat gedaagden en eisers hadden verklaard daartegen geen bezwaar te hebben, ter zitting van 5 maart 2009 eveneens tot voeging aan de zijde van eisers toegelaten. Voldoende aannemelijk is geworden dat ook interveniënt 4 daarbij voldoende belang heeft.

3. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 maart 2009 wordt in dit geding, naast het feitenrelaas zoals vermeld in voormeld tussenvonnis d.d. 15 mei 2008, van het volgende uitgegaan.

3.1. Bij dagvaarding van 3 juni 2008 hebben eisers de Staat gedagvaard te verschijnen in een bodemprocedure voor deze rechtbank.

3.2. Bij e-mail en brief van 21 augustus 2008 heeft de Staat aan het bestuur van

interveniënt 4, ter attentie van de voorzitter [M], als volgt bericht:

“In de brieven van 12 december 2007 en van 29 april 2008 heb ik u bericht dat ik in overleg zou treden met vertegenwoordigers van het ministerie van Defensie en van de stichting NOB alvorens een definitieve uitspraak te doen over de situatie na de overgangsvoorziening voor het jaar 2008. Ik heb u toegezegd u tezijnertijd te informeren over de uitkomst van dit overleg. Dit overleg is inmiddels afgerond en tot een gezamenlijk standpunt gekomen waarover ik u hierbij wil informeren. Gezien de gemoeide tijd voor ontvangst verzend ik dit u eerst per e-mail en er volgt ook een brief.

In de tussentijd heb ik in antwoord op Kamervragen en per e-mail van 13 juni jl. aan u bericht, dat ook voor het examenjaar 2009 bij wijze van overgangsvoorziening dezelfde constructie met het afnemen van het staatsexamen op Curaçao kan worden gehanteerd als in 2008.

In de bijlage treft u het overzicht aan van de overgangsvoorziening voor het afleggen van de examens, waarmee het ministerie van Defensie en de stichting NOB hebben ingestemd en waartoe ik bereid ben in het kader van een zorgvuldige beëindiging van de voorheen gevolgde en bestreden wijze van examen afnemen. Graag verneem ik uw reactie daarop.

Indien u behoefte heeft aan een gesprek hierover, dan bent u van harte welkom op 28 augustus 2008, aanvang 11.00 uur op het ministerie van OCW, Rijnstraat 50, 2500 BJ Den Haag.”

3.3. Voormelde overgangsvoorziening luidt als volgt:

“Overgangsvoorziening Curaçao

Examens 2008

Overgangsregeling: voor leerlingen van Vespucci en Luzac; staatsexamen voor de voorzitter van staatsexamencommissie, waarbij de schoolresultaten meetellen en afgenomen op Curaçao

Examens 2009

Dezelfde overgangsregeling: voor leerlingen van Vespucci en Luzac; staatexamen voor de staatsexamencommissie, waarbij de schoolresultaten meetellen en afgenomen op Curaçao

Examens 2010

Wederom verlenging van de overgangsregeling met dien verstande dat de betrokken leerlingen van Vespucci en Luzac het integrale staatsexamen afleggen voor de staatsexamencommissie dus zowel het commissie-examen als het centraal examen. De schoolresultaten tellen niet mee voor het staatsexamen; de school kan deze natuurlijk nog wel toepassen.

Staatsexamen wordt geheel afgenomen op Curaçao.

Aldus is gedurende drie jaar voorzien in een overgangsregeling voor het afnemen van de staatsexamens op Curaçao.

Situatie per 2011

Het ligt in de bedoeling dat per 1 januari 2011 de statuswijziging van de Nederlandse Antillen is gerealiseerd. Curaçao en st. Maarten zullen dan meer op afstand van Nederland komen te staan met een eigen bestuurlijke structuur en eigen onderwijs wet- en regelgeving. Het ligt niet in de rede dat bij die nieuwe verhoudingen, waarbij de Nederlandse overheid nog meer op afstand is komen te staan, een Nederlandse staatscommissie op Curaçao Nederlandse staatsexamens komt afnemen.

De BES-eilanden (Bonaire, st. Eustatius en Saba) zijn daarentegen dan een soort van Nederlandse gemeente geworden waar de Nederlandse minister verantwoordelijk is voor het onderwijs.

Afhankelijk van de omstandigheden rond deze statuswijziging kan worden bezien of het wenselijk is om op bijvoorbeeld het grootste BES-eiland Bonaire de mogelijkheid te creëren aldaar het integrale staatsexamen voor de staatsexamencommissie af te afleggen.

