Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5448

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
330814 en 330819
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffen huisverbod. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gegeven feiten en omstandigheden voldoende aanleiding vormden voor het opleggen van het huisverbod, dat de belangen van betrokkenen in voldoende mate zijn afgewogen en dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Ten aanzien van de vraag of de opgelegde maatregel thans nog in stand kan blijven overweegt de voorzieningenrechter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inbreuk op zijn belang om weer snel naar de woning terug te keren, zwaarder dient te wegen dan het belang van zijn huisgenoten bij het in stand houden van het huisverbod. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: 330814 (hoofdzaak) en 330819 (voorlopige voorziening)

Rekestnummers: 09-1220 (hoofdzaak) en 09-211 (voorlopige voorziening)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb

in de gedingen tussen

[eiser], eiser,

wonende te [plaats],

thans woonplaats kiezende ten kantore van mr. W.L. Catsman te Capelle aan den IJssel,

gemachtigde: mr. W.L. Catsman,

en

de burgemeester van de gemeente Moordrecht, verweerder,

zetelende te Moordrecht,

gemachtigde: mr. E.A. Slappendel, kantoorhoudende te Gouda,

in welke zaken belanghebbende is:

[de vrouw], de vrouw,

wonende te [plaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Bij beschikking van 12 februari 2009 heeft verweerder aan eiser een huisverbod (hierna: het besluit) opgelegd voor de woning gelegen aan het [adres], geldend van 12 februari 2009 14.00 uur tot 22 februari 2009 14.00 uur.

De volgende feiten en omstandigheden en motivering staan vermeld in het besluit:

“A. De Pleger van huiselijk geweld:

Alcoholprobleem wordt niet erkend. Afspraken worden niet nagekomen beperkte medewerking tav hulpverlening

B. Verloop van het geweldsincident:

Dagelijks gespannen situatie. Regelmatig kapot gooien van goederen. Toenemend geweld richting zijn vrouw.

C. De gezinsachtergronden:

Werk en financiën geeft onrust. Inwonende schoonmoeder met Korsakov geeft extra spanning.

Belangenafweging

Oplopende spiraal van geweld. Vrouw en kind leven dagelijks onder hoogspanning. Gedrag van pleger is onberekenbaar. Reëel gevaar voor toekomstig geweld. Pleger bagatelliseert het geweld.”

2. De feiten en het verloop van de procedure

- Eiser heeft een affectieve relatie met de vrouw en woont met haar samen op bovengenoemd adres. De moeder van de vrouw woont bij hen in; blijkens de stukken lijdt zij aan het Korsakovsyndroom.

- Eiser en de vrouw hebben samen een minderjarige dochter: [minderjarige], geboren op [datum] 2007 te [plaats]. De vrouw is thans zwanger.

- Eiser is op 11 februari 2009 aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. Na thuiskomst is tussen eiser en de vrouw ruzie ontstaan en heeft eiser spullen vernield. Vervolgens is hij in zijn woning aangehouden op verdenking van huiselijk geweld en heeft hij die nacht in voorlopige hechtenis doorgebracht in het huis van bewaring te Gouda.

- Ter gelegenheid van de invrijheidstelling van eiser op 12 februari 2009 is voornoemd besluit opgelegd door de heer H.P.J. Bos in zijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie (HovJ) en als zodanig gemandateerd – als bedoeld in artikel 3 van de Wet tijdelijk huisverbod – door verweerder bij mandaatbesluit d.d. 5 januari 2009.

Eiser heeft bij (fax)brief van 13 februari 2009 beroep ingesteld tegen het besluit. Hij

heeft de rechtbank verzocht:

- het besluit in heroverweging te nemen, dan wel het besluit wegens strijd met de wet en ongeschreven rechtsregels te vernietigen;

- het beroep gegrond te verklaren alsmede een schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb toe te wijzen;

- met veroordeling van verweerder in de kosten van de beroepsprocedure, inclusief de eigen bijdrage.

Voorts heeft eiser bij (fax)brief van 13 februari 2009 de voorzieningenrechter

verzocht een voorlopige voorziening te treffen, primair inhoudende dat eiser

per direct zijn huis weer mag betreden en subsidiair een zodanige regeling te treffen

als de voorzieningenrechter redelijk acht, met veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken

(inclusief het griffierecht) alsook met veroordeling van verweerder in een schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb, daar eiser door het huisverbod tijdelijk dakloos is geworden.

