Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5643

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
09/665701-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft, na een gedegen voorbereiding, het slachtoffer onder valse voorwendselen naar zijn kantoor gelokt, waarna drie andere mannen en een vrouw het kantoor zijn binnengekomen en de deur van het kantoor op slot werd gedaan. Vervolgens is het slachtoffer, door twee van de mannen, in het kantoor getrapt, geslagen en bedreigd en aldus gedwongen verklaringen te ondertekenen c.q. op te stellen, met welke verklaringen verdachte zijn bevroren banktegoed bij de Clariden Bank zou kunnen opeisen. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelwijze een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke bewegingsvrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De agressieve wijze waarop het slachtoffer is bejegend, is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. [...] Het is schokkend te moeten vaststellen dat verdachte, ogenschijnlijk een fatsoenlijk zakenman, er niet voor terugdeinst een zakelijk geschil in zijn voordeel te beslechten door de aanwending van grof geweld jegens zijn voormalige bankier. Kennelijk hebben hij en zijn mededaders alleen maar oog gehad voor hun eigen financiële belangen. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/665701-06

Datum uitspraak: 11 maart 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is - na regiezittingen op 5 november 2007, 5 maart en 10 maart 2008 - gehouden ter terechtzitting van 14, 16, 21 en 22 april 2008, 16 mei 2008, 2 oktober 2008, 26 en 29 januari 2009, 4 en 26 februari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. Backer en Ferdinandusse en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte mrs. Verbruggen, Wladimiroff en Van Stratum, advocaten te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. Het feitelijk relaas

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, welke ook voor het Openbaar Ministerie en de verdediging vast staan:

* sinds eind 1996 bankierde [verdachte] bij de Clariden Bank (een volle dochter van Crédit Suisse) te Zürich, in verband met de op handen zijnde verkoop van Het Financiële Dagblad;

* [slachtoffer] werd, op aanbeveling van mr. [A], de civielrechtelijk advocaat van [verdachte], relationship manager voor [verdachte];

* het opzetten van een trustconstructie, die voorzag in de afdekking van de risico's voor [verdachte], was onderdeel van die op handen zijnde verkoop van Het Financiële Dagblad;

* [verdachte] heeft, eveneens met het oog op die op handen zijnde verkoop van Het Financiële Dagblad, de rechtspersoon [rechtspersoon] Investments Ltd opgericht;

* de directie over [rechtspersoon] werd gevoerd door [trustkantoor] Holdings Ltd., een trustkantoor gelieerd aan de Clariden Bank/Credit Suisse;

* eind 1999 introduceerde [verdachte] [B] bij de Clariden Bank;

* [verdachte] nam samen met [B] deel in het vastgoedproject "[vastgoedproject]";

* [B] opende een zakelijke rekening bij de Clariden Bank op naam van zijn besloten vennootschap [naam BV] Holding en een privérekening onder nr. [nummer], die met de codenaam "[codenaam]" werd aangeduid;

* [slachtoffer] werd de accountmanager voor [B] en [naam BV] Holding;

* [verdachte] heeft blanco pandbrieven (hierna: pledges) ondertekend(1);

* deze pledges worden op enig moment door de Clariden Bank ingeroepen als gevolg waarvan banktegoeden van [verdachte] zijn bevroren, en een geschil ontstaat tussen [verdachte] enerzijds en [slachtoffer] en de Clariden Bank anderzijds(2);

* [verdachte] verwijt [slachtoffer] dat laatstgenoemde de blanco, door [verdachte] ondertekende, pledges zonder zijn toestemming heeft gebruikt om een krediet aan [B] te dekken(3);

* sinds 2001 zijn er door en namens [verdachte] (moeizame) besprekingen gevoerd met de Clariden Bank en [slachtoffer], teneinde [slachtoffer] te bewegen een verklaring op te stellen dat de pledges door hem oneigenlijk waren gebruikt(4);

* [slachtoffer] heeft tot 1 april 2004 steeds geweigerd een dergelijke verklaring op te stellen(5);

* [verdachte] stelt als gevolg van het handelen van [slachtoffer] een verlies te hebben geleden van € 475.499(6);

* in de zomer van 2001 vertrok [slachtoffer] bij de Clariden Bank en begon, als zelfstandig vermogensbeheerder, zijn eigen bedrijf(7);

* op 1 april 2004 hebben [verdachte] en [slachtoffer] elkaar in restaurant [restaurant] te Den Haag ontmoet en hun gesprek vervolgens voortgezet in het kantoor van [verdachte], boven restaurant [restaurant](8);

* tijdens deze ontmoeting heeft [slachtoffer] in het kantoor van [verdachte] één verklaring met de hand geschreven en één reeds bestaande tekst voorzien van zijn handtekening; beide stukken zien op het handelen van [slachtoffer] ten aanzien van de pledges(9);

* mr. [A] is op enig moment bij deze ontmoeting in het kantoor van [verdachte] aanwezig geweest(10);

* op 1 april 2004, omstreeks 12.10 uur, is een automobiliste op het Lange Voorhout vlak voor hotel Des Indes ingereden op de heer Van Aartsen, destijds voorzitter van de VVD-fractie in de Tweede Kamer(11);

* op 2 april 2004 is [slachtoffer] in Zürich (Zwitserland) naar het politiebureau gegaan om aangifte te doen tegen [verdachte] en onbekende anderen(12);

* op 2 april 2004 is [slachtoffer] door arts dr. [C] onderzocht. In haar rapport stelt zij de diagnose: schedelkneuzing, halswervel-distortie en thoraxkneuzing(13);

* op 5 april 2004 zijn de door [slachtoffer] in het kantoor van [verdachte] getekende verklaringen door mr. [A] aan [D], een oud-medewerker van de Clariden Bank, gefaxt(14);

* op 13 april 2004 heeft [slachtoffer] tegenover de Zwitserse politie een verklaring afgelegd(15);

* op 30 juni 2004 is [verdachte], naar aanleiding van de aangifte en de verklaring van [slachtoffer] op de luchthaven te Zürich (Zwitserland) aangehouden(16);

3. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 14 april 2008 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- onder valse voorwendselen (zijnde de belofte dat die [slachtoffer] aan een nieuwe zakenrelatie zou worden voorgesteld) naar een (kantoor)ruimte (van de heer [verdachte]) gelokt en/of

- in een/die (kantoor)ruimte (van de heer [verdachte]) de uitweg geblokkeerd (door er voor te gaan staan) en/of

- de deur op slot gedaan en/of

- die [slachtoffer] in een stoel gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt tegen het lichaam en/of

- die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam en/of

- (die [slachtoffer]) dreigend een schaar en/of een briefopener getoond en/of voor het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en/of

- met een schaar en/of een briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat die [slachtoffer] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en/of dat een zakelijk geschil (met de Clariden Bank) moest

worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en aldus voor die [slachtoffer] een dreigende situatie gecreëerd waaraan hij zich niet kon onttrekken en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd belet te gaan en te staan waar hij

wilde;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk heeft geschopt en/of getrapt tegen het lichaam en/of heeft geslagen en/of gestompt tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam, tengevolge waarvan [slachtoffer] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 01 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een schaar en/of een briefopener getoond en/of voor het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en/of met die schaar en/of die briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat die [slachtoffer] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en/of dat een zakelijk geschil (met de Clariden Bank) moest worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 01 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) geschreven verklaring(en) (betreffende een zakelijk geschil), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het schoppen en/of trappen tegen het lichaam en/of het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam en/of het dreigend tonen van een schaar en/of een briefopener en/of het maken van stekende bewegingen naar die [slachtoffer] met die schaar en/of die briefopener;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 01 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer] gedwongen (een) verklaring(en) (betreffende een zakelijk geschil met [verdachte]) te tekenen terwijl het geweld en/of die bedreiging met geweld bestond uit het schoppen en/of trappen tegen het lichaam en/of het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam en/of het dreigend tonen van een schaar en/of een briefopener en/of het maken van stekende bewegingen naar die [slachtoffer] met die schaar en/of die briefopener;

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. Het strafrechtelijk onderzoek(17)

Het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] is, na zijn aanhouding in Zwitserland op 30 juni 2004, als volgt verlopen:

* op 30 juni 2004, 1, 2, en 16 juli 2004 is [verdachte] in Zwitserland gehoord en heeft - kort samengevat - verklaard, dat [slachtoffer] de bewuste verklaringen vrijwillig heeft opgesteld c.q. ondertekend(18);

* op 1 en 14 juli 2004 en op 17 augustus 2004 is aangever [slachtoffer] aanvullend in Zwitserland gehoord en heeft - kort samengevat - verklaard, dat hij door [verdachte] en vier anderen in het kantoor van [verdachte] is opgesloten, mishandeld, bedreigd en gedwongen verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen(19);

* op 5, 8, 9 en 12 juli 2004 is [D] in Zwitserland gehoord(20);

* op 16 juli 2004 is [verdachte] in Zwitserland, door officier van justitie mevrouw S. Steinhauser, in vrijheid gesteld(21).

* op 2 september 2004 is het medisch rapport van dr. [C] d.d. 2 april 2004, door prof.dr. [E] en dr. [C] toegelicht(22);

* op 14 oktober 2005 is een medisch commentaar opgesteld door dr.med. [F] betreffende de bevindingen in het medisch rapport van dr. [C](23);

* op 9 en 16 februari 2006 is door het Openbaar Ministerie te Zwitserland een verzoek gedaan aan het Ministerie van Justitie tot overname van het strafonderzoek inzake [verdachte](24);

* op 10 november 2006 heeft het Arrondissementsparket te Den Haag aan het Ministerie van Justitie bericht dat het de strafvervolging tegen [verdachte] van de Zwitserse autoriteiten zal overnemen, waarbij het de Zwitserse autoriteiten om aanvullende informatie heeft verzocht(25);

* op 16 januari 2007 heeft het Ministerie van Justitie aanvullende informatie van het Openbaar Ministerie te Zwitserland ontvangen, waaronder het onder [verdachte] in beslaggenomen notitie- en adresboekje alsmede de door aangever [slachtoffer] op 1 april 2004 ondertekende bescheiden(26);

* op 21 januari 2007 is in Nederland aangevangen met het "[naam restaurant]" onderzoek(27);

* op 30 januari 2007 heeft er overleg plaatsgevonden tussen officieren van justitie mr. Ferdinandusse en mr. Zwinkels over informatie uit het Madras onderzoek waaruit naar voren kwam dat [X] en [mevr. Y] mogelijk konden worden aangemerkt als medeverdachten in dit onderzoek(28);

* op 13 maart 2007 is een gerechtelijk vooronderzoek tegen [verdachte] geopend;

* op 21 maart 2007 is aangever [slachtoffer] door de politie in Nederland gehoord en heeft een foto Oslo-confrontatie plaatsgevonden, waarbij aan [slachtoffer] foto's zijn getoond van onder meer [X] en [mevr. Y](29); [slachtoffer] heeft geen van de gezichten op de foto's herkend als een aanwezige tijdens zijn ontmoeting met [verdachte] op 1 april 2004;

* op 28 maart 2007 heeft officier van justitie mr. Zwinkels toestemming gegeven om opgenomen telecommunicatie uit het onderzoek Madras te gebruiken in dit onderzoek(30);

* op 2 april 2007 werd ter doorzoeking en inbeslagneming binnengetreden in het kantoor van mr. [A] te Amsterdam(31); daarbij zijn enkele bescheiden in beslag genomen;

* op 4 april 2007 werden [X] en [mevr. Y] aangehouden, verhoord en in verzekering gesteld(32);

* op 5 april 2007 is [mevr. Y], na haar tweede verhoor, in vrijheid gesteld(33);

* op 6 april 2007 is [verdachte] aangehouden, verhoord en in verzekering gesteld(34);

* op 8 april 2007 zijn [verdachte] en [X] in vrijheid gesteld(35);

* op 18 april 2007 is mr. [A] als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord(36);

* op 15 mei 2007 heeft de rechter-commissaris afwijzend beslist op het verzoek van de verdediging van [verdachte] om [G], [H] en [I] als getuigen te horen(37);

* op 17 juli 2007 heeft de raadkamer het tegen deze afwijzing gerichte bezwaarschrift ongegrond verklaard(38);

* op 26 juli 2007 heeft B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), een rapport uitgebracht op basis van het medisch rapport van dr. [C](39);

* op 9 augustus 2007 heeft drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, forensisch medisch onderzoeker, werkzaam bij Independent Forensic Services (hierna: IFS), op verzoek van de verdediging gerapporteerd over een door haar uitgevoerde contra-expertise (40);

* op 20 augustus 2007 zijn [X] en [mevr. Y] ten overstaan van de rechter-commissaris als getuigen gehoord(41);

* op 22 oktober 2007 heeft de officier van justitie mr. Ferdinandusse per brief aan de rechter-commissaris bericht [verdachte] te hebben 'weggedagvaard'(42);

* op 23 oktober 2007 is door de verdediging van [verdachte] een bezwaarschrift tegen de dagvaarding ingediend(43);

* op 24 oktober 2007 is mr. [A] als verdachte door de politie gehoord(44);

* op 24 oktober 2007 zijn [X] en [mevr. Y] als verdachten door de politie gehoord(45);

* op 25 oktober 2007 is [verdachte] als verdachte door de politie gehoord(46);

* op 30 oktober 2007 is, op verzoek van de verdediging van [verdachte], een aanvullend rapport betreffende het letsel van aangever [slachtoffer] opgesteld door drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, forensisch medisch onderzoeker, werkzaam bij IFS(47);

* op 1 november 2007 is een aanvullend rapport betreffende het letsel van aangever [slachtoffer] opgesteld door B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts, werkzaam bij het NFI(48);

* op 5 november 2007 heeft de rechtbank, raadkamer in strafzaken, het ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding d.d. 23 oktober 2007 ongegrond verklaard(49);

* op 5 november 2007 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden, op welke zitting het preliminaire verweer van de verdediging, inhoudende dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het 'wegdagvaarden', is verworpen; daarbij is overwogen dat de vraag of de officier van justitie oneigenlijk gebruik had gemaakt van de wettelijke bepaling om te dagvaarden eventueel bij de inhoudelijke behandeling van de zaak wederom aan de orde zou kunnen komen(50);

* op 23 november 2007 is [D] als getuige in Zwitserland rogatoir gehoord, in het bijzijn van rechter-commissaris mr. M.A.J. van de Kar, de officier van justitie en de verdediging van [verdachte](51);

* op 26 november 2007 werden tapgesprekken uit het Lathyrus onderzoek ter beschikking gesteld van het [naam restaurant] onderzoek(52);

* op 8 januari 2008 is [Z] aangehouden, verhoord en in verzekering gesteld(53);

* op 30 januari 2008 is aangever [slachtoffer] ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord(54);

* op 5 maart 2008 heeft de tweede regiezitting plaatsgevonden(55);

* op 10 maart 2008 heeft de rechtbank haar beslissing gegeven op de op 5 maart 2008 door de verdediging gedane verzoeken(56);

* op 21 maart 2008 is, op verzoek van de verdediging van [verdachte], een rapport van het IFS opgesteld door drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, forensisch medisch onderzoeker(57);

* op 14, 16, 21 en 22 april 2008 vond de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting plaats van de zaken tegen [verdachte], [X], [mevr. Y] en [Z]. Op deze zitting zijn gehoord: de getuigen [slachtoffer], [A] alsmede de verdachten in de zaken tegen de medeverdachten en als getuige-deskundigen Oude Grotebevelsborg en Eikelenboom-Schieveld(58); de getuigen [A] en [slachtoffer] hebben een aantal vragen niet beantwoord met een beroep op een hen toekomend verschoningsrecht, [slachtoffer] op grond van een naar zijn zeggen op hem rustende geheimhoudingsplicht naar Zwitsers recht als (ex-) bankmedewerker;

* op 24 april 2008 heeft de rechtbank, middels een rechtshulpverzoek aan de Zwitserse autoriteiten, vragen gesteld aan de getuige [slachtoffer] over de door hem gestelde geheimhoudingsplicht(59);

* op 28 april 2008 heeft de rechtbank de reactie van de Zwitserse autoriteiten op haar rechtshulpverzoek d.d. 24 april 2008 ontvangen(60);

* op 16 mei 2008 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting voortgezet(61). Tevens heeft het Openbaar Ministerie op deze datum een aanvullend rechtshulpverzoek verzonden aan de Zwitserse autoriteiten betreffende de mogelijke geheimhoudingsplicht voor [slachtoffer];

* op 21 augustus 2008 heeft de rechtbank de reactie van de Zwitserse autoriteiten op het rechtshulpverzoek - een brief van officier van justitie Steinhauser d.d. 9 juli 2008 - ontvangen(62);

* op 2 oktober 2008 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting voortgezet(63);

* op 26 januari 2009 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting voortgezet en is door het Openbaar Ministerie gerequireerd in de zaken tegen [verdachte], [X] en [Z];

* op 29 januari 2009 is ter terechtzitting door de raadslieden gepleit in de zaken tegen [verdachte] en [X];

* op 4 februari 2009 is ter terechtzitting door mr. Kuijpers gepleit in de zaak tegen [Z], is vervolgens door het Openbaar Ministerie gerepliceerd in de zaken tegen [verdachte], [X] en [Z] en is door mr. Kuijpers gedupliceerd in de zaak tegen [Z];

* op 26 februari 2009 is ter terechtzitting door de raadslieden gedupliceerd in de zaken tegen [verdachte] en [X], is door het Openbaar Ministerie gerequireerd in de zaak tegen [mevr. Y], is door mr. Nan in deze zaak gepleit, waarna door het Openbaar Ministerie is gerepliceerd en door mr. Nan is gedupliceerd. Vervolgens is aan de verdachten [verdachte], [X] en [mevr. Y] de gelegenheid geboden het laatste woord te voeren (mr. Kuijpers heeft per faxbericht te kennen gegeven dat [Z] afstand doet van zijn recht op het laatste woord(64)); daarna is het onderzoek in alle vier zaken gesloten(65).