Deze eventuele mogelijkheid kan dan worden opengesteld voor kinderen van Nederlandse ouders die tijdelijk op één van de zes Antilliaanse eilanden, dus ook Curaçao, verblijven in het kader van het uitgezonden zijn voor de Nederlandse overheid of bedrijf.

NB de juridische basis voor deze activiteiten van de staatsexamencommissie binnen de BES structuur vergt alsdan nog de nodige aandacht evenals de houding in deze van de betrokken andere overheden.”

3.4. Bij e-mail van 24 augustus 2008 heeft [M] de Staat onder meer geantwoord dat het bestuur niet integraal akkoord kan gaan met de voorgestelde tijdelijke voorziening. Daarbij heeft hij bericht grote waarde te hechten aan het aangeboden gesprek en voorgesteld dat een vertegenwoordiger van het Vespucci College (een ouder van twee kinderen) deelneemt aan dat gesprek nu hijzelf daarvoor op 28 augustus 2008 niet in de gelegenheid is.

3.5. Bij brief van 17 december 2008 heeft de Staat aan het bestuur van

interveniënt 4, ter attentie van de voorzitter [M], onder meer bericht dat een vertegenwoordigster van interveniënt 4, op 5 september 2008 in een gesprek met de Staat organisatorische en onderwijskundige bezwaren heeft geuit ten aanzien van het geïntegreerde staatsexamen in 2010 en een eventuele situatie van staatsexamens in Nederland vanaf 2011. In de brief wordt geconcludeerd dat met de overgangsvoorziening tot en met 2010 ruim voldaan is aan het treffen van een passende overgangsregeling.

4. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

4.1. Eisers vorderen na wijziging van eis – zakelijk weergegeven – gedaagden te bevelen:

primair:

I. de examenovereenkomst in haar geheel te respecteren;

II. al het noodzakelijke te doen om een correcte uitvoering van de examenovereenkomst te waarborgen;

III. er voor in te staan dat het Vespucci College op eerste verzoek bijstand wordt verleend bij de surveillances tijdens het afnemen van de examens, alsmede bij de uit te voeren correcties van de afgenomen examens;

subsidiair:

I. medewerking te verlenen aan voortzetting van de examenregeling zoals deze gold en geldt voor de examenjaren 2008 en 2009 tot en met het examenjaar 2012;

II. nader onderzoek te doen naar hoe tegemoetgekomen kan worden aan het belang van de leerlingen van het Vespucci College om a) de examens af te leggen op een wijze die gelijk is of zeer nauw aansluit bij de wijze waarop de examens worden afgelegd aan in Nederland gevestigde scholen en om b) alle onderdelen van het examen af te leggen op Curaçao, en te overleggen met de Antilliaanse Minister van Onderwijs en Cultuur, de NOB en interveniënt 4.

4.2. Daartoe voeren eisers onder meer het volgende aan.

De overgangsregeling is niet passend en daarmee onrechtmatig jegens eisers. Over de voorziening bestaat geen consensus tussen de Staat en de partijen waarmee overleg is gevoerd. Daarnaast heeft er geen serieus onderzoek plaatsgevonden naar de alternatieven voor het examineren in het buitenland, althans zijn deze alternatieven op oneigenlijke gronden afgewezen. Ook is de voorziening (te) vaag, (te) onduidelijk en voor het Vespucci College, zijn leerlingen en de ouders onnodig belastend. Tenslotte ontbeert de overgangsvoorziening iedere Nederlandse en Antilliaanse draagkracht, zowel politiek als in het onderwijsveld. In ieder geval hebben eisers recht op en belang bij bevriezing van de huidige situatie.

4.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Gedaagden hebben als verweer aangevoerd dat de gewijzigde vordering enerzijds geen recht doet aan de uitspraak van de voorzieningenrechter in voormeld vonnis van 15 mei 2008 en anderzijds voorbijgaat aan het karakter van een kort geding. Volgens gedaagden zal in de bodemprocedure, die eisers tegen gedaagden aanhangig hebben gemaakt, in ieder geval voor de eindexamens in 2010 een uitspraak zijn gedaan. Naar de mening van gedaagden hebben eisers geen spoedeisend belang bij hun vordering.

5.2. Geoordeeld wordt dat een mogelijke uitspraak in de bodemprocedure vóór mei 2010 niet in de weg staat aan een spoedeisend belang van eisers reeds thans een beslissing in kort geding te krijgen over de vraag of de door gedaagden geboden overgangsregeling al dan niet voldoende passend is.

5.3. Gelet op het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 15 mei 2008 staat in dit kort geding thans nog ter beoordeling of gedaagden jegens eisers met de geboden overgangsregeling onrechtmatig handelen.