Het bestreden besluit is als bijlage bij zowel het beroepschrift als het verzoek voorlopige voorzieningen overgelegd.

Verweerder heeft bij (fax)brief d.d. 16 februari 2009 de volgende stukken in het geding gebracht:

- het proces-verbaal van bevindingen van de HovJ;

- het mandaatbesluit d.d. 5 januari 2009 van verweerder aan de HovJ;

- de machtiging van verweerder aan mr. Slappendel voornoemd om hem in rechte te vertegenwoordigen in onderhavige procedure.

Vervolgens heeft verweerder bij (fax)brief d.d. 17 februari 2009 in geding gebracht (een

kopie van) het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna aan te duiden als: RiHG).

Het onderzoek ter zitting heeft – met gesloten deuren – plaatsgevonden op 17 februari 2009.

Daarbij waren aanwezig: eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van

verweerder. Van de zijde van verweerder zijn overgelegd: pleitnotities, het originele RiHG,

alsmede twee foto’s.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek aangehouden in afwachting van nadere informatie omtrent het aanbod tot hulpverlening aan eiser en diens huisgenoten. Vervolgens heeft verweerder bij faxbrief d.d. 18 februari 2009 nadere stukken in het geding gebracht. Eiser heeft daarop bij faxbrief d.d. 18 februari 2009 gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft daarna – binnen 24 uur na het horen van partijen als bedoeld in artikel 6 van de Wet tijdelijk huisverbod – uitspraak gedaan en partijen daarvan telefonisch op de hoogte gesteld.

3. Overwegingen

Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat zich hier de situatie als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb voordoet. Er wordt derhalve onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421, hierna: Wth) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Op grond van artikel 2 van het Besluit van 20 oktober 2008, houdende regels over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen (Besluit tijdelijk huisverbod) betrekt de burgemeester (of de HovJ) uitsluitend de in de bijlage bij het besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Standpunt eiser

Eiser heeft gesteld dat het besluit van verweerder van 12 februari 2009 in strijd is met artikel 2 van de Wth nu er geen sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de aanwezigheid van eiser in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de vrouw en hun minderjarig kind, of dat er een ernstig vermoeden van dit gevaar bestond. Hij erkent dat hij op de bewuste avond met spullen heeft gegooid, maar hij stelt dat hij zijn vriendin noch hun kind (ooit) fysiek heeft mishandeld. Er is daarnaast geen sprake van een alcoholprobleem, zoals verweerder stelt. De vrees voor toekomstig geweld die verweerder aanwezig heeft geacht aan de hand van het RiGH is derhalve ongegrond.

Voorts voert eiser aan dat er strijd is met artikel 3:2 Awb nu geen sprake is geweest van een belangenafweging daar hij niet is gehoord. Verweerder heeft bij de beoordeling van de situatie slechts naar het belang van de vrouw en de minderjarige gekeken en heeft bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het feit dat hij dakloos werd nu de Wth niet voorziet in een opvangmogelijkheid voor de uithuisgeplaatste.

De opgelegde maatregel is volgens eiser mede in strijd met het proportionaliteitsbeginsel (artikel 3:4 Abw) – en vormt een inbreuk op het recht op persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM – verweerder had immers kunnen volstaan met partijen bijvoorbeeld te verwijzen naar een relatietherapeut. Voor vernieling van spullen is de Wth niet bedoeld, aldus eiser.

Ten slotte voert verweerder aan dat nu hij de hulpverlening heeft aanvaard, het huisverbod niet meer nodig is.

Overwegingen van de voorzieningenrechter

In rechte moet worden beoordeeld of de feiten en omstandigheden die zich voorafgaand aan het bestreden besluit hebben voorgedaan in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen leiden. Ook dient te worden beoordeeld of de belangen van betrokkenen daarbij in voldoende mate zijn afgewogen.

Indien het voorgaande bevestigend wordt beantwoord, dient vervolgens te worden beoordeeld of thans aanleiding bestaat om het huisverbod op te heffen.