5. De bespreking van de door de verdediging gevoerde verweren

5.1. Het 'wegdagvaarden' tijdens een lopend gerechtelijk vooronderzoek

5.1.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 5 tot en met 8 en bij dupliek pagina 2/3 - dat artikel 258, lid 2, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de officier van justitie niet de bevoegdheid verschaft de zaak te dagvaarden (i.c. voor de zitting van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 5 november 2007) tijdens een lopend gerechtelijk vooronderzoek (hierna: gvo) zonder dat de voorlopige hechtenis hiertoe aanleiding of noodzaak verschaft, terwijl de rechter-commissaris nog (wezenlijke) onderzoekshandelingen had te verrichten (i.c. het horen van [slachtoffer] en [D]).

Door de onbevoegde premature dagvaarding heeft de officier van justitie de belangen van de verdediging geschaad doordat zij - bij het ontbreken van de getuigenverklaringen van [slachtoffer] en [D] - deze verklaringen niet heeft kunnen betrekken bij haar bezwaarschrift tegen de dagvaarding d.d. 23 oktober 2007, aldus de verdediging.

Voorts is door deze handelwijze de rechtbank niet in staat geweest op basis van het volledige materiaal een oordeel te vellen over dit bezwaarschrift. Naar het oordeel van de verdediging behoort het Openbaar Ministerie om die reden alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.

5.1.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich bij repliek op het standpunt gesteld dat - anders dan de verdediging stelt - de belangen van [verdachte] niet zijn geschaad doordat hij is gedagvaard vóórdat de getuigen [slachtoffer] en [D] waren gehoord. Op basis van de verhoren van [slachtoffer] en [D] kan nu worden vastgesteld dat het dossier, zowel met als zonder die verhoren, evident nooit had kunnen leiden tot een voor [verdachte] gunstige beslissing op zijn bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie is dan ook geen plaats.

5.1.3 De overwegingen van de rechtbank

Tot 1 januari 2005 kon de officier van justitie op grond van het bepaalde in artikel 258 lid 2 Sv tot dagvaarding overgaan, ook als het gvo niet was gesloten, mits de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond.

Met ingang van 1 januari 2005, de datum van inwerkingtreden van de Wet van 10 november 2004, Stb 578, luidt de tekst van deze bepaling als volgt:

"Dagvaarding kan geschieden ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet gesloten. Van de dagvaarding geeft de officier van justitie in dat geval schriftelijk kennis aan de rechter-commissaris. Door deze kennisgeving eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De artikelen 237-240 en 244 vinden alsdan geen toepassing."

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie bij brief van 22 oktober 2007 aan de rechter-commissaris heeft bericht [verdachte] te hebben gedagvaard en dat om die reden het gvo is beëindigd. Voorts heeft de officier van justitie de rechter-commissaris verzocht de onderzoekshandelingen ingevolge artikel 241 Sv uit te voeren.

De tekst van artikel 258, lid 2, Sv staat de officier van justitie, zonder enige beperking, toe om een gvo 'weg te dagvaarden', ook indien de verdachte zich op dat moment niet in voorlopige hechtenis bevindt. Echter, de reden om wijziging te brengen in de tekst van artikel 258, lid 2, Sv ligt - zoals de verdediging terecht heeft aangevoerd - ongetwijfeld in de sfeer van de voorlopige hechtenis, meer in het bijzonder de sinds genoemde datum bestaande mogelijkheid om de gevangenneming of gevangenhouding te bevelen voor een termijn van negentig dagen. In dat geval behoort een (tweede) verlenging van de termijn niet tot de mogelijkheden, als gevolg waarvan op grond van artikel 258, lid 2, (oud) Sv, niet meer weggedagvaard zou kunnen worden. De nieuwe bepaling houdt deze mogelijkheid open, maar gaat tekstueel verder dan noodzakelijk. Toelichting waaruit blijkt dat daarvoor bewust is gekozen - en waarom - ontbreekt. De wijziging van artikel 258, lid 2, Sv lijkt echter in ieder geval niet te zijn ingegeven door de wens de verhouding tussen het gvo en het moment van dagvaarden ten principale te wijzigen. Met andere woorden, met deze wijziging is niet beoogd verandering te brengen in de regeling dat het Openbaar Ministerie in beginsel eerst ná afronding van de onderzoekshandelingen in het kader van een gvo een vervolgingsbeslissing neemt met betrekking tot een verdachte die zich niet in voorlopige hechtenis bevindt66.

Door het Openbaar Ministerie is geen klemmende reden aangevoerd waarom het [verdachte] heeft gedagvaard zonder de (reeds geplande) onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris in het kader van het lopende gvo af te wachten.

De rechtbank is met de verdediging dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie [verdachte] prematuur heeft gedagvaard en dat het daardoor een inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde.

Echter, volgens vaste jurisprudentie komt een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, zoals bedoeld in artikel 359a Sv, slechts in uitzonderlijke gevallen als rechtsgevolg van een verzuim van vormen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in geval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de twee voornoemde getuigen niet in het kader van het gvo, maar middels een 'terugverwijzing' door de rechtbank alsnog door de rechter-commissaris zijn gehoord. Beide getuigenverhoren waren reeds door de rechter-commissaris ten tijde van het gvo geëntameerd en hebben op de geplande data plaatsgevonden, namelijk [D] op 23 november 2007 en [slachtoffer] op 30 januari 2008. Het wegdagvaarden door de officier van justitie heeft derhalve niet geleid tot het later of eerder horen van deze verzochte getuigen. Gelet op deze omstandigheid kan niet worden staande gehouden dat [verdachte] ten aanzien van de waarheidsvinding in zijn belangen is geschaad.

Vaststaat dat de verdediging ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding op 23 oktober 2007 niet kon beschikken over deze ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en [D], nu deze verhoren immers later - na de eerste regiezitting op 5 november 2007 - plaatsvonden. Aan de verdediging kan dan ook worden toegegeven dat de rechtbank - toen zij op 5 november 2007 oordeelde over het ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding - evenmin beschikte over deze door de getuigen [slachtoffer] en [D] afgelegde verklaringen.

De rechtbank heeft destijds het bezwaarschrift ongegrond verklaard en geoordeeld: "Het komt de rechtbank op grond van het aanwezige bewijsmateriaal niet hoogst onwaarschijnlijk voor dat de strafrechter - later oordelend - het ten laste gelegde geheel of ten dele bewezen zal verklaren."(67).

De vraag die thans voorligt is of dit oordeel anders zou hebben geluid indien de rechtbank op dat moment reeds de beschikking had gehad over de verklaringen van [slachtoffer] en [D]. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. De inhoud van beide verklaringen is naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte eerder belastend dan ontlastend. Dit leidt ertoe dat door het 'wegdagvaarden' weliswaar sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, maar dat [verdachte] hierdoor in geen enkel te respecteren belang is geschaad. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

5.2 Het niet horen van [G], [H] en [I] als getuigen

5.2.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 8 en 9 en bij dupliek op pagina 3 - dat zij in haar belangen is geschaad doordat de rechtbank heeft geweigerd de rechter-commissaris of de officier van justitie te bevelen de getuigen [G], [H] en [I] alsnog op te roepen en te (doen) horen als getuigen.

De verdediging is van oordeel dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest en dat het voor een juiste en complete oordeelsvorming geboden is het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, zodat de verdediging de gelegenheid krijgt bedoelde getuigen alsnog ter terechtzitting te horen.

5.2.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat de enige nieuwe omstandigheid die de verdediging aan haar verzoek ten grondslag legt de verklaring van [slachtoffer] ter terechtzitting is, inhoudende dat hij in de middag van 1 april 2004 kort met dr. [I] van de Clariden Bank heeft gesproken. Deze verklaring van [slachtoffer] maakt het, gelet op de inhoud van het dossier, niet noodzakelijk dat [I] in deze fase van het proces alsnog wordt gehoord, aangezien hij geen directe getuige is van hetgeen op 1 april 2004 wel of niet is gebeurd. Ten aanzien van de getuigen [G] en [H] levert deze verklaring in het geheel geen nieuw gezichtspunt op.

5.2.3 De overwegingen van de rechtbank

De verdediging heeft na de afwijzing van haar bezwaarschrift (op 17 juli 2007) tegen de beslissing van de rechter-commissaris deze getuigen niet te horen, ter terechtzitting geen verzoek gedaan voornoemde drie (voormalig) medewerkers van de Clariden Bank als getuigen te horen. Kennelijk heeft zij zich niet in de verdediging van verdachte belemmerd gevoeld door deze afwijzende beslissing van de raadkamer. Thans is de rechtbank de noodzaak tot het horen van deze drie personen als getuigen niet gebleken. Zij acht zich voldoende ingelicht omtrent de bancaire voorgeschiedenis en [G], [H] en [I] kunnen niets verklaren over hetgeen zich op 1 april 2004 wel of niet in het kantoor van [verdachte] heeft afgespeeld.

Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank geen reden het onderzoek te heropenen en het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

5.3 Het beroep op een verschoningsrecht door aangever [slachtoffer]

5.3.1 Het getuigenverhoor van [slachtoffer] ter terechtzitting

[slachtoffer] is ter terechtzitting van 14 april 2008 als getuige gehoord. Hij heeft een aantal vragen met een beroep op zijn bancaire geheimhoudingsverplichting niet beantwoord. De rechtbank heeft hieromtrent beslist dat [slachtoffer] die vragen niet behoefde te beantwoorden, omdat op dat moment niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat hem geen verschoningsrecht op grond van artikel 219 Sv toekwam. Met het oog hierop heeft de rechtbank op 24 april 2008, middels een rechtshulpverzoek aan de Zwitserse autoriteiten, vragen gesteld aan getuige [slachtoffer]. Uiteindelijk is naar aanleiding van dit verzoek op 21 augustus 2008 een reactie van de Zwitserse autoriteiten ontvangen. Nadat het Openbaar Ministerie en de verdediging zich over deze reactie hadden uitgelaten, heeft de rechtbank ter terechtzitting van 2 oktober 2008 vastgesteld en beslist dat [slachtoffer] niet van zijn bancaire geheimhoudingsverplichting was ontheven waardoor hij het risico liep van strafrechtelijke vervolging in Zwitserland indien hij ter terechtzitting antwoord zou geven op vragen ten aanzien waarvan hij zich op zijn verschoningsrecht had beroepen en dat hem om die reden een gerechtvaardigd beroep toekomt op het in artikel 219 Sv vastgelegde verschoningsrecht.

5.3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 9 tot en met 12 - dat zij in haar verdediging ernstig is benadeeld doordat de rechtbank ter terechtzitting van 2 oktober 2008 ten onrechte heeft besloten [slachtoffer]s beroep op zijn bancaire geheimhouding naar Zwitsers recht te honoreren.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat aan [slachtoffer] geen beroep op zijn geheimhoudingsverplichting ten aanzien van de bancaire voorgeschiedenis toekomt, omdat deze geheimhoudingsverplichting door alle betrokken partijen is opgeheven en getuige mr. [A] dit heeft bevestigd.

Daarnaast beroept de verdediging zich op de verklaring van [J], een Zwitsers advocaat, inhoudende dat ook indien een bancaire verplichting tot geheimhouding zou bestaan, iedere vrees voor vervolging denkbeeldig is aangezien [slachtoffer] zich in dat geval op een rechtvaardigingsgrond zal kunnen beroepen. Bovendien had de rechtbank de vraag naar een mogelijke vervolging van [slachtoffer] aan de Zwitserse autoriteit, i.c. officier van justitie mevrouw Steinhauser, kunnen voorleggen, zodat zij hierover uitsluitsel had kunnen geven, aldus de verdediging.

Voorts stelt de verdediging dat zij zich - in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank op 2 oktober 2008 heeft overwogen - niet heeft verzet tegen de door de Zwitserse autoriteit geschetste procedure. De verdediging stond namelijk niet volkomen afwijzend tegenover een Zwitsers rogatoir verhoor van aangever [slachtoffer]; de rechtbank heeft het standpunt van de verdediging op dit punt niet juist weergegeven.

De verdediging verzoekt de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, een rogatoir verzoek tot de Zwitserse autoriteiten te richten of het Openbaar Ministerie opdracht te geven al datgene te doen dat nodig is te bewerkstelligen dat [slachtoffer] wederom als getuige ter terechtzitting verschijnt opdat de verdediging ten aanzien van de bancaire kwestie haar ondervraging kan afronden.

5.3.3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de verdediging geen nieuwe gezichtspunten naar voren heeft gebracht, het niet noodzakelijk is aangever/getuige [slachtoffer] alsnog aan een nieuw verhoor te onderwerpen, zodat het verzoek van de verdediging dient te worden afgewezen.

5.3.4 De overwegingen van de rechtbank

De verdediging heeft ten aanzien van het beroep van [slachtoffer] op zijn bancaire geheimhoudingsverplichting uitsluitend stellingen herhaald die door de rechtbank reeds ter terechtzitting van 2 oktober 2008 gemotiveerd zijn verworpen. Aangezien de verdediging niets naar voren heeft bracht dat tot heroverweging van die beslissing zou moeten leiden, volstaat de rechtbank met het citeren van het proces-verbaal van die zitting.

"De verdediging van met name verdachte [verdachte] heeft bij herhaling en met grote stelligheid uitgesproken dat er geen bankgeheim meer is waaraan de heer [slachtoffer] zou zijn gebonden. De rechtbank heeft ervoor gekozen dit eerst verder uit te zoeken. Op grond van de stukken die nu tot de rechtbank zijn gekomen, moet de rechtbank vaststellen dat niet is gebleken dat de heer [slachtoffer] ontslagen zou zijn uit zijn geheimhoudingsplicht op grond van het Zwitserse recht. De verdediging beroept zich op kopieën van niet ondertekende stukken en een mededeling van mr. [A]. De heer [A] trad ter terechtzitting op als getuige. Niet kan worden gezegd dat getuigen het evangelie verkondigen en evenmin dat zij per definitie de waarheid spreken. De rechtbank wil hiermee niet zeggen dat de heer [A] zich bewust heeft schuldig gemaakt aan het niet spreken van de waarheid, maar de rechtbank kan op dit punt niet alleen maar zijn getuigenverklaring afgaan. Een andere getuige, de heer [slachtoffer], heeft verklaard dat hem niet bekend is dat hij van zijn geheimhoudingsverplichting zou zijn ontheven. De rechtbank kon evenmin afgaan op de mededeling van deze getuige. Daarom heeft de rechtbank de procedure gevolgd zoals hiervoor genoemd. Uit de stukken die de rechtbank heeft, is niet gebleken dat de desbetreffende betrokken rekeninghouders, en dat is iets anders dan de beneficial owners, inderdaad schriftelijk op de wijze zoals in de brief van 9 juli jl. van mevrouw Steinhauser vermeld (ontslag uit het bankgeheim door alle rekeninghouders, in de regel gezamenlijke ondertekening door twee personen, nauwkeurige beschrijving van het omvang van het ontslag en de geadresseerden) het bankgeheim hebben opgeheven. De stelling van de verdediging, dat de heer [slachtoffer] naar Zwitsers recht geen geheimhoudingsplicht meer zou hebben, vindt dan ook geen bevestiging in het dossier.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de heer [slachtoffer], nu er geen zekerheid is dat hij uit het bankgeheim is ontslagen, in Zwitserland zou kunnen worden vervolgd indien hij in Nederland een verklaring zou afleggen waarbij hij zijn bankgeheim zou schenden. De verdediging beroept zich op het advies van [J]. Ongetwijfeld is de heer [J] een ter zake kundige en zeer hoog aangeschreven jurist/advocaat, maar het is de opinie van een raadsman, meer niet. Misschien is het een heel zinnige opinie van deze raadsman, maar het blijft het standpunt van een raadsman. Als de rechtbank de inhoud van het standpunt van deze raadsman beziet, dan is dit met "mitsen en maaren" omgeven. Bijvoorbeeld over de vraag of de exonoratiegrond van het vierde lid van artikel 47 van de Zwitserse wet van toepassing zou zijn als iemand in een buitenlandse rechtbank iets verklaart, zegt [J]: "While Article 47 of the Banking Act does not appear to envisage a person's duty to testify abroad" en dan wordt er een opinie gegeven dat er eigenlijk geen reden is waarom dit artikel niet ook dan zou gelden, maar er wordt geen uitspraak overgelegd van een Zwitsers gerecht waarin dit wordt bevestigd. Dat het standpunt van [J] het geldende Zwitserse recht zou zijn, blijkt niet uit de opinie.