5.4. De aanvankelijk door de Staat voorgestelde overgangsregeling voorzag er in dat al in het examenjaar 2008-2009 het centraal examen in Nederland zou moeten worden afgelegd. De Staat heeft thans verklaard dat de overgangsregeling, die bij brief van 21 augustus 2008 aan eisers bekend is gemaakt, is vastgesteld na overleg met het Ministerie van Defensie, de NOB, de Inspectie voor het Onderwijs en de Staatsexamencommissie. Voor zover eisers hebben willen stellen dat de overgangsregeling slechts tot stand mocht komen in overleg met de betreffende partijen, berust deze stelling op een misvatting. Het is uiteraard de verantwoordelijkheid van de Staat om, na gevoerd overleg, een overgangsregeling vast te stellen. Verantwoording wordt in het parlement afgelegd. Gesteld noch gebleken is dat de betreffende staatssecretaris daarbij onvoldoende steun voor de regeling heeft gekregen. De stelling van eisers dat de Staat voormeld overleg ook had moeten voeren met het Vespucci College volgt niet uit het tussenvonnis van 15 mei 2008. Deze stelling wordt dan ook gepasseerd. Voorts is van belang dat de overgangsregeling een geleidelijke stapsgewijze verandering impliceert. Zo is de regeling ten aanzien van de examens voor het jaar 2009 dezelfde als die voor het examenjaar 2008. De regeling betreffende het examenjaar 2010 wijkt af op het punt van het dan niet meer meetellen van de schoolresultaten voor het staatsexamen. Mede van belang is dat de examens tot en met het examenjaar 2010 op Curaçao worden afgenomen.

5.5. Eisers zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de Staat met de in augustus 2008 vastgestelde overgangsregeling onrechtmatig handelt jegens eisers. Immers, zoals in het vonnis van 15 mei 2008 is overwogen, is de examenovereenkomst vooralsnog in strijd met de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en met de daarop gebaseerde regelgeving. Daarnaast is in het betreffende vonnis geoordeeld dat beëindiging van de examenovereenkomst mogelijk is, mits een passende overgangsregeling zou worden getroffen. Het gaat nu om een geleidelijke overgangsregeling die in een tijdspanne van drie jaren een ongeveer zes jaren durende praktijk van strijd met de wet in overeenstemming beoogt te brengen met een situatie die niet langer in strijd met de bestaande wetgeving is. Deze kan in de gegeven omstandigheden niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Nu de Staat het Montessori College –waarmee het Vespucci College voormelde examenovereenkomst was aangegaan– al bij brief van 27 juni 2007 heeft geïnformeerd dat zowel de schoolexamens als de centrale examens ook daadwerkelijk in Nederland moeten worden afgelegd, kan het thans niet aan de Staat worden tegengeworpen dat zogenoemde schoolexamens, afgelegd in de jaren 2008 en 2009, er aan in de weg staan dat de overgangsregeling betreffende het jaar 2010 te bezwarend voor de leerlingen zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat het Montessori College het Vespucci College niet op kort termijn na ontvangst van de brief van 27 juni 2007 daarvan deelgenoot heeft gemaakt. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van het Vespucci College dat het zelf ten aanzien van bijvoorbeeld het tussentijds toetsen van de kennis van de leerlingen ook passende maatregelen had kunnen treffen.

5.6. De stelling van eisers dat de examens ook in de toekomst op Curaçao kunnen worden afgenomen, waarbij zij gewezen hebben op een verklaring van de Antilliaanse Minister van Onderwijs en Cultuur dat zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen de praktijk conform de examenovereenkomst, gaat er aan voorbij dat, zoals ook overwogen in het vonnis van 15 mei 2008, de WVO geen rijkswet is. Deze stelling legt dan ook geen gewicht in de schaal. Dat de overgangsregeling van drie jaar te kort zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt. Eisers hebben tenslotte nog gesteld dat de leerlingen van de schoolopleiding VMBO-kaderberoepsgerichte leerweg geen examen meer kunnen afleggen omdat het staatsexamen daar niet in voorziet. Ook wat dit betreft wordt overwogen dat eisers al sinds juni 2007 wisten of hadden kunnen weten dat aan de bestaande situatie een einde zou komen. Voor het gering aantal leerlingen –naar zeggen van eisers gaat het om ongeveer 17 leerlingen– dat deze leerweg volgt, zou een lokale (vsbo)opleiding een alternatief kunnen bieden.

5.7. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagden jegens eisers met de geboden overgangsregeling niet onrechtmatig handelen. De vordering van eisers is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

5.8. Eisers zullen, als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eisers hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.478,--, waarvan € 1.224,-- aan salaris advocaat en € 254,-- aan griffierecht;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2009.

AB