De voorzieningenrechter constateert allereerst dat het RiHG niet volledig is ingevuld. Zoals ook in de toelichting bij het instrument is vermeld, dienen per signaal de van toepassing zijnde punten aangekruist te worden, zodat duidelijk kenbaar is waar de beoordeling op is gebaseerd. De HovJ heeft bij de – in totaal twintig – onderwerpen steeds een totaalbeoordeling vermeld (hoog risico, risico en geen/laag risico), zonder de daarbij van toepassing zijnde punten aan te kruisen. Deze omstandigheid leidt evenwel niet tot de conclusie dat niet aan de gronden van artikel 2 Wth is voldaan. Het invullen van het RiHG vormt immers geen wettelijk vereiste en de voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit in samenhang met de informatie die blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen in voldoende mate aansluit bij de feiten en omstandigheden die op grond van de bijlage van het Besluit tijdelijk huisverbod relevant worden geacht.

Aan de hand van de voorhanden zijnde informatie, in het bijzonder de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het verloop van het incident op 11 februari 2009, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat er op 11 februari 2009 sprake is geweest van (een dreiging van) huiselijk geweld door eiser als bedoeld in artikel 2 van de Wth. Dat eiser niet bedoeld zou hebben zijn vriendin en/of minderjarig kind te raken met het gooien van spullen doet daaraan niet af. Een dergelijke situatie kan op zichzelf al bedreigend genoeg zijn en onder de gegeven omstandigheden tevens gekwalificeerd worden als psychisch geweld. Dat de Wth niet voor dergelijke situaties bedoeld is, valt niet in te zien. Uit genoemd proces-verbaal blijkt bovendien dat de vriendin van de man door de spullen is geraakt en daardoor (licht) letsel heeft opgelopen. De uitlatingen van eiser ter terechtzitting dragen bij aan het beeld dat van hem in de stukken wordt geschetst, waar gesteld wordt dat hij de situatie bagatelliseert. Dat er geen sprake zou zijn van alcoholproblematiek bij eiser acht de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk nu eiser zelf heeft verklaard dat hij met zijn vriendin in november 2008 heeft afgesproken dat hij niet meer zou drinken, maar dat niettemin vaststaat dat de man op 11 februari 2009 is aangehouden wegens het rijden onder invloed van alcohol.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de belangen van de betrokkenen in voldoende mate afgewogen en daarbij het belang van de vrouw en de minderjarige om een einde te maken aan de dreigende situatie terecht laten prevaleren.

De stelling van eiser dat hij niet zou zijn gehoord door de HovJ passeert de voorzieningenrechter eveneens nu uit het proces-verbaal blijkt dat de man wel degelijk in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, terwijl geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van dit stuk.

Het betoog van eiser dat het opgelegde huisverbod strijdig is met het recht op de persoonlijke levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel EVRM, wordt verworpen. In casu is de voorzieningenrechter van oordeel dat de opgelegde tijdelijke maatregel, het huisverbod, moet worden beschouwd als een proportionele maatregel ten aanzien van het doel dat ermee wordt gediend, namelijk de preventie van strafbare feiten in de vorm van huiselijk geweld en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen. Meer specifiek wordt met het huisverbod beoogd de gezondheid en lichamelijke integriteit van betrokkenen ook te kunnen beschermen in crisissituaties waarin (nog) geen sprake is van strafbare feiten.

Vorenstaande in aanmerking genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gegeven feiten en omstandigheden voldoende aanleiding vormden voor het opleggen van het huisverbod, dat de belangen van betrokkenen in voldoende mate zijn afgewogen en dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Ten aanzien van de vraag of de opgelegde maatregel thans nog in stand kan blijven overweegt de voorzieningenrechter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inbreuk op zijn belang om weer snel naar de woning terug te keren, zwaarder dient te wegen dan het belang van zijn huisgenoten bij het in stand houden van het huisverbod. Weliswaar blijkt uit de na de terechtzitting overgelegde stukken dat het hulpverleningstraject inmiddels in gang is gezet, thans is evenwel nog onduidelijk of daarmee het gevaar voor de huisgenoten van eiser voldoende is weggenomen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat eiser te kennen heeft gegeven alleen onder bepaalde voorwaarden zijn medewerking aan de hulpverlening te zullen verlenen.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. De voorzieningenrechter ziet voorts geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

recht doende:

op het beroep in de hoofdzaak: verklaart het beroep ongegrond en wijst af het meer of anders verzochte;

op het verzoek om een voorlopige voorziening: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening en het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. C.F. Mewe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Laterveer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak - hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.