Recht is, in de woorden van Vranken, een discursieve grootheid, dat wil zeggen het altijd voorlopige resultaat van een proces van meningsvormingen en overtuiging zowel in abstracto als bij de beslissing in concreto. De rechtbank kan niet op voorhand zeggen dat de legal opinion van [J] - ongetwijfeld hooggewaardeerd - het recht zal zijn in abstracto en zeker niet ook de beslissing zal zijn in concreto.

Vervolgens heeft de verdediging aangevoerd dat er een rechtvaardigingsgrond is vergelijkbaar met het ambtelijk bevel, overmacht, noodtoestand of conflict van plichten. De verdediging vraagt in dit verband aan de rechtbank dat zij op voorhand aan de Zwitserse autoriteiten wil vragen of zij - als de heer [slachtoffer] in Nederland een verklaring zou afleggen en daarbij zijn ambtsgeheim zou schenden, omdat hij daartoe door de Nederlandse rechtbank wordt gedwongen - hem straffeloosheid willen garanderen. Dit is - gechargeerd gezegd - hetzelfde als de situatie waarin een juwelier die onder de toonbank een honkbalknuppel heeft en aan een officier van justitie vraagt: "wilt u mij op voorhand verzekeren dat als er een overvaller binnenkomt en ik hem met die honkbalknuppel op zijn hoofd sla, ik niet vervolgd word, omdat ik mij op noodweer kan beroepen?". Strafuitsluitingsgronden kunnen niet op voorhand worden gegarandeerd, maar moeten worden ingeroepen op basis van de concrete omstandigheden van het geval. De rechtbank kan derhalve niet op voorhand aan de Zwitserse autoriteiten vragen om die garantie van straffeloosheid te geven.

Ook zou de heer [slachtoffer] wellicht een verschoningsrecht kunnen toekomen op grond van het feit dat hij zich door antwoord te geven op vragen blootstelt aan het risico van een strafrechtelijke vervolging ter zake van valsheid in geschift. We weten dit niet, dit zou per vraag moeten worden beantwoord. Mr. Verbruggen heeft aangevoerd dat de heer [slachtoffer] in Zwitserland wel op alle mogelijke vragen antwoord heeft gegeven. Dat wil echter niet zeggen dat als hij voor een Nederlandse autoriteit antwoord zou geven op die vragen, hij dan niet het risico loopt van vervolging. De rechtbank brengt hier in herinnering dat de heer [verdachte] als getuige een aantal vragen niet heeft beantwoord door zich op zijn verschoningsrecht van artikel 219 Wetboek van Strafvordering te beroepen. Op de vraag van de rechtbank aan de heer [verdachte] of hij zich, terwijl hij een aantal van die vragen als verdachte wel had beantwoord, toch nog als getuige kon belasten, antwoordde mr. Wladimiroff bevestigend. Er is een reëel genoeg risico dat de heer [slachtoffer] zich aan strafvervolging zou blootstellen indien hij voor een Nederlandse rechtbank vragen zou beantwoorden. De rechtbank moet derhalve tot de conclusie komen dat de heer [slachtoffer] in april 2008 een verschoningsrecht had en niet verplicht kon worden de vragen te beantwoorden ten aanzien waarvan hij zich op zijn ambtsgeheim beriep.

Hoe nu verder? De verdediging verzet zich met klem tegen de procedure die mevrouw Steinhauser voorstelt in haar brief, namelijk de weg volgen die het Zwitserse recht voorschrijft, te weten eerst opheffing van de geheimhouding en dan een verhoor in Zwitserland van de heer [slachtoffer]. De rechtbank ziet, gelet op deze expliciete stellingname van de verdediging, niet ambtshalve reden om die weg wél te bewandelen. In de laatste zin van de aantekeningen van mr. Verbruggen staat dat [slachtoffer] naar Nederland dient te komen om de resterende vragen te beantwoorden en dat daarvoor, indien nodig, eerst zijn geheimhouding in Zwitserland wordt opgeheven. Dat is een contradictio in terminis; ofwel er is geen geheimhoudingsplicht, er is geen verschoningsrecht en [slachtoffer] komt naar Nederland ofwel wij volgen de door de Zwitsers aangegeven procedure om hem uit het bankgeheim te ontslaan en in dat geval moet er naar Zwitserland worden afgereisd. Dit betekent dat de rechtbank op dit moment de ondervraging van de getuige [slachtoffer] staakt en de rechtbank, zoals wel vaker gebeurt in procedures waarbij getuigen een verschoningsrecht hebben, het zal moeten doen zonder dat de getuige [slachtoffer] een aantal vragen heeft beantwoord. Net zo goed als de rechtbank het in de zaak van verdachte [X] zal moeten doen zonder dat verdachte [verdachte] als getuige vragen heeft beantwoord en vice versa."(68)

De rechtbank verwerpt de bewering van de verdediging dat zij in het bovenstaande haar standpunt omtrent het alsnog horen van [slachtoffer] in een Zwitsers rogatoir verhoor onjuist zou hebben weergegeven. De rechtbank citeert hier de door de verdediging ter terechtzitting van 2 oktober 2008 overgelegde aantekeningen, nummers 18 en 19, luidende:

"(...) met klem verzet de verdediging zich derhalve tegen een gang naar Zwitserland om de getuige aldaar onder Zwitserse regie te doen ondervragen."(69)

Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en het verzoek van de verdediging daartoe wordt om die reden afgewezen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van enige noodzaak het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.

5.4 Het beginsel van 'fair trial' in de zin van artikel 6 EVRM

5.4.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 12 tot en met 16 en bij dupliek op pagina 3/4 - dat als duidelijk zou worden dat aangever [slachtoffer] ten aanzien van de bancaire voorgeschiedenis door de mand valt - doordat duidelijk zou worden dat hij de pledges eerst valselijk heeft opgemaakt, deze vervolgens onbevoegdelijk en zonder toestemming van [verdachte] heeft gebruikt om een ongedekt krediet van een ander af te dekken - dit de geloofwaardigheid ten aanzien van [slachtoffer]s verklaringen over de gebeurtenissen op 1 april 2004 raakt.

Een 'adequate and proper opportunity' om [slachtoffer] over de bancaire voorgeschiedenis te kunnen ondervragen, is voor de verdediging dé manier om zowel de betrouwbaarheid van de getuige [slachtoffer] als diens afgelegde verklaringen aan te vechten. Aangezien de verdediging onvoldoende mogelijkheid is geboden [slachtoffer] adequaat te ondervragen, doordat hij vragen van de verdediging met een beroep op zijn geheimhoudingsverplichting onbeantwoord liet, is de verdediging in haar ondervraging beperkt, hetgeen een schending van het EVRM oplevert. Alle verklaringen van [slachtoffer] dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten, nu het gebruik maken van deze verklaringen het recht van [verdachte] op een 'fair trial' zou schenden.

Dit betekent, aldus nog steeds de verdediging, dat nu de verklaringen van [slachtoffer] het enige bewijsmiddel kan zijn waaruit blijkt van een (mogelijk) strafbaar feit en van betrokkenheid van [verdachte] hierbij, hij van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

5.4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft bij repliek erop gewezen dat het reeds eerder heeft geconcludeerd dat de verdediging in ruim voldoende mate het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, zodat het uitsluiten van [slachtoffer]s verklaringen van het bewijs - wegens een vermeende schending van het ondervragingsrecht - niet aan de orde is. Overigens biedt geen van de door de verdediging aangehaalde arresten grond om te concluderen dat de verdediging het recht zou hebben een aangever/getuige over zijn levenswandel in algemene zin te bevragen, nu het recht een getuige te ondervragen en zijn betrouwbaarheid te toetsen is verweven met de tenlastegelegde feiten, aldus het Openbaar Ministerie.

5.4.3 De overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de verdediging wel degelijk een voldoende adequate en goede mogelijkheid geboden [slachtoffer] te ondervragen, nu [slachtoffer] ten overstaan van de rechter-commissaris (op 30 januari 2008) en ter terechtzitting (op 14 april 2008), in totaal twee hele dagen, in aanwezigheid van de verdediging is gehoord en hij alle vragen, van zowel de rechtbank als de verdediging, die betrekking hadden op de gebeurtenissen op 1 april 2004 heeft beantwoord. Aan de verdediging is derhalve een zeer ruime gelegenheid geboden zowel de geloofwaardigheid van deze getuige als de betrouwbaarheid van diens verklaringen aan te vechten.

De omstandigheid dat [slachtoffer] vragen van de verdediging ten aanzien van de bancaire voorgeschiedenis met een beroep op zijn verschoningsrecht niet heeft beantwoord, doet hieraan niet af.

Voorts bevat het onderhavige dossier - anders dan de verdediging stelt - wel degelijk ander voor [verdachte] belastend materiaal, zoals een reeks tapgesprekken.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van een schending van het beginsel van 'fair trial, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De door de verdediging in haar pleitnota aangehaalde arresten van het EHRM zien op de situatie dat er geen behoorlijke gelegenheid is geweest tot ondervraging van de getuige én er geen ander bewijsmateriaal voorhanden is dat rechtstreeks duidt op de betrokkenheid van de verdachte bij het feit waarvan hij wordt verdacht. Van beide omstandigheden is in deze zaak geen sprake.

5.5 Het niet toevoegen aan het dossier van de procesdossiers Madras en Lathyrus

5.5.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 20 en 21 - dat het strijdig is met het beginsel van de equality of arms dat de officier van justitie omvangrijk dossiermateriaal uit de zaken Madras en Lathyrus doorspit, selecteert en het materiaal dat hem aanspreekt toevoegt aan het onderhavige dossier, terwijl de verdediging niet de gelegenheid krijgt tot inzage in die dossiers om na te kunnen gaan of zich in die dossiers mogelijk ook voor de verdachte ontlastend materiaal bevindt. De verdediging acht het in strijd met het beginsel van de interne openbaarheid dat de officier van justitie weigert verantwoording af te leggen over de wijze waarop deze stukken hun weg naar dit dossier hebben gevonden.

5.5.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft bij repliek volstaan met erop te wijzen dat de verdediging dit verzoek, tot inzage in de dossiers Madras en Lathyrus, reeds eerder aan de rechtbank heeft voorgelegd en dat de rechtbank hierop afwijzend heeft beslist.

5.5.3 De overwegingen van de rechtbank

Dit (herhaalde) verweer van de verdediging heeft de rechtbank reeds verworpen ter terechtzitting van 10 maart 2008. Nu door de verdediging geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gebracht, volstaat de rechtbank met het citeren uit het proces-verbaal van voornoemde terechtzitting.

"De rechtbank stelt voorop dat de officier van justitie gegevens uit deze onderzoeken aan het dossier heeft toegevoegd na daartoe strekkende schriftelijke toestemmingen van de onderscheiden verantwoordelijke officieren van justitie op basis van art. 126dd van het Wetboek van Strafvordering. Dit houdt in dat, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, mag worden aangenomen dat de betreffende gegevens rechtmatig zijn verkregen, bewaard en overgedragen.

Ten aanzien van de onderzoeken York, Lathyrus en Madras is er geen enkele aanwijzing voor enige onrechtmatigheid ten aanzien van de betreffende gegevens. De rechtbank merkt daarbij op dat deze onderzoeken reeds hebben geleid tot (al dan niet onherroepelijke) rechterlijke uitspraken.

Ten aanzien van het onderzoek Acroniem geldt dat de rechtbank Amsterdam in een aantal strafzaken onlangs heeft geoordeeld dat sprake is geweest van zodanige ernstige, grootschalige en herhaalde inbreuken op art. 126aa van het Wetboek van Strafvordering dat dit moest leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (zie LJN: BC0685). De rechtbank merkt hierbij evenwel op dat niet aannemelijk is geworden dat aan het opnemen en bewaren van de telefoongesprekken in het kader van dit onderzoek welke thans zijn toegevoegd aan het onderhavige dossier, onrechtmatigheden kleven. De rechtbank wijst er bovendien op dat deze gesprekken zijn opgenomen ver vóór het moment dat het onderzoek [naam restaurant] een aanvang nam. Reeds hierom kunnen de in het Acroniem-onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken - anders dan het geval was in dat onderzoek - geen sturing hebben gegeven aan het onderhavige onderzoek.

Ook deze verzoeken worden derhalve afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat toevoeging van de gevraagde stukken van belang is voor de verdediging dan wel met het oog op enige door de rechtbank te nemen beslissing."(70)

5.6 De contacten tussen de Nederlandse autoriteiten en aangever [slachtoffer]

5.6.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 21 en bij dupliek op pagina 4/5 - dat, nu de politie en de rechter-commissaris, buiten het kader van een rechtshulpverzoek tot de Zwitserse autoriteiten, contacten met [slachtoffer] hebben onderhouden, zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris een proces-verbaal had dienen op te maken van (de inhoud van) deze zeer "informele" contacten. De inwendige openbaarheid is tekort gedaan nu de verdediging niet kan controleren of deze contacten, zowel formeel als materieel, volgens de regelen der kunst zijn verlopen. De verdediging verzoekt de rechtbank om die reden nogmaals dat zij de officier van justitie en de rechter-commissaris instrueert alsnog proces-verbaal te laten opmaken van die contacten met [slachtoffer].

5.6.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft in zijn repliek gesteld, dat door de verdediging geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gebracht en dat getuige [slachtoffer] tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris door de verdediging is bevraagd over zijn contacten met politie en justitie en dat hij daarover ook heeft verklaard. Ook wijst het Openbaar Ministerie erop dat het bij brieven van 26 maart 2008 en 10 april 2008 inzicht heeft gegeven in de contacten met getuige [slachtoffer]. Ten slotte stelt het Openbaar Ministerie dat - anders dan de verdediging meent - het enkel maken van praktische afspraken met getuigen over het afleggen van een getuigenverklaring, zoals tijdstip en plaats, niet valt aan te merken als een opsporingshandeling die geverbaliseerd zou moeten worden.

5.6.3 De overwegingen van de rechtbank

De verdediging heeft ook op dit punt een verweer en een verzoek herhaald waarop de rechtbank reeds ter terechtzitting van 10 maart 2008 heeft beslist. Aangezien de verdediging niets naar voren heeft gebracht dat tot heroverweging van die beslissing zou moeten leiden, citeert de rechtbank uit het proces-verbaal van die zitting.

"De rechtbank stelt vast dat de Zwitserse autoriteiten de resultaten van het in Zwitserland uitgevoerde opsporingsonderzoek hebben overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten met het verzoek ter zake strafvervolging in te stellen. Nederland heeft aan dit verzoek voldaan. In dit kader heeft de politie Haaglanden onder meer telefonisch en per email contact opgenomen met aangever [slachtoffer] teneinde hem te horen. Dit verhoor vond plaats in Nederland op 21 maart 2007. Evenals de verdediging gaat de rechtbank er vanuit dat dit verhoor heeft plaatsgevonden zonder een daartoe strekkend rechtshulpverzoek dan wel bemiddeling van de Zwitserse autoriteiten. Stukken daaromtrent kunnen derhalve niet aan het dossier worden toegevoegd. De vraag of de handelwijze van de politie op dit punt in overeenstemming is met (inter-)nationale rechtsregels staat thans niet ter beoordeling.

