Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5924

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
09/754125-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mensenhandel, door twee prostituees in huis op te nemen en hen te werk te stellen waarbij de prostituees hun verdiensten af moesten staan. De verdachte en zijn mededader(s) hebben zich doelbewust ten koste van hun slachtoffers verrijkt en hebben daarbij grof geweld niet geschuwd. De verdachte heeft het initiatief genomen om zich als pooier te gedragen en heeft daarvoor de woonruimte van zijn moeder gebruikt. Daarnaast heeft hij aanzienlijk bijgedragen aan het geweld. Daar komt nog bij dat de verdachte de strafwaardigheid van zijn handelen niet blijkt in te zien. Gelet op deze omstandigheden is het gepast om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan aan zijn mededader. De uitbuiting van prostituees en het daarmee gepaard gaande geweld, zijn ernstige feiten. Dit soort misdrijven veroorzaakt gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid in de samenleving en stelt de prostitutie in een crimineel daglicht. Verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn slachtoffers. Gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd vaN 2 jaar. Zie ook LJN BH5925 (mededader).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/754125-08

Datum uitspraak: 13 maart 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren te [plaats] op [datum] 1989,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 februari 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.R.B. Mos heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder eerste en tweede cumulatief/alternatief telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot [A], zal niet worden gevolgd. Daartoe wordt overwogen dat in het algemeen kan worden gesteld dat van uitbuiting sprake kan zijn indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Een eventuele instemming van het slachtoffer met haar uitbuiting is dus niet bepalend. Wezenlijk is dat het slachtoffer in de gegeven omstandigheden geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te blijven, zodat in feite de vrijwilligheid bij het slachtoffer geheel, althans in hoge mate ontbreekt.

Overwogen wordt dat ten aanzien van [A] niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat tussen de verdachte en [A] sprake was van een uitbuitingssituatie zoals hiervoor is omschreven. [A] was ervan overtuigd dat zij een relatie met de verdachte onderhield en heeft bij de rechter-commissaris ondubbelzinnig verklaard dat zij niet wilde stoppen met het werk als prostituee. Bovendien heeft zij ontkend dat de verdachte haar heeft gedwongen om geld af te geven.

De officier van justitie heeft zich in haar requisitoir voorts toegespitst op het huisvesten van prostituees met het oogmerk van uitbuiting. In de tenlastelegging zijn de middelen daartoe opgenomen. De officier van justitie heeft zich blijkbaar beperkt tot "geweld en andere feitelijkheden". Het bij het laatste gedachtestreepje opgenomen feit - het dreigen met geweld - is echter geen feitelijke uitwerking van het ten laste gelegde geweld of andere feitelijkheden. Om die reden zal de verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Voorts behoeft motivering dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het niet te eten geven van [B] en het opsluiten van [C]. Deze feiten vinden onvoldoende steun in het dossier. Dat [B] in het geheel niet te eten kreeg is immers niet gebleken. Omtrent [C] is weliswaar gebleken dat zij zich in een dermate benarde positie bevond dat zij op 5 juni 2008 naar het balkon is gevlucht om naar buren te seinen dat 112 gebeld moest worden. Het opsluiten kan echter niet worden bewezen.

Overwegingen omtrent het bewijs.

De verdediging heeft - zakelijk weergegeven - bepleit dat in dit geval niet kan worden aangenomen dat sprake is van uitbuiting. Daartoe is aangevoerd dat de ten laste gelegde feiten, voor zover bewezen, zich hebben afgespeeld binnen een zeer kort tijdsbestek. Voorts waren [C] en [B] al geruime tijd werkzaam waren in de prostitutiescéne. Verder kan onder deze omstandigheden niet worden aangenomen dat de verdachte hen onder zodanige druk heeft gezet, dat zij daardoor hun met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld aan hem hebben afgedragen. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Overwogen wordt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn mededader(s) aan [C] en [B] onderdak verschaften. Voorts blijkt dat deze dames werkzaam waren in de prostitutie en dat de verdachte en zijn mededaders daar nauw bij betrokken waren door deze dames naar hun werkplek te brengen. Verder is gebleken dat [C] en [B] al het door hen verdiende geld aan de verdachte en zijn mededader(s) dienden af te staan. Uit deze omstandigheden blijkt reeds dat sprake is van een uitbuitingssituatie. Dat [C] en [B] zich vrijwillig onder deze (arbeids)omstandigheden schikten, is niet gebleken. [C] en [B] zijn daarentegen mishandeld en door de in de tenlastelegging opgenomen en bewezenverklaarde feitelijkheden in een afhankelijke positie gebracht waardoor het oordeel gerechtvaardigd is dat de vrijwilligheid in hoge mate ontbrak. Dat zowel [C] en [B] zich beiden reeds na enkele dagen - door het ingrijpen of de bemoeienis van de politie - aan de situatie wisten te onttrekken, doet niet af aan het bewijs van de uitbuitingssituatie waarin [C] en [B] verkeerden.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder eerste en tweede cumulatief/alternatief telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mensenhandel, door twee prostituees in huis op te nemen en hen te werk te stellen waarbij de prostituees hun verdiensten af moesten staan.

De verdachte en zijn mededader(s) hebben zich doelbewust ten koste van hun slachtoffers verrijkt en hebben daarbij grof geweld niet geschuwd. De verdachte heeft het initiatief genomen om zich als pooier te gedragen en heeft daarvoor de woonruimte van zijn moeder gebruikt. Daarnaast heeft hij aanzienlijk bijgedragen aan het geweld. Daar komt nog bij dat de verdachte de strafwaardigheid van zijn handelen niet blijkt in te zien. Gelet op deze omstandigheden is het gepast om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan aan zijn mededader.

De uitbuiting van prostituees en het daarmee gepaard gaande geweld, zijn ernstige feiten. Dit soort misdrijven veroorzaakt gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid in de samenleving en stelt de prostitutie in een crimineel daglicht. Verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest voor diefstallen en verkeersovertredingen.

De rechtbank verwijt het de verdachte ten zeerste dat hij zich niet heeft gehouden aan een tweetal schorsingsvoorwaarden die hem op 4 december 2008 zijn opgelegd. De verdachte heeft zich bij de reclassering niet begeleidbaar opgesteld, reden waarom zij geen mogelijkheden zien om de verdachte verder te behandelen. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden om in herhaling te vallen, zal aan hem desalniettemin een deels voorwaardelijke straf worden opgelegd.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat na te melden gevangenisstraf passend en geboden is.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 57, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder eerste en tweede cumulatief/alternatief telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 9 juli 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 11 juli 2008,

bevel gevangenhouding : 25 juli 2008,

geschorst op: 4 december 2008,

opheffing schorsing voorlopige hechtenis :10 februari 2009.

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Timmermans, voorzitter,

De Bruijn en De Groot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Chomsky, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2009.