Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5735

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/24461
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / art 17, 1e lid, onder c, Vw 2000 / BMA-advies / voorwaarden reis / vergewisplicht / individuele toegankelijkheid zorg

De rechtbank vat de Afdelingsuitspraak van 4 september 2008 (LJN: BF0506) aldus op dat daar waar het BMA voorwaarden heeft gesteld waarbij - blijkens de formulering - de individuele toegankelijkheid van belang is, verweerder in het kader van de op hem rustende vergewisplicht actief dient na te gaan of aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. De rechtbank ziet zich hierin bevestigd door hetgeen de Afdeling in een vergelijkbare zaak bij uitspraak van 21 november 2008 (LJN: BG5703) heeft overwogen.

In onderhavige zaak heeft het BMA voorwaarden geformuleerd waaronder eiseres kan reizen. Wat betreft de voorwaarde dat een psychiatrisch verpleegkundige eiseres dient te begeleiden, ziet de rechtbank in navolging van voornoemde uitspraak geen reden aan te nemen dat aan deze voorwaarde bij uitzetting niet zal kunnen worden voldaan. Dit geldt ook voor de voorwaarde dat eiseres medicatie dient mee te nemen en deze dient te continueren tijdens de reis.

Ten aanzien van de voorwaarde dat direct na de reis op de plaats van bestemming voortzetting van de behandeling noodzakelijk, ligt dit anders. Naar het oordeel van de rechtbank is deze voorwaarde op één lijn te stellen met de hiervoor besproken voorwaarde uit de genoemde afdelingsuitspraken dat de overdracht en directe voortzetting van eiseres’ behandeling gegarandeerd dienen te zijn. Uit de door het BMA ten aanzien van eiseres gestelde voorwaarde valt dan ook op te maken dat de individuele toegankelijkheid van de behandeling van belang is. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich reeds door het in het BMA-advies genoemde Psychiatric Hospital, dan wel op andere wijze inzake de mogelijkheid van de voortzetting van de behandeling van eiseres heeft laten informeren. Verweerder heeft aldus onvoldoende blijk gegeven dat hij zich ervan heeft vergewist dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering van eiseres aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verweerder heeft dan ook niet zonder meer kunnen concluderen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17 eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en dat eiseres om die reden niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv vereiste op deze grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/24461

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1956,

van Ghanese nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiseres,

gemachtigde mr. J. Jager, advocaat te

Amsterdam;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. C.I. Tienstra,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 20 september 2007 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ ingediend. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 25 maart 2008 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 20 juni 2008 ongegrond verklaard. Bij brief van 8 juli 2008 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 6 augustus 2008. Op 27 november 2008 en 22 december 2008 zijn nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 26 januari 2009 behandeld. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet is gebleken dat zij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.

2.2 Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 en de hardheidsclausule van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 toe te passen.

2.3 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat een dergelijke aanvraag in dat geval wordt afgewezen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv. Voorts kan verweerder, ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 Vb 2000, het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.4 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat eiseres op grond van artikel 17, tweede lid, onder c, Vw 2000 vrij te stellen van het mvv-vereiste. Evenmin is gebleken van zeer bijzondere individuele omstandigheden die zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard bij het vasthouden aan het mvv-vereiste.

2.5 Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 is de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv.

2.6 In hoofdstuk B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is deze vrijstelling nader uitgewerkt. Hierin is bepaald dat voor deze vrijstelling beoordeeld dient te worden of de vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Van een medische noodsituatie is ingevolge paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000, voorzover hier relevant, sprake indien stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen.

2.7 Verweerder heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd een onderzoek in te stellen naar de problematiek van eiseres. Uit het onderzoek van de adviseur van het BMA, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het advies van 8 januari 2008, is, samengevat, het volgende gebleken. Eiseres lijdt aan psychische klachten, waarvoor zij bij een psychiater onder behandeling staat. Voorts heeft zij last van een hoge bloeddruk. De adviseur concludeert dat er voldoende adequate behandelmogelijkheden in Ghana aanwezig zijn. De psychische klachten kunnen worden behandeld in het Psychiatric Hospital te Accra. De door eiseres gebruikte medicatie en vervangende middelen zijn verkrijgbaar. Uitblijven van een behandeling van de psychische problemen zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Het uitblijven van een behandeling tegen de hoge bloeddruk kan op langere termijn leiden tot een medische noodsituatie. Eiseres kan volgens de adviseur reizen met gangbare vervoermiddelen, mits voorafgaand aan de reis is geregeld en gegarandeerd dat medische behandeling in aansluiting op de reis wordt voortgezet. Omdat eiseres niet in staat is zelfstandig te functioneren zal bij aankomst in Ghana voldoende mantelzorg beschikbaar moeten zijn. Voorts dient eiseres bij het reizen te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige en dient zij tijdens de reis te kunnen beschikken over de door haar te gebruiken medicijnen.

2.8 Voor zover thans van belang heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat bij een aanvraag om toelating het aan de vreemdeling is om de noodzakelijk medische begeleiding en overdracht te realiseren. Alleen als expliciet als voorwaarde is gesteld dat de fysieke overdracht en behandeling moeten zijn gegarandeerd, ligt daar (ook) een taak voor verweerder, maar pas in de fase van de daadwerkelijke verwijdering of als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. De rechtbank begrijpt dit standpunt, bezien in het licht van het bestreden besluit, aldus dat verweerders vergewisplicht, gelet op de aard van de aanvraag, thans niet verder reikt dan het in de besluitvorming aanvaarden van de door het BMA gestelde voorwaarden.