Naar de rechtbank begrijpt is het verzoek van de verdediging het dossier op dit punt aan te vullen voorts ingegeven door het vermoeden dat de politie in haar contacten met aangever zich mogelijk heeft schuldig gemaakt aan (een poging tot) beïnvloeding van deze getuige. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat de contacten tussen de politie en deze getuige zich hebben beperkt tot de planning en organisatie van dit verhoor en dat derhalve geen sprake is geweest van beïnvloeding van de getuige dan wel pogingen daartoe. De getuige heeft ten overstaan van de rechter-commissaris vragen beantwoord over zijn contacten met de politie voorafgaand aan bedoeld verhoor. Mede gelet op zijn verklaring, ziet de rechtbank thans geen aanleiding de categorische mededeling van de officier van justitie op dit punt in twijfel te trekken. Ook hier is dus niet aannemelijk geworden dat toevoeging van deze stukken van belang is voor de verdediging dan wel met het oog op enige door de rechtbank te nemen beslissing. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen."(71)

Aanvullend hierop overweegt de rechtbank nog dat, zoals het Openbaar Ministerie terecht heeft aangevoerd, het enkel maken van praktische afspraken met getuigen over het afleggen van een getuigenverklaring, zoals tijdstip en plaats, niet valt aan te merken als een opsporingshandeling die geverbaliseerd zou moeten worden.

6. Het bewijs

6.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] aangever [slachtoffer] op 1 april 2004 onder valse voorwendselen naar Den Haag heeft gelokt, hij samen met [X], [mevr. Y], [Z] en een onbekend gebleven Surinaamse man, [slachtoffer] in zijn kantoor heeft doen opsluiten, mishandelen, bedreigen en [slachtoffer] heeft gedwongen verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen, met welke verklaringen [verdachte] zijn bevroren banktegoeden bij de Clariden Bank kon opeisen.

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat [verdachte] deze feiten heeft begaan. Daarbij baseert het Openbaar Ministerie zich op de verklaringen van aangever [slachtoffer], de tapgesprekken, de leugenachtige verklaringen van de (mede)verdachte(n), de agenda van [verdachte] en de vermelding van een onjuist adres van aangever [slachtoffer] in de door hem opgestelde verklaring.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aangever [slachtoffer] op 1 april 2004 naar Den Haag is afgereisd en dat hij de bewuste verklaringen vrijwillig in het kantoor van [verdachte] heeft opgesteld c.q. heeft ondertekend, zodat [verdachte] van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Volgens de verdediging zijn - zoals verwoord in haar pleitnota op pagina 22 tot en met 30 - de verklaringen van aangever [slachtoffer] in alle onderdelen inconsistent en ongeloofwaardig.

6.3 De beoordeling van de tenlastelegging

In de kern gaat het in deze zaak om de vraag hoe de door aangever [slachtoffer] op 1 april 2004 in het kantoor van [verdachte] opgestelde c.q. ondertekende verklaringen tot stand zijn gekomen: vrijwillig of gedwongen.

6.3.1 De verklaringen van aangever [slachtoffer]

Aangever [slachtoffer] heeft zowel bij de Kantonspolizei te Zürich (Zwitserland) en bij de politie in Nederland als ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 14 april 2008 over de gebeurtenissen op 1 april 2004 verklaringen afgelegd, welke op hoofdlijnen dezelfde inhoud hebben.

De rechtbank geeft hieronder - samengevat - de eerste verklaring van aangever [slachtoffer] weer, zoals hij deze op 13 april 2004 ten overstaan van de Zwitserse politie heeft afgelegd in samenhang met de daaraan gehechte door hemzelf opgestelde, ongedateerde, verklaring.

[slachtoffer] heeft verklaard dat de heer [D], een voormalige collega van de Clariden bank, een boodschap op zijn antwoordapparaat had achtergelaten, waarop hij [D] heeft teruggebeld. [D] deelde hem mede dat hij hem bij een nieuwe Nederlandse klant zou willen introduceren. Zij kwamen overeen dat [slachtoffer] op 1 april 2004 te 11.00 uur de nieuwe cliënt in restaurant [naam] te Den Haag zou ontmoeten. [slachtoffer] arriveerde op 1 april 2004 omstreeks 10.55 uur bij restaurant [naam] en zag daar [verdachte] die tegen hem zei dat de nieuwe cliënt nog moest komen. Zij dronken samen koffie en vervolgens stelde [verdachte] voor om in zijn kantoor op de nieuwe cliënt te wachten. Na eerst ongeveer een half uur over een nieuwe zaak te hebben gesproken, begon [verdachte] ineens over het kredietplafond dat aan de heer [B] was verstrekt. Na ongeveer 10 minuten hierover te hebben gediscussieerd, kwamen 3 mannen en een vrouw met een kleine hond, die een boxer neus had, het kantoor binnen. Een negroïde man stond bij de deur en sloot deze met behulp van een sleutel af. De twee andere mannen gingen links en rechts naast [slachtoffer] op de bank zitten. Na ongeveer 10 minuten werd [slachtoffer] verzocht aan het bureau plaats te nemen. Nadat [slachtoffer] was gaan zitten, hield één van die twee mannen hem vast en de andere man schopte hem met een sportschoen met vlakke zool tegen de borst. Daarna werd hij door deze man in zijn nek, gezicht en op het achterhoofd geslagen. Ook riep deze man dat hij eindelijk de waarheid moest zeggen en de uitspraak van [verdachte] moest bevestigen, want anders zou hij niet meer uit het kantoor komen. Ook werd met een schaar voor zijn gezicht gezwaaid en de man die hem had geslagen wilde met een briefopener op hem insteken, maar werd door [verdachte] tegengehouden. [verdachte] legde twee schriftelijke stukken op het bureau die [slachtoffer] moest ondertekenen. Nadat [slachtoffer] zijn handtekening had gezet, werd hij gesommeerd een paspoort of een identiteitskaart te tonen. Zijn identiteitskaart werd vervolgens gekopieerd. Daarna werd hem opnieuw een van te voren opgestelde tekst - met daarop het adres van een andere [naamgenoot] in [plaats], voorgehouden - die hij moest overschrijven en ondertekenen. Na lange tijdspanne, met steeds nieuwe bedreigingen en klappen, verlieten de vechtersbaas, de neger en de dame het kantoor. Kort daarop werd er getelefoneerd en kwam de advocaat van [verdachte], mr. [A], het kantoor binnen. [A] controleerde de documenten en keurde ze goed. [A] deelde [slachtoffer] mede dat de papieren geen problemen voor [slachtoffer] zouden veroorzaken. Vervolgens verliet de andere man van de knokploeg het kantoor om naar het toilet te gaan en hij liet daarbij de deur open. [slachtoffer] heeft daarop het kantoor overhaast verlaten, op de liftknop gedrukt om de lift naar boven te halen, maar is via de trap naar beneden gerend. Beneden stond de dame nerveus voor de lift te wachten. Vervolgens is hij rennend naar de parkeergarage gegaan en is hij via Breda naar de luchthaven van Brussel gereden. Onder hevige pijnen en in paniek heeft hij daar het vliegtuig naar Zürich genomen. Op 2 april 2004 is hij naar het politiebureau in Zürich gegaan om aangifte te doen. Een agent van politie adviseerde hem voor onderzoek naar het ziekenhuis te gaan. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij enorm bang is dat [verdachte] zijn bedreigingen tegen hem en zijn familie waar maakt en dat hij ook aan de heer dr. [I], advocaat van de Clariden Bank, heeft verteld wat er was gebeurd.

[slachtoffer] heeft de man die hem heeft vastgehouden en in de stoel heeft gedrukt omschreven als een persoon die lijkt op [autocoureur], de formule 1 coureur, circa 190 cm lang, slank en bruin verbrand, leeftijd ongeveer midden 30. De vrouw met de hond heeft [slachtoffer] omschreven als rond de 30, lang blond haar tot de borst, circa 170 tot 175 cm lang en slank postuur. De man die hem heeft geslagen, omschrijft [slachtoffer] als een bodybuilder type, stevig postuur, circa 180 tot 185 cm lang, gemillimeterd haar, ongeveer 40 tot 45 jaar oud. De man die bij de deur stond omschrijft [slachtoffer] als een neger uit Suriname, circa 175 tot 178 cm lang, ongeveer midden 30. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat allen Engels tegen hem spraken en onderling Nederlands.(72)

6.3.2 De tapgesprekken

In het dossier bevinden zich onder andere de navolgende, uit het onderzoek Madras afkomstige, tapgesprekken.

Deze tapgesprekken zijn in dat onderzoek dan wel in dit dossier toegeschreven aan de hieronder bij naam genoemde personen. De rechtbank zal, voor zover van belang, omtrent de juistheid hiervan later een oordeel geven.

* op 31 maart 2004 te 14.58 uur vindt een gesprek plaats tussen [X] en [Z]. Zij gaan die avond om 18.30 uur wokken in Amsterdam(73). Het door [X] gebelde telefoonnummer [nummer 1] staat nog steeds op naam van [Z].(74);

* op 31 maart 2004 te 15.04 uur belt [X] naar het telefoonnummer [nummer 2] in gebruik bij een man met een Surinaams accent.(75);

* op 31 maart 2004 te 19.33 uur belt [X] naar [verdachte] met de mededeling dat hij er om acht uur is.(76);

* uit de opgenomen telefoongesprekken welke over de telecommunicatielijn [nummer 3] van [X] kwamen, bleek dat de paallocaties aantonen dat deze gsm zich zowel op de avond van 31 maart 2004 tussen 20.47 uur en 21.34 uur als op 1 april 2004 overdag in de nabijheid van het kantoor van [verdachte] bevond.(77);

* op 31 maart te 20.48 uur belt [X] naar prepaid nummer [nummer 4]. Via een openstaande lijn is [mevr. Y] te horen kennelijk in gesprek via een andere telefoon. [X] zegt: "je hoort hem he. (...) dat ik wel bijgeluiden hoor...heb ik harder gezet. Dit zullen we in de auto opnemen. (...) dan kunnen...gewoon daar boven toe. Dus dit...zo wordt het opgenomen."(78);

* op 31 maart 2004 te 21.21 uur belt [X] met prepaid nummer [nummer 4]. Op de achtergrond is te horen dat er een telefoon over gaat. [X] zegt vervolgens: "als ik nu opneem kunnen we gewoon praten."(79);

* op 31 maart 2004 te 21.22 uur belt [X] wederom met prepaid nummer [nummer 4]. Op de achtergrond is te horen dat [X] in gesprek is en het heeft over een microfoon en over 'het open springen'.(80);

* op 31 maart 2004 vanaf 21.34 uur belt [X] wederom naar de onbekende man met het Surinaamse accent. [X] geeft om 21.47 uur aan dat hij bij hem is.(81);

* op 1 april 2004 te 9.06 uur belt [X] met [Z]. [X] zegt dat het toch een half uurtje eerder is.(82);

* op 1 april 2004 te 10.18 uur belt [X] met prepaid nummer [nummer 4] en vraagt [mevr. Y] op de achtergrond op de bank te gaan zitten en normaal te gaan praten. Vervolgens vraagt hij aan [mevr. Y] om ergens anders te gaan zitten(83);

* op 1 april 2004 te 11.04 uur: belt een man naar [X] en zegt: "ik ga nu koffie met hem drinken beneden".(84)

* op 1 april 2004 te 11.11 uur belt [X] wederom naar de prepaid gsm met nummer [nummer 4] en de verbinding blijft open staan. Het betreft een achtergrondgesprek in de Engelse taal tussen [verdachte] en [slachtoffer]. [X] is tijdens het gesprek op de achtergrond te horen en zegt: "die zit buiten volgens mij."(85);

* op 1 april 2004 te 11.18 uur belt [X] uit naar prepaid nummer [nummer 4], de verbinding blijft open staan. Aan het begin van het gesprek wordt gevraagd: "Wat neem je nou op?". Het betreft een gesprek in de Engelse taal tussen [verdachte] en [slachtoffer].(86);

* op 1 april 2004 te 11.59 uur zegt [mevr. Y] over de telefoon tegen [X]: "ja, wij komen eraan, wij liepen achter jou."(87);

* op 1 april 2004 te 14.09 uur belt [X] met [mevr. Y] en hij vraagt haar: "kan jij zo naar buiten toe, die man effe ontvangen? Over een paar minuten is hij hier." Waarop [mevr. Y] vraagt: "ik sta hier ja, moet ik de auto meenemen en papieren?" [X] antwoordt hierop: "nee, nee gewoon laten staan want hij is met 10 minuten hier, gewoon laten staan, in de auto zitten, de deuren op slot enne uh wachten tot ie komt." Vervolgens vraagt [mevr. Y]: "en wat moet ik met onze auto, want uh daar moet natuurlijk geld bij."(88);

* op 1 april 2004 te 14.23 uur belt [X] wederom met [mevr. Y] en zegt: "hij is er over 1 minuut".(89);

* op 1 april 2004 te 14.43 uur belt [X] wederom met [mevr. Y]. Zij vraagt meteen waar hij is. [X] komt net naar buiten en vraagt waar zij staat. [mevr. Y] zegt dat zij net naar boven is gegaan om de sleutels te brengen. [X] zegt dat hij buiten staat, met de trap is gegaan en alles bij zich heeft.(90);

* op 1 april 2004 te 14.49 en 14.50 uur probeert [X] tevergeefs [Z] te bellen.(91). Direct daarna, om 14.51 uur, belt [X] tevergeefs de Surinaamse man.(92);

* op 1 april 2004 te 15.13 uur belt [X] met de Surinaamse man en zegt: "die meeting duurde wat langer. (...) m'n excuses, je weet hoe die mensen lang kunnen praten af en toe." Daarop zegt de Surinaamse man: "ja maakt niet uit, maar het was wel effe nodig toch dus uhh."(93);

* op 1 april 2004 te 15.14 uur belt [X] met [Z] en biedt hem zijn excuses aan voor het lang duren van de ontmoeting. [Z] zegt dat het alleen rot was dat hij daar beneden stond, maar wel een beetje door de straten heen kon wandelen.(94);

* Op 1 april 2004 te 15.55 belt [X] met [verdachte], omdat hij iets bij [verdachte] heeft laten staan en dat komt ophalen. Om 16.08 uur belt [verdachte] [X] met de vraag of hij er bijna is.(95)

6.3.3 De beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer]

6.3.3.1 De geloofwaardigheid van de persoon [slachtoffer]

De verdediging betrekt, kort samengevat, de stelling dat aan de verklaringen van [slachtoffer] over de gebeurtenissen op 1 april 2004 geen enkel geloof toekomt reeds omdat hij de pledges op oneigenlijke wijze heeft gebruikt. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard. Ook indien - nadrukkelijk veronderstellenderwijs - zou kunnen worden aangenomen dat [slachtoffer] heeft 'gerommeld' met de pledges, dan kan daaraan niet de conclusie worden verbonden dat hij niet naar waarheid zou kunnen verklaren over een mogelijk gewelddadige reactie van de kant van degene die hij met zijn 'gerommel' heeft benadeeld. De zienswijze van de verdediging komt er enigszins gechargeerd op neer, dat de politie geen onderzoek zou hoeven in te stellen indien een oplichter aangifte doet van tegen hem gebruikt geweld, omdat aan zijn woorden nu eenmaal geen geloof kan worden gehecht. Het is de rechtbank overigens ambtshalve bekend dat veel oplichters slachtoffer worden van geweld door degene(n) die zij hebben benadeeld.

Voorts merkt de rechtbank nog op dat ook de verdediging de verklaring van [slachtoffer] op tal van punten kennelijk wel betrouwbaar acht. Ook de verdediging gaat er immers vanuit dat [slachtoffer] - om slechts enkele voorbeelden te noemen - naar waarheid heeft verklaard over het feit dat hij op 1 april 2004 een bespreking heeft gehad met [verdachte] in diens kantoor, dat hij toen en daar een verklaring heeft geschreven c.q. heeft ondertekend en dat hij toen en daar mr. [A] heeft ontmoet.

6.3.3.2 De geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer] mede gelet op de verklaringen van de andere getuigen

De totstandkoming van de ontmoeting op 1 april 2004

De verdediging heeft er - kort samengevat - op gewezen dat [D] de verklaring van [slachtoffer] over het tot stand komen van de ontmoeting op 1 april 2004 in restaurant [naam], heeft betwist.

