Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH5036

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
330544 - KG ZA 09-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verplichte deelneming aan bedrijfstakpensioenfonds? werkingssfeer verplichtstellingsbeschikking bedrijfstakpensioenfonds; werkingssfeer CAO metaal en techniek; opheffen conservatoir beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/51
AR-Updates.nl 2009-0167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 23 februari 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 330544 / KG ZA 09-187 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] Beleggingsmaatschappij B.V.,

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. L. van Luipen te Rotterdam,

tegen:

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. O. Diels te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[A]’ en ‘[B]’.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 februari 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [B] was gedurende de periode 1 november 1971 tot 1 januari 1985 in dienst van de besloten vennootschap [A] Autobedrijf B.V.

1.2. De besloten vennootschap [A] Autobedrijf B.V. heeft eind 1984 in het kader van een herstructurering haar naam gewijzigd in ‘[A] Beleggingsmaatschappij B.V.’, alsmede haar bedrijfsomschrijving in: ‘het deelnemen in, het financieren van en het voeren van de direktie over andere vennootschappen en ondernemingen, het verlenen van diensten aan en garanties, zekerheden en borgstellingen voor andere vennootschappen en ondernemingen, het beleggen van gelden, het lenen en ter leen verstrekken van gelden, het verkrijgen, exploiteren, huren, vervreemden en bezwaren van onroerende goederen en andere vermogenswaarden.’

1.3. [A] heeft in het kader van de herstructurering voorts drie werkmaatschappijen opgericht, te weten de besloten vennootschappen: [A] Brandstoffen en Exploitatie B.V., [A] Autobedrijf B.V. en [A] Verhuur en Leasing B.V.

1.4. Na voornoemde herstructurering is [B] bij [A] in dienst gebleven als boekhouder, in welke hoedanigheid hij de financiële zaken voor [A] en de onder 1.3 vermelde gelieerde vennootschappen regelde. De overige werknemers van [A] Autobedrijf B.V., behoudens de directie, zijn naar de nieuwe werkmaatschappij met gelijke naam overgegaan.

1.5. [B] droeg in zijn functie onder meer zorg voor de in- en uitschrijving bij het Pensioenfonds van de werknemers van voormelde gelieerde vennootschappen van [A]. Hij heeft zichzelf per januari 1985 laten uitschrijven, nu [A] ingevolge het pensioenreglement van het bedrijfstakpensioenfonds daaraan niet meer kon deelnemen.

1.6. Na daartoe bij beschikking van 27 oktober 2008 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof te hebben verkregen, heeft [B] ten laste van [A] conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand van [A], staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand). Daaraan heeft [B] – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat hij op basis van met [A] in 1985 gemaakte (mondelinge) pensioenafspraken van haar nog een bedrag van € 200.000,-- te vorderen heeft, alsmede dat [A] ten behoeve van [B] een verzekering ter dekking van het WAO/WIA- gat zou afsluiten, uit hoofde waarvan [A] aan [B] nog een bedrag van € 3.500,-- dient te voldoen.

1.7. Bij dagvaarding van 11 november 2008 heeft [B] jegens [A] een vordering ingesteld tot (kort gezegd) nakoming van de op [A] rustende pensioenverplichtingen jegens [B]. [A] heeft in deze zaak onlangs haar conclusie van antwoord genomen.

1.8. Bij dagvaarding van 18 november 2008 heeft [A] in kort geding opheffing van het door [B] gelegde beslag op het bedrijfspand gevorderd. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 29 december 2008 het beslag opgeheven, omdat summierlijk was gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [B] ingeroepen recht dat hij aanspraak had op pensioenopbouw uit hoofde van de beweerde gemaakte pensioenafspraken.

1.9. [B] heeft op 23 januari 2009 wederom verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank tot het doen leggen van conservatoir beslag op het bedrijfspand van [A]. Kort gezegd heeft hij daartoe aangevoerd dat hij recht heeft op afdracht van (achterstallige) pensioenpremies en de premies ter zake van de verzekering voor het WAO/WIA-gat omdat deze verplichting voor [A] bestaat op grond van i) bepalingen uit de Collectieve arbeidsovereenkomst Metaal en Techniek Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf (hierna: de CAO), ii) de verplichtstellingsbeschikkingen, iii) de betwisting van de door [A] veronderstelde afstand van dat recht en iv) gelijke behandeling met de overige werknemers van [A] op grond van goed werkgeverschap.

1.10. Bij beschikking van 26 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend. Op 27 januari 2009 heeft [B] beslag gelegd op het bedrijfspand van [A].

1.11. In de ministeriële beschikking ‘Wijziging verplichtstelling tot deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds; Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek’ (Staatscourant 2007, nr. 209, pag. 11) (hierna: de beschikking) staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…) deelneming in de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek (…) is verplicht gesteld voor: de werknemers in de zin van de Pensioenwet (Wet van 7 december 2006, Staatsblad 2006, 705); directeuren-grootaandeelhouder in de zin van de Pensioenwet (Wet van 7 december 2006, Staatsblad 2006, 705), met uitzondering van die directeuren-grootaandeelhouder op wie de situatie zoals genoemd in 25 sub 5 en sub 7 hieronder van toepassing is, die werkzaam zijn in ondernemingen, in welke, ongeacht de economische functie, uitsluitend of in hoofdzaak één of meer van de hierna onder sub 1 t/m 17 genoemde werkzaamheden worden uitgeoefend.