2.9 Eiseres bestrijdt dit. Onder verwijzing naar – onder meer - de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 september 2008 (LJN; BF0506) stelt eiseres zich op het standpunt dat – gelet op het BMA-advies - de individuele toegankelijkheid van de behandeling voor eiseres van belang is en dat verweerder zich dus door nader onderzoek ervan had te dienen vergewissen dat aan de in het BMA-advies genoemde voorwaarden kon worden voldaan.

2.10 De rechtbank overweegt als volgt.

2.11 In de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 september 2008 met nummer 200708871/1 heeft de Afdeling wat betreft de vergewisplicht toereikend geacht dat ten aanzien van de voorwaarde dat de vreemdeling bij zijn uitzetting begeleid diende te worden door een sociaal psychiatrische verpleegkundige verweerder in het bestreden besluit het advies van het BMA heeft overgenomen en voorts heeft toegezegd dat de Dienst Terugkeer & Vertrek zal toezien op de naleving van deze voorwaarde. Dit is naar het oordeel van de Afdeling evenwel anders ten aanzien van de voorwaarde dat na aankomst van de vreemdeling in zijn land van herkomst de overdracht en directe voortzetting van diens behandeling gegarandeerd dienen te zijn. Het advies van het BMA dat de behandeling van de vreemdeling in zijn land van herkomst beschikbaar is, biedt naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende grond om aan te nemen dat het mogelijk moet worden geacht dat bij de daadwerkelijke verwijdering van de vreemdeling aan deze voorwaarde wordt voldaan. Het advies van het BMA ziet immers uitdrukkelijk slechts op de beschikbaarheid van de behandeling in medisch-technische zin en niet op de individuele toegankelijkheid daarvan, terwijl die gelet op de bewoordingen van de voorwaarde wel van belang is, aldus de Afdeling.

De rechtbank vat deze uitspraak aldus op dat daar waar het BMA voorwaarden heeft gesteld waarbij - blijkens de formulering - de individuele toegankelijkheid van belang is, verweerder in het kader van de op hem rustende vergewisplicht actief dient na te gaan of aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. De rechtbank ziet zich hierin bevestigd door hetgeen de Afdeling in een vergelijkbare zaak bij uitspraak van 21 november 2008 (LJN; BG5703) heeft overwogen. Deze uitspraak ziet op een procedure waarin het BMA ten aanzien van de desbetreffende vreemdeling had aangegeven dat deze niet in staat werd geacht te reizen tenzij voorafgaand aan de reis fysieke overdracht aan een arts in aansluiting op de reis wordt geregeld en gegarandeerd en vervolgens continuering van de medische behandeling in een medische instelling dan wel door een medisch behandelaar plaatsvindt. De Afdeling oordeelde ook in laatstgenoemde uitspraak dat verweerder zich ervan had dienen te vergewissen dat het mogelijk is de voorwaarden te vervullen waaronder de vreemdeling bij daadwerkelijke verwijdering in staat is te reizen.

2.12 Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraken overweegt de rechtbank dat verweerder zich bij de beoordeling of eiseres in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000, dient te richten op de gezondheidstoestand van eiseres zoals die was ten tijde van het nemen van het besluit omtrent deze vrijstelling.

In onderhavige zaak heeft het BMA voorwaarden geformuleerd waaronder eiseres kan reizen. Wat betreft de voorwaarde dat een psychiatrisch verpleegkundige eiseres dient te begeleiden, ziet de rechtbank in navolging van voornoemde uitspraak geen reden aan te nemen dat aan deze voorwaarde bij uitzetting niet zal kunnen worden voldaan. Dit geldt ook voor de voorwaarde dat eiseres medicatie dient mee te nemen en deze dient te continueren tijdens de reis.

Ten aanzien van de voorwaarde dat direct na de reis op de plaats van bestemming voortzetting van de behandeling noodzakelijk, ligt dit anders. Naar het oordeel van de rechtbank is deze voorwaarde op één lijn te stellen met de hiervoor besproken voorwaarde uit de genoemde afdelingsuitspraken dat de overdracht en directe voortzetting van eiseres’ behandeling gegarandeerd dienen te zijn. Uit de door het BMA ten aanzien van eiseres gestelde voorwaarde valt dan ook op te maken dat de individuele toegankelijkheid van de behandeling van belang is. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich reeds door het in het BMA-advies genoemde Psychiatric Hospital, dan wel op andere wijze inzake de mogelijkheid van de voortzetting van de behandeling van eiseres heeft laten informeren. Verweerder heeft aldus onvoldoende blijk gegeven dat hij zich ervan heeft vergewist dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering van eiseres aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verweerder heeft dan ook niet zonder meer kunnen concluderen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17 eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en dat eiseres om die reden niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv vereiste op deze grond.

2.13 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank zal het besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen voorts nog door partijen naar voren is gebracht behoeft geen verdere bespreking.

2.14 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 juni 2008;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het griffierecht ad € 145,= aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. van der Maden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.J.P. Kambeel als griffier, op 16 februari 2009.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.