Uit de inhoud van het dossier komt naar voren dat op 17 februari 2004 in Zwitserland een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [verdachte], mr. [A] en [D]. In het gespreksverslag van deze ontmoeting, opgemaakt door [D], staat dat [slachtoffer] de account manager was bij de Clariden Bank die verantwoordelijk was voor "the mess", dat [verdachte] tevergeefs heeft geprobeerd [slachtoffer] op zijn mobiele telefoon te bellen, dat [D] dat tijdens de ontmoeting ook heeft geprobeerd en dat hij [slachtoffer] op 18 februari 2004 heeft gesproken en hem heeft gevraagd [verdachte] te bellen voor de introductie van een nieuwe cliënt, hetgeen [slachtoffer] beloofde te zullen doen in week 9 van 2004(96).

Gezien de verklaringen van [D] dat hij op verzoek van [verdachte] de heer [slachtoffer] heeft gebeld met de mededeling dat [verdachte] hem wilde spreken over een nieuwe cliënt(97) en vorenstaand gespreksverslag, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer], inhoudende dat hij niet wist dat hij op 1 april 2004 in restaurant [naam restaurant] [verdachte] zou ontmoeten, niet geloofwaardig.

De verklaring van [verdachte] dat hij [D] niet heeft gevraagd te bemiddelen bij een afspraak met [slachtoffer], maar dat het initiatief juist van [slachtoffer] kwam(98), acht de rechtbank echter evenmin geloofwaardig.

Immers, voormelde aantekeningen in het gespreksverslag van [D] van 17 februari 2004, volgen direct op de aantekening dat [verdachte] juridische stappen tegen de Clariden Bank wenst te ondernemen(99). Daarvoor, in januari en februari 2003, was reeds veelvuldig (email)contact geweest tussen mr. [A] en [slachtoffer] over het zakelijk geschil(100). In augustus 2003 hebben [verdachte], mr. [A], [slachtoffer] en vertegenwoordigers van de Clariden Bank hierover een bespreking gehad(101), welke niet het door [verdachte] gewenste resultaat heeft opgeleverd. Vanaf dat moment zat de zaak, zoals mr. [A] heeft verklaard, muurvast(102).

Vervolgens heeft [D] op 18 februari 2004 (adres)gegevens van een andere Hürlimann per email naar [verdachte] en (cc) naar mr. [A] gestuurd(103), terwijl [verdachte] zelf alle telefoonnummers van [slachtoffer] in zijn notitie(- of adres)boek had staan(104) waarop [slachtoffer] bereikbaar was(105). De telefoonnummers en emailadressen van [slachtoffer] zijn sinds augustus 2003 niet veranderd(106), zodat [verdachte] in staat moet zijn geweest om zelf contact met [slachtoffer] op te nemen.

Voormelde omstandigheden alsmede de verklaring van [D] dat hij op verzoek van [verdachte] de heer [slachtoffer] heeft gebeld met de mededeling dat [verdachte] hem wilde spreken over een nieuwe cliënt(107), de consistente verklaringen van [slachtoffer] dat hij in restaurant [naam] een nieuwe Nederlandse cliënt zou gaan ontmoeten(108) en het feit dat uit het tapgesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer] d.d. 1 april 2004 te 11.18 uur blijkt dat [verdachte] meermalen tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij iemand kende die geïnteresseerd was in de financiële dienstverlening van [slachtoffer](109), zijn voor de rechtbank in onderlinge samenhang bezien redengevend om als vaststaand aan te nemen dat [verdachte] het initiatief heeft genomen voor de ontmoeting op 1 april 2004 met [slachtoffer], daarvoor [D] heeft ingeschakeld en aldus [slachtoffer] onder het valse voorwendsel dat hij aan een nieuwe cliënt zou worden voorgesteld naar restaurant [naam] heeft gelokt.

De vaststelling dat [slachtoffer] naar restaurant [naam] is gelokt, betekent evenwel nog niet dat daarmee vaststaat dat [slachtoffer] vervolgens in het daarboven gelegen kantoor van [verdachte] door toepassing van geweld en bedreiging met geweld is gedwongen de bewuste verklaringen op te stellen c.q. te ondertekenen. De rechtbank zal omtrent dit laatste hieronder nader overwegen.

De aanwezigheid van politie op het Lange Voorhout

De verklaring van [slachtoffer] over de aanwezigheid van politie op het Lange Voorhout op 1 april 2004 stemt, zoals door de verdediging is aangevoerd, niet overeen met de verklaring van mr. [A] daarover.

Mr. [A] heeft verklaard dat er op het Lange Voorhout vanwege de aanslag op Van Aartsen een grote politiemassa aanwezig was: "(...) Ik ben samen met [slachtoffer] weggegaan of daarvoor, of daarna, dat weet ik niet meer. (...) Het was heel druk, er was veel politie, het hele Lange Voorhout stond vol met politie. (...) men was bezig met controles"(110). "Dat hele stuk Den Haag zat muurvast. Er stond verkeer vast. Ik weet niet meer of het ook was afgezet, het was in ieder geval een chaos"(111). "Op de Lange Voorhout is vanwege de Amerikaanse ambassade altijd al veel politie aanwezig, nu was er veel en veel meer aanwezig. Er waren overal groepen agenten. Als je uit het kantoor van [verdachte] kwam dan liep je er min of meer midden in"(112).

De recherche heeft onderzocht wat er nog kon worden vastgesteld over de situatie op het Lange Voorhout op 1 april 2004. In het dossier bevinden zich (lucht)foto's van de situatie op het Lange Voorhout op 1 april 2004(113) en meldkamergegevens(114) over de inzet van de verschillende politie eenheden voor die aanrijding van Van Aartsen.

De aanrijding van Van Aartsen vond plaats op 1 april 2004 omstreeks 12.10 uur(115). Daarop werd een plaats delict (hierna: PD) afgezet en onderzoek verricht. Rond 14.00 uur werden de laatste getuigen ter plaatse gehoord, anderen werden overgebracht naar het politiebureau. De PD werd, zo concludeert de recherche, waarschijnlijk bewaakt door één paraat peloton van maximaal negen personen(116). Op de overzichtsfoto's van de PD die middag zijn maar weinig agenten te zien. Op luchtfoto's(117) en een plattegrond(118) is te zien dat de PD (vlak voor Hotel Des Indes) en het kantoor van [verdachte] zich op enige afstand van elkaar bevinden, en dat zich daartussen bomen, rijdend verkeer (bijvoorbeeld de witte vrachtauto die wel op de foto staat op pagina 237 maar niet op pagina 238), geparkeerde auto's en een terras bevinden.

Deze luchtfoto's zijn genomen op 1 april 2004 omstreeks 14.41 uur(119). Dat is twee minuten voor het tapgesprek tussen [X] en [mevr. Y] over het terugbrengen van de sleutels, en het verlaten van het pand. Vlak vóór dat gesprek, dus rond het tijdstip waarop de luchtfoto's zijn gemaakt, heeft [slachtoffer] het kantoor verlaten. [A] is, blijkens de getapte telefoongesprekken, kort na 14.23 uur (gesprek dat de man er over een minuut is) aangekomen, en eveneens kort na 14.41 uur vertrokken. [A] heeft ter terechtzitting van 16 april 2008 (na een eerder anders luidende verklaring(120)) verklaard dat hij rond 14.00 uur bij het kantoor van [verdachte] aankwam en daar maar kort is gebleven(121). [verdachte] heeft verklaard dat [A] tussen 14.00 en 15.00 uur kwam(122).

Als de verklaring van mr. [A] wordt vergeleken met de luchtfoto's van 14.41uur, dan wordt zijn verklaring over de aanwezigheid van veel politie niet ondersteund door de luchtfoto's. Aan de kant van het Lange Voorhout waar het kantoor van [verdachte] staat, is geen agent te zien, laat staan groepen agenten waar men midden in loopt als men het kantoor uit komt. Het verkeer staat niet vast, maar rijdt gewoon (de rijen auto's zijn geparkeerd). Aan de kant van Hotel Des Indes staan wel enkele politieauto's (vooral op de stoep) en enkele agenten, maar van grootschalige verkeerscontroles is geen sprake.

Uit de verklaring van [slachtoffer](123) kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid, dat hij langs de gevel van restaurant [naam] is gelopen, het zebrapad (over het Korte Voorhout) overstak, een kort stuk naar links liep, toen rechts de (Lange Hout)straat in liep en uitkwam bij de overdekte parkeergarage (onder Het Plein), waar zijn auto stond.

Voornoemde route is te reconstrueren op de kaart en de luchtfoto's in het dossier. Op de luchtfoto's is te zien dat omstreeks 14.41 uur op die route (voor zover vastgelegd) geen agent te zien is. Overigens, ook al zou mr. [A] later zijn vertrokken uit het kantoor van [verdachte], dan verandert dit naar het oordeel van de rechtbank niets aan de conclusie dat er geen groepen agenten waren. Het is niet aannemelijk dat de politie enkele uren na het incident, toen de getuigen al waren afgevoerd naar het bureau en de PD reeds was afgezet, nog groepen agenten de omgeving in heeft gestuurd. Dit blijkt evenmin uit het meldkamer overzicht.

Tevens is te zien dat wie bij het verlaten van het kantoor van [verdachte] vluchtig naar links keek, zoals [slachtoffer] zegt te hebben gedaan, bepaald geen politie gezien hoeft te hebben, gelet op de afstand en hetgeen zich tussen het kantoor en de aanwezige politie bevond. De anders luidende stelling van de verdediging mist derhalve feitelijke grondslag.

Het geweld dat door "[autocoureur]" en "Kojak" op [slachtoffer] is uitgeoefend

[slachtoffer] maakt in het door hemzelf opgestelde schriftelijke stuk, dat is gevoegd bij de aangifte van 13 april 2004, reeds melding van het trappen op de borst, klappen in de nek, gezicht en achterhoofd alsmede van de bedreiging met een schaar en een briefopener(124). Als hij later in die verklaring stelt dat iemand hem met een sportschoen, met vlakke zool, tegen de borst trapte(125), kan hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat [slachtoffer] bedoelt dat hij éénmaal tegen de borst werd getrapt. Tekstueel is daarvoor geen enkele aanwijzing en uit een eerdere passage blijkt zelfs dat hij dat niet heeft bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit evenmin tegenstrijdig met zijn latere verklaring dat hij meerdere keren op een Kung-Fu achtige manier met beide voeten tegen de borst werd getrapt(126). De Kung-Fu achtige manier van trappen betreft naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw gegeven, maar zegt alleen iets over de wijze waarop hij werd getrapt.

De medische bevindingen

De rechtbank heeft kennis genomen van de door de getuige-deskundigen Oude Grotebevelsborg, werkzaam bij het NFI, en Eikelenboom-Schieveld, werkzaam bij IFS, uitgebrachte rapporten, omtrent het letsel dat aangever [slachtoffer] stelt te hebben opgelopen, alsmede van de daarop door hen ter terechtzitting gegeven toelichtingen en op vragen gegeven antwoorden.

Deskundige Oude Grotebevelsborg komt in haar rapport d.d. 26 juli 2007 tot de conclusie dat het in de medische verklaring (van dr. [C] d.d. 2 september 2004) geconstateerde letsel qua mechanisme en lokalisatie past bij de door de heer [slachtoffer] beschreven mishandeling(127). Echter, eerst nadat deskundige Eikelenboom-Schieveld op 9 augustus 2007 haar rapport had uitgebracht, schrijft deskundige Oude Grotebevelsborg in haar rapport d.d. 1 november 2007 dat dr. [F] en drs. Eikelenboom-Schieveld in hun rapportages terecht stellen dat bij de heer [slachtoffer] geen objectiveerbaar letsel is geconstateerd(128).

De rechtbank spreekt haar bezorgdheid erover uit dat deskundige Oude Grotebevelsborg niet direct in haar eerste rapport heeft vermeld dat geen objectiveerbaar letsel bij de heer [slachtoffer] is geconstateerd. Hierdoor zou de rechtbank, indien een tegengeluid zou hebben ontbroken, op het verkeerde been kunnen zijn gezet. De rechtbank moet te allen tijde kunnen vertrouwen op de zorgvuldigheid van de van het NFI afkomstige rapporten. Ook dienen deskundigen van het NFI de rechtbank ervoor te behoeden mogelijk onjuiste conclusies te verbinden aan hun rapport.

De rechtbank oordeelt ook kritisch over de rapporten van de deskundige Eijkelenboom-Schieveld. Zij baseert haar bevindingen en conclusies deels op onjuiste aannames en zij oordeelt op een aantal punten over omstandigheden die buiten het gebied van haar deskundigheid vallen.

Deskundige Eijkelenboom-Schieveld schrijft bijvoorbeeld in haar rapport d.d. 9 augustus 2007: " Ten eerste is het opmerkelijk dat de mishandeling plaats vindt op 1 april en [slachtoffer] pas op 3 april aangifte doet. De verklaring dat hij er lichamelijk, psychisch en fysiek niet toe in staat zou zijn geweest, is niet erg geloofwaardig. Gevraagd naar de psychische toestand van [slachtoffer] verklaart dr. [C] dat hij tijdens haar onderzoek op 2 april 2004 "open en coöperatief" was. Dit klinkt niet als iemand die onder hevige pijnen en in paniek met de auto naar Brussel rijdt etc(129)."

Aangever [slachtoffer] heeft weliswaar op 3 april 2004 aangifte gedaan, maar hij heeft verklaard dat hij op 2 april 2004 in Zürich naar het politiebureau is gegaan om aangifte te doen, maar hem werd geadviseerd eerst naar het ziekenhuis te gaan voor onderzoek(130). Ter terechtzitting heeft deze deskundige, geconfronteerd met voornoemde omstandigheid, verklaard dat de datum van aangifte inderdaad niet relevant is(131). Voorts vermag de rechtbank niet in te zien op grond waarvan deze deskundige meent te kunnen concluderen dat het feit dat [slachtoffer] tijdens het medisch onderzoek open en coöperatief was een contra-indicatie is voor pijn en paniek. Ook ter terechtzitting heeft zij deze conclusie niet kunnen onderbouwen. Bovendien is zij geen gedragsdeskundige en begeeft zij zich met dergelijke uitlatingen naar het oordeel van de rechtbank op een terrein dat het hare niet is.

Deskundige Eijkelenboom-Schieveld vervolgt haar rapport met de stelling: "Ten derde beschrijft [slachtoffer] hoe hij wordt vastgehouden en in de stoel wordt gedrukt terwijl hij trappen en klappen krijgt toegediend. Er zal door degene die hem onder controle houdt kracht moeten zijn gebruikt, want een normale reactie is dat iemand zich probeert los te rukken en de trappen en slagen op zijn minst probeert af te weren. Toch maakt [slachtoffer] geen melding van kwetsuren aan de armen of polsen. Het is namelijk te verwachten dat zich op de plekken waar hij is vastgehouden zogenaamde "grip marks" bevinden, min of meer ronde blauwe plekken ten gevolge van de lokaal uitgevoerde druk. Evenmin zijn er blauwe plekken ontstaan ten gevolge van het afweren van slagen. Het ontbreken van dit soort letsel verleent geen steun aan het scenario zoals door [slachtoffer] opgevoerd.(132)".

Ook deze stelling acht de rechtbank een ongefundeerde aanname van deze deskundige. Immers, [slachtoffer] heeft nimmer verklaard dat hij zich op enigerlei wijze tegen de geweldplegers heeft geweerd.

Tevens stelt deskundige Eijkelenboom-Schieveld in haar rapport:"Het cabine personeel van Swiss Air, dat wordt getraind in het opmerken van verwondingen in verband met risico's tijdens de vlucht, hebben niets van verwondingen bij [slachtoffer] geconstateerd. Ook dit ondersteunt de verklaringen van [slachtoffer] niet.(133)".

Uit de omstandigheid dat niemand van het cabinepersoneel zich [slachtoffer] herinnerde(134), kan weliswaar worden afgeleid dat [slachtoffer] waarschijnlijk geen duidelijk zichtbare verwondingen in het gezicht had, maar dit sluit naar het oordeel van de rechtbank nog niet uit dat [slachtoffer] in het kantoor van [verdachte] tegen het lichaam is getrapt en tegen het hoofd en lichaam is geslagen en als gevolg daarvan pijn heeft ondervonden.

Voorts heeft deskundige Eijkelenboom-Schieveld zich in haar rapport tevens meerdere malen uitgelaten over de mate waarin [slachtoffer] consistent heeft verklaard. Niet valt in te zien dat en in hoeverre dit betrekking heeft op een binnen haar deskundigheid als arts vallend terrein.

Ter terechtzitting bleken beide deskundigen het (uiteindelijk) erover eens te zijn dat bij [slachtoffer] geen sprake is geweest van objectiveerbaar letsel, maar dat dit niet betekent dat hij niet kan zijn mishandeld(135). De rechtbank zal het rapport van deskundige Oude Grotebevelsborg niet bezigen tot bewijs, omdat geen objectiveerbaar letsel is geconstateerd. Het rapport van deskundige Eijkelenboom-Schieveld weerlegt echter niet de verklaring van [slachtoffer] dat hij is mishandeld.

6.3.3.3 Overige gestelde inconsistenties en onjuistheden in de verklaringen van [slachtoffer]

De verdediging heeft - kort samengevat - voorts op de navolgende inconsistenties in de verklaringen van aangever [slachtoffer] gewezen:

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over de plek waar hij zijn auto had geparkeerd;

* [slachtoffer] heeft verklaard dat hij plaats nam in de tuin van restaurant [naam], terwijl [naam] geen tuin heeft;

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over het moment waarop [verdachte] bij restaurant [naam] arriveerde;

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over de binnenkomst van de vier personen op enig moment in het kantoor van [verdachte];

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over het, al dan niet door toepassing van geweld, moeten plaatsnemen aan het bureau in het kantoor van [verdachte];

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over het moment dat mr. [A] het kantoor van [verdachte] binnenkwam alsmede over wie in het kantoor aanwezig waren toen mr. [A] arriveerde;

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over de route die hij, na het verlaten van het kantoor van [verdachte], heeft gevolgd om uiteindelijk in Brussel te komen;

* [slachtoffer] heeft wisselend verklaard over de datum waarop hij de Clariden Bank heeft ingelicht omtrent hetgeen hem was overkomen.

Deze door de verdediging gestelde inconsistenties dan wel onjuistheden behoeven naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking. De rechtbank overweegt hiertoe dat dit inconsistenties dan wel onjuistheden van ondergeschikte aard betreffen die niet zien op aspecten van de verklaringen van [slachtoffer] die dragend zijn voor het bewijs.

Voorts heeft de rechtbank bij dit oordeel de omstandigheid betrokken dat aangever [slachtoffer] in totaal zeven maal heeft verklaard over het gebeurde op 1 april 2004 en dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] als geheel moeten worden bezien en niet gereduceerd dienen te worden tot losse elementen welke tot in het kleinste detail vergeleken moeten en kunnen worden. Daarnaast geldt dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen dat er verschillen in die verklaringen zitten en dat in sommige verklaringen bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen. Daarnaast geldt ook voor deze (niet wezenlijke geachte) inconsistenties dat deze goed kunnen voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, dan wel op vergissingen berusten, aangezien de eerste verklaring van [slachtoffer] dateert van 13 april 2004 en zijn laatste verklaring eerst van vier jaar later, te weten ter terechtzitting van 14 april 2008.

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen in de paragrafen 6.3.3.1 tot en met 6.3.3.3, is de rechtbank - anders dan de verdediging - van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] dan ook in overwegende mate consistent en betrouwbaar zijn, mede nu deze - zoals hierna wordt overwogen - worden ondersteund door aanvullend bewijsmateriaal.

6.3.4 De tapgesprekken en de verklaringen van aangever [slachtoffer]

Uit de tapgesprekken en de verklaringen van aangever [slachtoffer] kan naar het oordeel van de rechtbank worden gereconstrueerd hoe de ontmoeting tussen [verdachte] en aangever [slachtoffer] op 1 april 2004, zowel bij restaurant [naam] als in het kantoor van [verdachte] te Den Haag, is verlopen.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 1 april 2004 om ongeveer 10.55 uur in restaurant [restaurant] te Den Haag arriveerde, dat hij [verdachte] daar trof die zei dat zij maar een kopje koffie moesten drinken in afwachting van de komst van de nieuwe cliënt en dat zij vervolgens - op initiatief van [verdachte] - na ongeveer een kwartier naar het kantoor van [verdachte] zijn gegaan om aldaar op de nieuwe cliënt te wachten(136).

Deze verklaring van [slachtoffer] wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het hiervoor reeds aangehaalde tapgesprek van 1 april 2004 te 11.04 uur, in welk gesprek een man naar [X] belt en zegt: "ik ga nu koffie met hem drinken beneden."(137).

De verdediging stelt ten aanzien van dit tapgesprek dat [verdachte] daaraan geen deelnemer is en dat de stelling van het Openbaar Ministerie dat [verdachte] degene is die op 1 april 2004 om 11.04 uur [X] belt en zegt: "ik ga nu koffie met hem drinken", geen vaststelling maar een niet gestaafde bewering is138. Bovendien betreft het een gesprek dat weliswaar via de telefoon in gebruik bij [X] plaatsvindt, maar niet kan worden geconstateerd dat [X] dit gesprek zelf voert, aangezien over de deskundigheid tot stemherkenning van de verbalisant die meent de stem van zowel [X] als [verdachte] te herkennen niets bekend is, aldus de verdediging(139).

De rechtbank verwerpt dit standpunt van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Het tapgesprek van 1 april 2004 te 11.04 vond plaats tussen dezelfde mobiele telefoonnummers als het gesprek tussen [X] en [verdachte] later die middag om 15.55 uur, over het ophalen van iets dat [X] is vergeten(140). Dit gesprek wordt om 16.08 uur vervolgd via de kantoortelefoon van [verdachte](141). [verdachte] heeft ter terechtzitting niet ontkend dat hij aan genoemd gesprek deelneemt. Hij heeft hierover verklaard:"ik ga niet ontkennen dat ik het ben. Het is altijd erg moeilijk om je eigen stem te herkennen en ik herken het dan ook niet voor 100%"(142). Voorts is door [verdachte], noch door [X] verklaard dat zij hun mobiele telefoon wel eens aan anderen hebben uitgeleend. Ten slotte heeft een verbalisant - die beiden meerdere malen heeft verhoord(143) - de stemmen van [verdachte] en [X] herkend in het gesprek van 1 april 2004 te 11.04 uur(144). Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate worden vastgesteld dat [verdachte] degene is die op 1 april 2004 te 11.04 uur [X] heeft gebeld en tegen hem heeft gezegd: "ik ga nu koffie met hem drinken".

Verder vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in het tapgesprek van 1 april 2004 te 11.18 uur, waarvan niet in geschil is dat dit gesprek heeft plaatsgevonden tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Aan het begin van dit gesprek, dat inderdaad ongeveer een kwartier later heeft plaatsgevonden, zoals door [slachtoffer] is verklaard, is gestommel te horen en verontschuldigt [verdachte] zich tegenover [slachtoffer] voor de rommel en nodigt hem uit te gaan zitten. Dit wijst erop dat [verdachte] en [slachtoffer] net het kantoor binnen zijn gekomen(145).

De verdediging heeft ten aanzien van de tapgesprekken betoogd, dat de stelling van het Openbaar Ministerie dat [X] op 31 maart 2004 een telefoonverbinding heeft getest om (op 1 april 2004) een gesprek te kunnen opnemen, geen vaststelling van feiten is, maar uitsluitend berust op de redenering dat op 1 april 2004 het gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer] is uitgeluisterd. Niet is vastgesteld dat het gesprek (van 1 april 2004 te 11.18 uur) daadwerkelijk door [X] is opgenomen(146). Bovendien blijkt uit niets dat [verdachte] daarbij in strafrechtelijk opzicht betrokken is en daarvan wist. Voorts blijkt uit de tapfragmenten op geen enkele wijze dat deze op het geschil met [slachtoffer] betrekking hebben(147). Ten slotte stelt de verdediging dat uit het gesprek op 1 april 2004 te 11.18 uur tussen [verdachte] en [slachtoffer], niet volgt dat het verhaal van [slachtoffer] over hetgeen in het kantoor van [verdachte] zou zijn voorgevallen juist is(148).

De rechtbank verwerpt dit standpunt van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

In de tapgesprekken van de avond ervoor, op 31 maart 2004 te 20.48, 21.21 en 21.22 uur, zegt [X]: "je hoort hem he. (...) dat ik wel bijgeluiden hoor...heb ik harder gezet. Dit zullen we in de auto opnemen. (...) dan kunnen...gewoon daar boven toe. Dus dit...zo wordt het opgenomen."(149). "Als ik nu opneem kunnen we gewoon praten."(150). Ook heeft [X] het over een microfoon en over 'het open springen'(151). Op 1 april 2004 te 10.18 uur belt [X] met prepaid nummer [nummer 4] en vraagt [mevr. Y] op de achtergrond op de bank te gaan zitten en normaal te gaan praten. Vervolgens vraagt hij aan [mevr. Y] om ergens anders te gaan zitten.(152). Ten slotte wordt aan het begin van het gesprek van 1 april 2004 te 11.18 uur gevraagd: "wat neem je nou op?"(153).

Deze tapgesprekken zijn voor de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien, voldoende redengevend om vast te stellen dat het tapgesprek op 1 april 2004 te 11.18 uur door [X] is opgenomen.

De inhoud van voormelde tapgesprekken van 31 maart 2004, de inhoud van de tapgesprekken van 1 april 2004 te 10.18, 11.04 (waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat daarin [verdachte] is te horen), 11.11 en 11.18 uur, zijn voor de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien, redengevend om te komen tot de vaststelling dat [X] en [mevr. Y] de prepaidtelefoon zo hadden ingesteld dat deze automatisch opnam als deze werd gebeld, zodat [X] kon meeluisteren met het gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer].

Tevens stelt de rechtbank - gelet op het tapgesprek van 1 april 2004 te 11.11 uur waarin [X] zegt: "die zit buiten volgens mij"(154) - vast dat [X] zich op 1 april 2004 op voormelde tijdstippen met in ieder geval één andere persoon in een auto in de nabijheid van het kantoor van [verdachte] bevond(155).

Ook [slachtoffer] heeft het opgenomen tapgesprek van 1 april 2004 te 11.18 uur, tussen hem en [verdachte], herkend en hierover verklaard dat zij spraken over het nieuwe bedrijf van [slachtoffer], maar dat [verdachte] van onderwerp wisselde en terug kwam op het geschil. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat vlak na het einde van de opname vier andere mensen het kantoor binnen kwamen(156).

Dit laatste vindt steun in de vaststelling dat [X] via een telefoonverbinding heeft meegeluisterd met het gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Immers, [X], [mevr. Y] en in ieder geval één andere persoon komen aan het einde van de opname van het gesprek van 1 april 2004 te 11.18 uur, welk gesprek ongeveer 41 minuten duurde(157), in beweging, zo blijkt uit het tapgesprek van 1 april 2004 te 11.59 uur, waarin [mevr. Y] over de telefoon tegen [X] zegt: "ja, wij komen eraan, wij liepen achter jou"(158).

Voorts komt de verklaring van [slachtoffer] dat de vrouw, de onbekende Surinaamse man en de geweldpleger enige tijd na het tekenen van de stukken het kantoor van [verdachte] verlieten, dat daarna advocaat mr. [A] kwam om de stukken te controleren en dat [X] aanwezig bleef tot en met de komst van mr. [A](159), overeen met onderstaande tapgesprekken tussen [X] en [mevr. Y]:

* op 1 april 2004 te 14.09 uur belt [X] met [mevr. Y] en hij vraagt haar: "kan jij zo naar buiten toe, die man effe ontvangen? Over een paar minuten is hij hier." Waarop [mevr. Y] vraagt: "ik sta hier ja, moet ik de auto meenemen en papieren?" [X] antwoordt hierop: "nee, nee gewoon laten staan want hij is met 10 minuten hier, gewoon laten staan, in de auto zitten, de deuren op slot enne uh wachten tot ie komt." Vervolgens vraagt [mevr. Y]: "en wat moet ik met onze auto, want uh daar moet natuurlijk geld bij."(160);

* op 1 april 2004 te 14.23 uur belt [X] wederom met [mevr. Y] en zegt: "hij is er over 1 minuut".(161).

De officier van justitie mr. Ferdinandusse heeft ter terechtzitting betoogd dat hij bij het afspelen van het gesprek van 1 april 2004 te 14.09 uur hoort dat door [X] wordt gezegd dat 'hij maar 10 minuten hier is', terwijl is geverbaliseerd dat wordt gezegd dat hij met 10 minuten hier is.

De rechtbank heeft bij het ter terechtzitting beluisteren van de het telefoongesprek van 1 april 2004 te 14.09 uur niet kunnen vaststellen of het woord 'maar' of 'met' is gebruikt.

Uit deze tapgesprekken en de verklaring van [slachtoffer] kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval worden geconcludeerd dat [mevr. Y], op verzoek van [X], gedurende enige tijd beneden in de auto moet wachten en een man, zijnde mr. [A], moet ontvangen en dat [X] op dat moment niet bij [mevr. Y] is. Dat het mr. [A] is op wie [mevr. Y] moet wachten, kan worden afgeleid uit het feit dat mr. [A] ter terechtzitting van 16 april 2008 heeft verklaard dat hij rond 14.00 uur bij het kantoor van [verdachte] aankwam(162), dat ook [verdachte] heeft verklaard dat [A] tussen 14.00 en 15.00 uur is aangekomen en dat blijkens bovenstaand tapgesprek van 1 april 2004 te 14.23 uur de man een minuut na 14.23 uur bij het kantoor van [verdachte] zal arriveren.

Door [slachtoffer] is voorts verklaard dat hij, nadat [X] naar het toilet was gegaan en de deur openliet, via de trap naar beneden is gerend alwaar de dame nerveus voor de lift stond te wachten(163). Deze verklaring past bij het tapgesprek van 1 april 2004 te 14.43 uur, waarin [X] belt met [mevr. Y]. Zij vraagt meteen waar hij is. [X] komt net naar buiten en vraagt waar zij staat. [mevr. Y] zegt dat zij net naar boven is gegaan om de sleutels te brengen. [X] zegt dat hij buiten staat, met de trap is gegaan en alles bij zich heeft(164). Uit dit gesprek kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [X] en [mevr. Y] elkaar zijn misgelopen, omdat [X] na het vertrek van [slachtoffer] de trap heeft genomen, terwijl [mevr. Y] tegelijkertijd met de lift de sleutels van het kantoor, die zij nodig had om mr. [A] binnen te laten, bij [verdachte] in het kantoor ging terug brengen.

6.3.5 De door [slachtoffer] opgegeven signalementen

De verdediging heeft bepleit dat het door [slachtoffer] geschetste scenario over [autocoureur], Kojak, een negroïde man en de "onvermijdelijke blonde dame", direct rijp lijkt voor een soap en dat het Openbaar Ministerie zowaar een gezelschap bij elkaar heeft weten te scharrelen dat grosso modo overeenstemt met de door [slachtoffer] geschetste compositie, terwijl van geen door het Openbaar Ministerie betrokken figuranten met enige mate van zekerheid is vastgesteld dat zij aanwezig zouden zijn geweest in het kantoor van [verdachte] en enige rol hebben gespeeld bij de ontmoeting die [verdachte] met [slachtoffer] had(165).

De verdediging presenteert hier een nauwelijks serieus te nemen karikatuur van het onderzoek dat de verdenking tegen [X], [mevr. Y] en [Z] heeft doen ontstaan. Immers, in andere onderzoeken afgeluisterde telefoongesprekken hebben geleid naar deze verdachten als mogelijk aanwezigen in het kantoor van [verdachte] op 1 april 2004.

[slachtoffer] heeft de personen die op 1 april 2004 in het kantoor van [verdachte] aanwezig waren omschreven als:

* een man die lijkt op [autocoureur], de formule 1 coureur, circa 190 cm lang, slank en bruin verbrand, leeftijd ongeveer midden 30;

* een vrouw van rond de 30, lang blond haar tot de borst, circa 170 tot 175 cm lang en slank postuur, die een kleine hond met een boxer neus bij zich had;

* een man, bodybuilder type, stevig postuur, circa 180 tot 185 cm lang, gemillimeterd haar, ongeveer 40 tot 45 jaar oud;

* een man, die bij de deur stond, als een neger uit Suriname, circa 175 tot 178 cm lang, ongeveer midden 30166.

De zich in het dossier bevindende foto's van [X](167) komen overeen met de omschrijving die [slachtoffer] geeft van de persoon die op [autocoureur] lijkt.

De vrouw die [slachtoffer] heeft omschreven komt, blijkens haar foto(168) in het dossier, overeen met het uiterlijk van [mevr. Y]. Daarbij heeft [mevr. Y] verklaard dat zij inderdaad aan het door [slachtoffer] opgegeven signalement voldoet(169) en dat zij een soort kleine boxer hond heeft(170).

Aangezien de omschrijvingen die [slachtoffer] heeft gegeven zeer specifiek zijn en opvallende gelijkenissen vertonen met de personen van [X] en [mevr. Y], acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij deze signalementen heeft verzonnen.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat [X] en wellicht ook [mevr. Y] met haar hond, zich inderdaad op 1 april 2004 in restaurant [restaurant] of buiten in de directe omgeving, hebben bevonden en dat dit gegeven een plausibele verklaring oplevert voor de door [slachtoffer] opgegeven signalementen, nu hij hen mogelijk heeft gezien toen hij met [verdachte] buiten koffie aan het drinken was(171).

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog dat erop neerkomt dat de zeer specifieke signalementen die [slachtoffer] heeft gegeven enkel berusten op een toevallige ontmoeting tussen [slachtoffer] met [X] en [mevr. Y] in restaurant [restaurant] en/of omgeving. Daargelaten dat dit geen verklaring oplevert voor de andere twee gesignaleerde personen, zijn [X] en [mevr. Y] - zoals hiervoor reeds is overwogen - deelnemers aan voormelde tapgesprekken op 1 april 2004, welke tapgesprekken passen bij de verklaringen van [slachtoffer]. Daarbij komt nog dat [X], blijkens de tapgesprekken, op 1 april 2004 telefonisch contact heeft gehad met een onbekend gebleven man met een Surinaams accent en door [slachtoffer] ook is verklaard over een neger uit Suriname die in het kantoor van [verdachte] aanwezig was.

Bovendien heeft [verdachte] in zijn agenda bij de datum 1 april 2004 de naam [voornaam], de voornaam van [mevr. Y], met daaronder zowel haar mobiele telefoonnummer als dat van [X](172) genoteerd. Mede in aanmerking nemend dat [verdachte] [X] en [mevr. Y] al sinds 2002 kende(173), kan hieruit worden opgemaakt dat [verdachte] op 1 april 2004 een afspraak had met [X] en [mevr. Y].

6.3.6 De door [slachtoffer] handgeschreven en ondertekende verklaringen

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt - zoals hiervoor reeds is overwogen - naar voren dat [verdachte] en mr. [A] sinds 2001 met [slachtoffer] in onderhandeling waren over het zakelijk geschil en de verklaringen die [slachtoffer] daarover zou afleggen(174). In januari en februari 2003 is er veelvuldig (email)contact geweest tussen mr. [A] en [slachtoffer] over het zakelijk geschil. Daaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] heeft gesuggereerd verklaringen te zullen afleggen en dat hij zich daarover heeft laten bijstaan door een advocaat(175). In augustus 2003 hebben [verdachte], mr. [A], [slachtoffer] en vertegenwoordigers van de Clariden Bank een bespreking gehad over dit geschil(176). Dit leidde niet tot de door [verdachte] gewenste uitkomst. Integendeel, de zaak zat vanaf dat moment muurvast, zoals mr. [A] heeft verklaard(177). Vervolgens heeft op 17 februari 2004 in Zwitserland een ontmoeting plaatsgevonden tussen [verdachte], mr. [A] en [D]. In het gespreksverslag van deze ontmoeting, opgemaakt door de heer [D], staat onder andere dat hij [slachtoffer] op 18 februari 2004 heeft gesproken en hem heeft gevraagd [verdachte] te bellen voor de introductie van een nieuwe cliënt, hetgeen [slachtoffer] beloofde te zullen doen in week 9 van 2004(178). Deze aantekening in het gespreksverslag van de heer [D] volgt direct op de aantekening dat [verdachte] juridische stappen tegen de Clariden Bank wenst te ondernemen(179).

Niet in geschil is dat [slachtoffer] in ieder geval tot 1 april 2004 heeft geweigerd een verklaring af te leggen. Mr. [A] heeft hierover verklaard: "In augustus 2003 hebben wij [slachtoffer] er weer op gewezen dat hij die verklaring zou afleggen en voor zover ik mij kan herinneren kwam er weer een verhaal dat hij met zijn advocaat moest overleggen, hij is een meester in het tijdrekken. Ik weet niet of ik tussen augustus 2003 en 1 april 2004 nog iets over deze zaak heb gehoord. U vraagt mij of ik het dan niet raar vond dat [slachtoffer] op 1 april 2004 zonder advocaat deze verklaringen had getekend. Ik was wel enigszins verrast, het heeft wel vier jaar geduurd."(180)

In de door [slachtoffer] in het kantoor van [verdachte] op 1 april 2004 handgeschreven verklaring staat een adres vermeld van een andere persoon die, evenals aangever, [naamgenoot slachtoffer] is genaamd. Dit betreft het adres [adres] te [plaats] (Zwitserland)(181).

Vaststaat dat [D] op 18 februari 2004, zijnde de dag na de hiervoor vermelde ontmoeting met [verdachte] en mr. [A], dit adres van de verkeerde [naamgenoot slachtoffer] per email naar [verdachte] en (cc) naar mr. [A] heeft gestuurd(182). [D] heeft verklaard dat hij denkt dat hij genoemd adres uit een openbaar bestand (Twixtel) heeft verkregen(183), hetgeen de vergissing verklaart. Dit foutieve adres heeft [verdachte] ook in zijn notitie(- of adres)boek genoteerd(184).

De andere, getypte, verklaring - waarop 'Zürich, december 2002' is doorgestreept en [slachtoffer] met de hand 'Den Haag, 1 april 2004', heeft geschreven - betreft een door mr. [A] reeds in 2002 opgesteld statement(185). Mr. [A] heeft op de vraag of het in zijn praktijk gebruikelijk is dat documenten die in een procedure als bewijs moeten dienen in deze vorm worden opgemaakt, geantwoord: "Het is een ongebruikelijke zaak, mijn gebruikelijke documenten zien er inderdaad anders uit"(186).

6.3.7 De verklaringen van [verdachte]

[verdachte] heeft naar het oordeel van de rechtbank op wezenlijk geachte onderdelen ongeloofwaardig verklaard, hetgeen afbreuk doet aan het door hem geschetste scenario. Daaromtrent overweegt de rechtbank nog het volgende.

6.3.7.1 Het project [vastgoedproject]

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij vóór 2004 nooit met [X] heeft gesproken over werkzaamheden die [X] voor [verdachte] zou doen(187) en dat hij nooit met [X] heeft gesproken over de vorderingen in het Project [vastgoedproject] die 'gearbitreerd' zouden worden(188). Echter, in het dossier bevinden zich een reeks tapgesprekken (afkomstig uit het onderzoek Lathyrus) waaruit naar voren komt dat [X] vanaf 2002 observatie en incasso opdrachten verricht in opdracht van [verdachte](189). Zo heeft [X] in 2002 met andere personen een incasso-opdracht van [verdachte] aangenomen die betrekking had op het project [vastgoedproject] waarin [verdachte] een aandeel had van zes miljoen gulden(190).

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onder andere met [K] heeft gesproken over een mogelijke overdracht van zijn vordering op [L] en [B], maar dat het nooit tot een daadwerkelijke overdracht is gekomen en dat [X] daarbij niet was betrokken(191). Ook heeft [verdachte] toen verklaard dat de hoogte van zijn vordering in het project [vastgoedproject] ongeveer vier miljoen gulden bedroeg(192). Deze verklaring van [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. Zo heeft [verdachte] bij zijn verhoor in Zwitserland verklaard dat het ging om een vordering van zes miljoen gulden. Voorts blijkt uit de verschillende getapte telefoongesprekken uit 2002 dat er contact is geweest tussen [verdachte] en [X] over deze zaak (193) en ook dat [mevr. Y] wist dat [X] een incassozaak van [verdachte] binnen had van zes miljoen gulden(194). Ook kan uit die gesprekken worden opgemaakt dat de incasso-opdracht niet is blijven hangen in een verkennend stadium, maar wel degelijk is verstrekt. Er is zelfs een contract opgesteld waarbij er geen sporen mochten leiden naar de bedrijven van [verdachte] en [X] wilde dat zijn bedrijf [bedrijf] op papier alleen verantwoordelijk was voor het onderzoek en niet voor de arbitrage "want dan brengen we de vergunning en alles niet in gevaar". Afgesproken wordt dat [X] en anderen voor hun diensten 50% van de opbrengst van de incasso mogen houden(195). Hierbij zij opgemerkt dat dit een dusdanig hoog percentage is dat dit een sterke aanwijzing oplevert dat het hierbij niet gaat om een in het zakelijk verkeer gebruikelijke incasso-opdracht.

6.3.7.2 De totstandkoming en het verloop van de ontmoeting op 1 april 2004

[verdachte] heeft, tijdens zijn eerste verhoor in Zwitserland op 30 juni 2004, niet de waarheid gesproken toen hij verklaarde dat het initiatief voor de ontmoeting op 1 april 2004 niet van hem, maar van [slachtoffer] kwam, namelijk dat [slachtoffer] hem opbelde dat hij in Den Haag was en dat zij elkaar daarna hebben ontmoet(196). Eerst ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat [slachtoffer] naar Den Haag kwam, omdat [verdachte] hem wellicht een nieuwe klant zou kunnen bezorgen(197). De rechtbank volstaat in dit verband met hetgeen zij hierover onder 6.3.3 heeft overwogen.

Verder heeft [verdachte] in het verhoor van 30 juni 2004 verklaard dat hij [slachtoffer] op 1 april 2004 heeft ontmoet in restaurant [restaurant] en dat [slachtoffer] daarna weg ging. Geconfronteerd met de verklaring van [slachtoffer] dat zij na het koffiedrinken in [restaurant] nog in het kantoor van [verdachte] zijn geweest, heeft [verdachte] geantwoord dat hij zich dit niet kon herinneren. Later in het verhoor heeft hij gezegd dat het zou kunnen dat [slachtoffer] bij hem zijn handen heeft gewassen(198).

Tijdens zijn verhoor op 2 juli 2004 verklaarde [verdachte] vervolgens dat hij met [slachtoffer] had koffiegedronken, dat zij om circa 12.00 uur naar boven waren gegaan, dat [slachtoffer] zijn platte aktetas in het kantoor had gezet en dat zij vervolgens samen buiten gingen lunchen(199). Uit het opgenomen gesprek van 1 april 2004 dat begint om 11.18 uur, blijkt echter dat zij minstens 41 minuten in het kantoor van [verdachte] zijn geweest.

Gelet op de wijze waarop de ontmoeting tot stand is gekomen en het belang van [verdachte] bij de tijdens deze ontmoeting door [slachtoffer] opgestelde en ondertekende verklaringen, is het niet goed voorstelbaar dat [verdachte] zich dit enkele maanden later niet meer zou kunnen herinneren.

6.3.7.3 Ongerijmdheid in verklaring [verdachte]

Ten slotte merkt de rechtbank op dat de lezing van [verdachte] dat [slachtoffer] zijn verklaringen op 1 april 2004 vrijwillig heeft opgesteld c.q. ondertekend, gelet op de houding van [slachtoffer] in de jaren daarvoor en zijn aangifte één dag daarna, volstrekt ongerijmd is. [slachtoffer] heeft zich immers jarenlang onwillig getoond de door [verdachte] gewenste verklaring te ondertekenen; in de woorden van mr. [A]: "hij is een meester in het tijdrekken". Ongerijmd is dat [slachtoffer] opeens, zonder bijstand van een eigen raadsman, een verklaring zou hebben opgesteld c.q. ondertekend waartegen hij zich zolang had verzet. Nog onbegrijpelijker wordt het als hij deze "vrijwillig" opgestelde verklaring meteen weer ongedaan wil maken vanwege precies dezelfde bezwaren die voor hem de reden waren niet eerder een zodanige verklaring te ondertekenen. De stelling van de verdediging komt er kort gezeg op neer dat [slachtoffer] op 1 april 2004 tweemaal een draai van 180 graden heeft gemaakt, zonder dat enig redelijk eigen (zakelijk) belang of motief daarvoor aannemelijk is geworden.

6.3.8 Het oordeel van de rechtbank

De verklaringen van aangever [slachtoffer] in samenhang met de tapgesprekken leveren het wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] als opdrachtgever en [X] als 'sterke arm' zich samen met anderen, waaronder [mevr. Y], op 1 april 2004 hebben schuldig gemaakt aan het opsluiten van [slachtoffer] in het kantoor van [verdachte], het mishandelen en bedreigen van [slachtoffer] teneinde hem te dwingen verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen, met welke verklaringen [verdachte] zijn bevroren banktegoeden bij de Clariden Bank kon opeisen.

Hiertoe acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, mede redengevend:

* het feit dat [slachtoffer] zich door een advocaat liet bijstaan in het - sinds 2001 daterende - zakelijk geschil met [verdachte] over de pledges, waaruit blijkt dat [slachtoffer] zich bewust was van de mogelijke consequenties van het afleggen van een verklaring;

* het feit dat het zakelijk geschil tot 1 april 2004 muurvast zat doordat [slachtoffer] weigerde een verklaring af te leggen;

* het feit dat [verdachte] op 18 februari 2004 een email van [D] heeft ontvangen met daarin een foutief adres van ene [naamgenoot slachtoffer ]

* het feit dat [verdachte] dit foutieve adres in zijn notitie(- of adres)boek heeft genoteerd als zijnde het adres van aangever [slachtoffer];

* het feit dat [verdachte] het initiatief heeft genomen voor de ontmoeting op 1 april 2004 met [slachtoffer], door [D] in te schakelen teneinde [slachtoffer] - onder het valse voorwendsel dat hij aan een nieuwe cliënt zou worden voorgesteld - naar restaurant [restaurant] te lokken;

* het feit dat het eerder genoemde foutieve adres staat vermeld in de door [slachtoffer] in het kantoor van [verdachte] op 1 april 2004 handgeschreven verklaring;

* het feit dat mr. [A] heeft verklaard dat de getypte verklaring - waarop 'Zürich, december 2002' is doorgestreept en door [slachtoffer] met hand 'Den Haag, 1 april 2004', is geschreven - ongebruikelijk is voor een document dat in een procedure als bewijs moet dienen;

* het feit dat de door [slachtoffer] opgegeven signalementen van de daders overeenkomen met [X] en [mevr. Y];

* het feit dat [verdachte] in zijn agenda bij de datum 1 april 2004 tevens de naam [voornaam], de voornaam van [mevr. Y], met daaronder zowel haar mobiele telefoonnummer als dat [X] heeft genoteerd(200).

6.3.9 De partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht de 'voorbedachten rade', zoals onder feit 2 tenlastegelegd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken en uitsluitend voor mishandeling dient te worden veroordeeld. Immers, niet kan worden uitgesloten dat [verdachte] en zijn mededaders ervan uitgingen dat zij [slachtoffer] konden dwingen de bewuste verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen door hem "alleen maar" van zijn vrijheid te beroven en te bedreigen.

6.3.10 Vrijspraak ten aanzien van feit 4 eerste cumulatief/alternatief

De rechtbank ziet zichzelf ten slotte nog gesteld voor de vraag of [slachtoffer] is gedwongen tot de afgifte van een goed dat aan hem toebehoorde, in de zin van artikel 317 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Vooropgesteld dient te worden dat de door [slachtoffer] op 1 april 2004 met de handgeschreven verklaring alsmede de door hem ondertekende getypte verklaring, die zien op het zakelijk geschil met [verdachte], beide stoffelijke voorwerpen betreffen die (in ieder geval voor [verdachte]) een aanzienlijke geldswaarde in het handelsverkeer vertegenwoordigden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat deze verklaringen dan ook als een goed in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden aangemerkt.

Artikel 317 Sr beoogt iemands persoonlijke vrijheid en het hem toebehorend vermogen te beschermen tegen degene die zich (of een ander) ten koste van hem wederrechtelijk wil bevoordelen. Het begrip 'toebehoren' in deze delictsomschrijving omvat meer dan het civielrechtelijke 'in eigendom toebehoren'. Voor de vraag of een zaak iemand toebehoort in de zin van deze bepaling is doorslaggevend of diegene zeggenschap heeft over en belang heeft bij die zaak.

Uit de bewijsmiddelen genoemd onder 6.3.8. volgt, dat [slachtoffer] op 1 april 2004 in het kantoor van [verdachte] middels vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging is gedwongen bedoelde verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen. Gelet hierop is de rechtbank - anders dan het Openbaar Ministerie - van oordeel dat [slachtoffer] nimmer de zeggenschap over deze verklaringen heeft gehad en dat deze verklaringen hem daarom nooit hebben toebehoord in de zin van artikel 317 Sr.

Het vorenstaande brengt met zich dat verdachte van hetgeen hem bij gewijzigde dagvaarding onder 4 eerste cumulatief/alternatief is tenlastegelegd, dient te worden vrijgesproken.

6.4 De bewezenverklaring

1.

hij op 01 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet

- onder valse voorwendselen (zijnde de belofte dat die [slachtoffer] aan een

nieuwe zakenrelatie zou worden voorgesteld) naar een (kantoor)ruimte (van de

heer [verdachte]) gelokt en

- in die (kantoor)ruimte (van de heer [verdachte]) de uitweg geblokkeerd (door er voor te gaan staan) en

- de deur op slot gedaan en

- die [slachtoffer] in een stoel gedrukt en gedrukt gehouden en

- die [slachtoffer] getrapt tegen het lichaam en

- die [slachtoffer] geslagen tegen het hoofd en het lichaam en

- (die [slachtoffer]) dreigend een schaar getoond en voor het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en

- met een briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat die [slachtoffer] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en dat een zakelijk geschil (met de Clariden Bank) moest

worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en aldus voor die [slachtoffer] een dreigende situatie gecreëerd waaraan hij zich niet kon onttrekken en die [slachtoffer] gedurende enige tijd belet te gaan en te staan waar hij

wilde.

2.

hij op 01 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer], opzettelijk heeft getrapt tegen het lichaam en heeft geslagen tegen het hoofd en het lichaam, tengevolge waarvan [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

3.

hij op 01 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een schaar getoond en voor het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en met een briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en tegen die [slachtoffer] gezegd dat die [slachtoffer] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en dat een zakelijk geschil (met de Clariden Bank) moest worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt en/of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

4.

hij op 01 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer], door geweld en door bedreiging met geweld tegen hem wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers hebben verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer] gedwongen verklaringen (betreffende een zakelijk geschil met [verdachte]) te tekenen terwijl het

geweld en die bedreiging met geweld bestonden uit het trappen tegen het lichaam en het slaan tegen het hoofd en het lichaam en het dreigend tonen van een schaar en het maken van stekende bewegingen naar die [slachtoffer] met een briefopener.

7. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

8. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

9. De straf

9.1. De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 (eerste en tweede cumulatief/ alternatief) ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een integrale vrijspraak van verdachte bepleit en om die reden niets aangevoerd omtrent een eventueel op te leggen straf, zij het dat de verdediging de rechtbank wel heeft verzocht rekening te houden met de bijzondere positie waarin de gezondheid van verdachte zich bevindt.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, na een gedegen voorbereiding, het slachtoffer onder valse voorwendselen naar zijn kantoor gelokt, waarna drie andere mannen en een vrouw het kantoor zijn binnengekomen en de deur van het kantoor op slot werd gedaan. Vervolgens is het slachtoffer, door twee van de mannen, in het kantoor getrapt, geslagen en bedreigd en aldus gedwongen verklaringen te ondertekenen c.q. op te stellen, met welke verklaringen verdachte zijn bevroren banktegoed bij de Clariden Bank zou kunnen opeisen.

Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelwijze een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke bewegingsvrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De agressieve wijze waarop het slachtoffer is bejegend, is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ook na het gebeurde op 1 april 2004 voor zijn leven heeft gevreesd, om die reden zelfs is verhuisd en dat hij zich thans nog niet veilig voelt. Verdachte en zijn mededaders zijn, blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan. Het is schokkend te moeten vaststellen dat verdachte, ogenschijnlijk een fatsoenlijk zakenman, er niet voor terugdeinst een zakelijk geschil in zijn voordeel te beslechten door de aanwending van grof geweld jegens zijn voormalige bankier. Kennelijk hebben hij en zijn mededaders alleen maar oog gehad voor hun eigen financiële belangen.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde misdrijven alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank enerzijds gelet op de omstandigheid dat verdachte de initiator is geweest die vier anderen heeft ingeschakeld om voor hem als 'sterke arm' op te treden teneinde het slachtoffer te bewegen de door verdachte zo lang begeerde, zeer waardevolle, verklaringen te ondertekenen. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, in tegenstelling tot de medeverdachte [X], - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 april 2008 - niet eerder is veroordeeld ter zake het plegen van strafbare feiten. Tevens heeft de rechtbank mee laten wegen dat de delicten inmiddels bijna vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennis genomen van de brief d.d. 27 januari 2009 en de daarin vermelde gegevens afkomstig van de behandelend arts van verdachte. Daaruit komt niet naar voren dat de gezondheidstoestand van verdachte aanleiding zou moeten zijn de aan hem op te leggen gevangenisstraf te matigen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

De rechtbank beoogt met de door haar opgelegde straf enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking brengen en anderzijds verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 47, 57, 282, 284, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding onder 4 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van mishandeling;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 4 tweede cumulatief/alternatief:

medeplegen van een ander door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in detentie in het buitenland en in verzekering (in Nederland) doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in Zwitserland aangehouden op: 30 juni 2004,

in Zwitserland in vrijheid gesteld op: 16 juli 2004,

in (Nederland in) verzekering gesteld op: 6 april 2007,

in (Nederland in) vrijheid gesteld op: 8 april 2007;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Elkerbout, voorzitter,

Milders en Spros, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2009.

1 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 17 t/m 20.

2 Brief van mr. [A] d.d. 17 september 2007, pagina 339 t/m 341 en Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 38 en 147.

3 Proces-verbaal, pagina 122 en Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 100 en 101.

4 Verklaring van mr. [A] d.d. 18 april 2007, pagina 304, onder punt 9 en pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 19.

5 Verklaring van mr. [A] d.d. 18 april 2007, pagina 304 t/m 306.

6 Door de verdediging ingebrachte civiele concept dagvaarding d.d. 16 januari 2009.

7 Verklaring [slachtoffer], proces-verbaal terechtzitting d.d. 14 april 2008, pagina 37 en pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 18 en 20.

8 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 71 en pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 17 en 24.

9 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 35, 36 en 38. Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 20 en 25.

Deze verklaringen zijn tevens als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

10 Verklaring van mr. [A] d.d. 18 april 2007, pagina 302, onder punt 4 en pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 20 en 26.

11 Proces-verbaal, pagina 221.

12 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 73.

13 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 58 en 59.

14 Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 335. Tevens de verklaring van [D] d.d. 9 juli 2004, dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 147, inhoudende: "ik heb kopieën per fax gekregen van [A]".

15 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 67 t/m 70.

16 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 43.

17 Waar wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar pagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer 1512/2007/10021, regiopolitie Haaglanden, gedateerd 16 april 2007, met bijlagen.

18 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 74 t/m 92, 97 t/m 107 en 185 t/m 205.

19 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 67 t/m 70, 93 t/m 96, 160 t/m 183 en 227 t/m 249.

20 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 108 t/m 110, 111 t/m 134, 135 t/m 151 en 152 t/m 157.

21 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 65 en 66.

22 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 257 en 258.

23 Pagina 350 en 351.

24 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 3 t/m 32.

25 Pagina 299 en 300.

26 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 34 t/m 38.

27 Proces-verbaal, pagina 6.

28 Proces-verbaal, pagina 9.

29 Proces-verbaal, pagina 144 t/m 161 en 162 t/m 167.

30 Proces-verbaal, pagina 216.

31 Proces- verbaal, pagina 11 en Proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming (104, 110 Sv) d.d. 5 april 2007, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

32 Proces-verbaal, pagina 33 t/m 40 en 168 t/m 170 (t.a.v. [X]), 43 t/m 49 en 171 (t.a.v. [mevr. Y]).

33 Proces-verbaal, pagina 13, 173 t/m 178.

34 Proces-verbaal, pagina 23 t/m 29 en 193 t/m 196.

35 Proces-verbaal, pagina 14.

36 Proces-verbaal, pagina 301 t/m 311.

37 Los bij het dossier gevoegd.

38 Los bij het dossier gevoegd.

39 Pagina 334 t/m 337.

40 Pagina 352 t/m 357.

41 Proces-verbaal, pagina 577 t/m 579 (t.a.v. [X]) en 581 t/m 583 (t.a.v. [mevr. Y]).

42 Los bij het dossier gevoegd.

43 Los bij het dossier gevoegd.

44 Proces-verbaal, pagina 471 t/m 474.

45 Pagina 468 en 466.

46 Pagina 475.

47 Pagina 586 en 587.

48 Pagina 588 t/m 594.

49 Los bij het dossier gevoegd.

50 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 november 2007 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Van der Sar, griffier.

51 Los bij het dossier gevoegd.

52 Proces-verbaal, pagina 527.

53 Proces-verbaal, pagina 503 t/m 512.

54 Een proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

55 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 maart 2008 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Maat, griffier.

56 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 maart 2008 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Maat, griffier, pagina 15 en 16.

57 Los bij het dossier gevoegd.

58 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 14, 16, 21 en 22 april 2008 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Maat, griffier.

59 Bijlage 3 bij het proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 mei 2008.

60 Bijlage 4 bij het proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 mei 2008.

61 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 16 mei 2008 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Maat, griffier.

62 Bijlage 1 bij het proces-verbaal terechtzitting d.d. 2 oktober 2008.

63 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 oktober 2008 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Maat, griffier.

64 Faxbericht afkomstig van mr. Kuijpers d.d. 24 februari 2009.

65 Een proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 26, 29 januari, 4 en 26 februari 2009 betreffende de verdachte, opgemaakt en ondertekend door mr. Elkerbout, voorzitter, en mr. Maat, griffier.

66 Vgl. in dit verband mr. G.J.M. Corstens "Het Nederlands strafprocesrecht", 6e druk, paragraaf 12.15 op pagina 359: "(...) In een aantal gevallen, zo voorzag de wetgever, zou het gvo dan echter bezwaarlijk onherroepelijk kunnen worden gesloten vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Om die reden heeft de wetgever bepaald dat in zo'n geval de dagvaarding vóór de sluiting kan geschieden. De officier van justitie bericht de rechter-commissaris schriftelijk over de dagvaarding. Door die kennisgeving eindigt dan het gerechtelijk vooronderzoek."

67 Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 262 Sv d.d. 5 november 2007, pagina 2.

68 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 2 oktober 2008, pagina's 9, 10 en 11.

69 Aantekeningen van mrs. M. Wladimiroff en A. Verbruggen, overgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2008, pagina 5, nrs. 18 en 19. Deze aantekeningen zijn als bijlage 4 gevoegd bij het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 2 oktober 2008.

70 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 5 maart 2008, pagina 16, onder D.

71 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 5 maart 2008, pagina 15, onder C.

72 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 67 t/m 73.

73 Pagina 370, 387 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 602 en 603.

74 Proces-verbaal, pagina 496.

75 Pagina 388 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 524.

76 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 224, pagina 392 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 524.

77 Proces-verbaal, pagina 370.

78 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 603.

79 Pagina 396.

80 Pagina 395.

81 Pagina 398, 401, 403 en 404.

82 Pagina 405 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 604.

83 Pagina 406 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 521.

84 Pagina 435.

85 Proces-verbaal, pagina 370 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 521.

86 Pagina 408 t/m 410, 478 t/m 490 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting op 22 april 2008, (proces-verbaal terechtzitting 14, 16, 21 en 22 april 2008, pagina 185).

87 Pagina 437.

88 Pagina 411 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 604 en 605.

89 Pagina 412 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 605.

90 Pagina 413 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 605 en 606.

91 Pagina 415 en 416.

92 Pagina 417.

93 Pagina 423 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 606.

94 Pagina 424 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 606 en 607.

95 Pagina 439 en 440 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 553. Het telefoonnummer [nummer] is, blijkens pagina 115, het telefoonnummer van het kantoor van verdachte.

96 Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 255 en 330 laatste alinea.

97 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 109, 117, 118 en 119.

98 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 79, 80 en 87 en proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 8 april 2007, pagina 201.

99 Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 330 derde alinea van onder.

100 Pagina 316, 326 en 327.

101 Verklaring van mr. [A] d.d. 18 april 2007, pagina 306, verklaring [slachtoffer] d.d. 14 juli 2004, bijlage I, pagina 165 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2008, pagina 171.

102 Verklaring van mr. [A], proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 april 2008, pagina 73.

103 Pagina 204 en Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 255.

104 Pagina 91 en 92.

105 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 208 en 209.

106 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 165.

107 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 117 en 188 laatste alinea's.

108 O.a. dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 71.

109 Pagina 478 t/m 482.

110 Verklaring van mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris op 18 april 2007, pagina 305, onder punt 12.

111 Verklaring van mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris op 18 april 2007, pagina 306, onder punt 16.

112 Verklaring van mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris op 18 april 2007, pagina 307, onder punt 18.

113 Pagina 237 t/m 280.

114 Proces-verbaal, pagina 222 en pagina 228 t/m 235.

115 Proces-verbaal, pagina 221.

116 Proces-verbaal, pagina 222.

117 Pagina 237 en 238.

118 Pagina 236.

119 Proces-verbaal, pagina 222.

120 Verklaring mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 18 april 2007, pagina 305, onder punt 12.

121 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 april 2008, pagina 98.

122 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 85 onderaan: "de advocaat is later gekomen, tussen 14 en 15 uur".

123 Verklaring [slachtoffer] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 30 januari 2008, onder punt 22.

124 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 71 bovenaan.

125 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 72.

126 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 171.

127 Pagina 337.

128 Pagina 593 bovenaan.

129 Pagina 355, tweede alinea.

130 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 73.

131 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 april 2008, pagina 111 onderaan.

132 Pagina 355, laatste alinea.

133 Pagina 356, slot van de eerste alinea.

134 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 26 en 27.

135 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 april 2008, pagina 108, 109, 110, 116 en 122.

136 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 71.

137 Pagina 435.

138 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 30.

139 Dupliek van mr. Wladimiroff d.d. 26 februari 2009, pagina 5.

140 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 553.

141 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 553.

142 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 april 2008, pagina 184.

143 Proces-verbaal van verhoor [X], pagina 170, 182, 198, 212, 470 en proces-verbaal van verhoor [verdachte], pagina 196, 203, 476.

144 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 609.

145 Pagina 478 en de verklaring van verdachte proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 april 2008, pagina 185.

146 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 29 en dupliek d.d. 26 februari 2009, pagina 5.

147 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 29.

148 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 30.

149 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 603.

150 Pagina 396.

151 Pagina 395.

152 Pagina 406 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 521.

153 Pagina 478.

154 Proces-verbaal, pagina 370 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 521.

155 Proces-verbaal, pagina 370.

156 Verklaring [slachtoffer] ten overstaan van de rechter-commissaris op 30 januari 2008, onder punt 84 en 85.

157 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 521.

158 Pagina 437.

159 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 72.

160 Pagina 411 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 604 en 605.

161 Pagina 412 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 605.

162 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 april 2008, pagina 98.

163 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 73.

164 Pagina 413 en proces-verbaal van bevindingen, pagina 605 en 606.

165 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 35 en 36.

166 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 69 en 72.

167 Pagina 165 en 166.

168 Pagina 149.

169 Proces-verbaal van verhoor [mevr. Y] d.d. 5 april 2007, pagina 175.

170 Proces-verbaal van verhoor [mevr. Y] d.d. 5 april 2007, pagina 173.

171 Pleitnota van mrs. Wladimiroff, Verbruggen en Van Stratum, d.d. 29 januari 2009, pagina 29.

172 Pagina 72.

173 Pagina 528 t/m 550 en 613 t/m 619.

174 O.a. verklaring mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 18 april 2007, pagina 304, onder punt 9.

175 Pagina 316, 326 en 327.

176 Verklaring van mr. [A] d.d. 18 april 2007, pagina 306, verklaring [slachtoffer] d.d. 14 juli 2004, bijlage I, pagina 165 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2008, pagina 171.

177 Verklaring van mr. [A], proces-verbaal terechtzitting d.d. 16 april 2008, pagina 73.

178 Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 255 en 330 laatste alinea.

179 Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 330 derde alinea van onder.

180 Verklaring mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 18 april 2007, pagina 306, onder punt 15.

181 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 35 (tevens aan het vonnis gehecht), 72 en proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] d.d. 21 maart 2007, pagina 163.

182 Pagina 204 en Dossier Zwitserland, bijlage II, pagina 255.

183 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 118.

184 Pagina 92 en dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 80.

185 Proces-verbaal verhoor [A] d.d. 24 oktober 2007, pagina 473.

186 Verhoor van mr. [A] ten overstaan van de rechter-commissaris op 18 april 2007, pagina 308 onder punt 23.

187 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 april 2008, pagina 178.

188Proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 april 2008, pagina 179 t/m 183.

189 Pagina 527 t/m 550 en 613 t/m 619.

190 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 88, 93 en 182.

191 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 april 2008, pagina 178 en 179.

192 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 april 2008, pagina 180.

193 Pagina 542, 544 en 618.

194 Pagina 529 en 614.

195 Pagina 544 en 545.

196 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 77.

197 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 21 en 22 april 2008, pagina 168 en 174.

198 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina 76.

199 Dossier Zwitserland, bijlage I, pagina. 98.

200 Pagina 72