(…)

11.a. Het verrichten van herstellings- of onderhoudswerkzaamheden – waaronder mede te verstaan het voorzien van automobielen van motorbrandstoffen en/of -smeermiddelen – aan automobielen of auto-onderdelen of –toebehoren, dan wel het stallen, het voor verkoop gereed maken of het wassen van automobielen (automobiel en garagebedrijf).

b. Het verrichten van herstellings- of onderhoudswerkzaamheden – waaronder mede te verstaan het voorzien van motorrijwielen van motorbrandstoffen en/of -smeermiddelen – aan motorrijwielen of motorrijwielonderdelen of -toebehoren, dan wel het stallen van motorrijwielen (motorrijwielreparatiebedrijf).

(…)

22. Onder “werkgever in de Metaal en Techniek” wordt in deze Verplichtstellingsbeschikking verstaan de werkgever bij wie het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij de werkzaamheden zoals uitgeoefend in de in artikel 1 t/m 17 genoemde takken van bedrijf, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf, blijvende bij de hier voren omschreven vergelijking de economische functie van elk der werkzaamheden buiten beschouwing.

23. Onder “werknemer” wordt verstaan degene die in dienst van een werkgever tegen salaris arbeid verricht, tenzij in de hierna volgende artikelen anders is bepaald.

(…)”.

1.12. De CAO luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“ VOORWOORD

1. WERKINGSSFEER

De onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst bevat de regelen welke minimaal in acht moeten worden genomen bij arbeidsovereenkomsten tussen:

a. de werkgever bedoeld in artikel 4b, die lid is van één van de contracterende werkgeversorganisaties (zie achterin);

b. de werknemer bedoeld in artikel 2, die in dienst is van een onder a bedoelde werkgever.

De werkgever als bedoeld in artikel 4b die niet is aangesloten bij één van de contracterende werkgeversorganisaties en de in zijn dienst zijnde werknemer als bedoeld in artikel 2, dienen bij een tussen hen aangegane arbeidsovereenkomst in ieder geval de algemeen verbindend verklaarde bepalingen na te komen.

(…)

I. ALGEMENE BEPALINGEN

WERKGEVER IN DE METAAL EN TECHNIEK

Artikel 4a

Onder "werkgever in de Metaal en Techniek" wordt in deze CAO verstaan de werkgever bij wie het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij de werkzaamheden zoals uitgeoefend in de in artikel 3 genoemde takken van bedrijf, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf, blijvende bij de hier voren omschreven vergelijking de economische functie van elk der werkzaamheden buiten beschouwing.

WERKGEVER IN DE BEDRIJFSTAK

Artikel 4b

Onder "werkgever in de bedrijfstak" wordt in deze CAO verstaan de werkgever bij wie het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers, die betrokken zijn bij de werkzaamheden zoals genoemd in artikel 77, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf in de Metaal en Techniek.

In geval het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers in enige tak van bedrijf in de Metaal en Techniek gelijk is aan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers betrokken bij een andere tak van bedrijf in de Metaal en Techniek, geeft de hoogte van de loonsommen van de betrokken werknemers in de maand januari de doorslag.

(…)

Artikel 69

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

“pensioenfonds”: de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, gevestigd te 's-Gravenhage;

“pensioenreglement”: het pensioenreglement van het pensioenfonds, zoals dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is goedgekeurd;*)

“werknemer”: de persoon bedoeld in artikel 2, die deelnemer is in de zin van het pensioenreglement.

2. Behoudens de in het pensioenreglement genoemde gevallen is de werkgever voor elke werknemer de krachtens genoemde reglement vastgestelde premie verschuldigd. De werkgever heeft voor de helft van de door hem verschuldigde premie recht van verhaal op de werknemer, zulks door middel van inhouding bij elke uitbetaling van het salaris.

Aantekeningen:

(…)

2. Voor de niet georganiseerde werkgever, alsmede voor de bij hem in dienst zijnde werknemers, geldt, op grond van de desbetreffende beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eveneens de verplichting tot deelneming in het pensioenfonds, behoudens de in de beschikking gemaakte uitzonderingen.

(…)

WERKINGSSFEER

Artikel 77

Deze overeenkomst geldt voor werkgevers in de bedrijfstak en werknemers in de tak van het motorvoertuigen- en het tweewielerbedrijf, waaronder wordt verstaan:

a. het herstellen, veranderen, onderhouden, monteren, reviseren of vervangen van een of meer onderdelen of van delen daarvan van motorvoertuigen en/of tweewielers en/of caravans en/of aanhangwagens;

b.1. aan het publiek verkopen van motorvoertuigen en/of tweewielers en/of caravans en/of aanhangwagens, onderdelen of delen daarvan, en/of

b.2. aan het publiek verkopen van motorbrandstoffen en/of smeermiddelen (tankstations);

c. het stallen en/of wassen van motorvoertuigen en/of tweewielers en/of caravans en/of aanhangwagens;

d. het verhuren van motorvoertuigen, en/of tweewielers, en/of caravans en/of aanhangwagens;

e. het takelen en bergen van motorvoertuigen;

(…)”.

1.13. [A] is voornemens om de activiteiten van de besloten vennootschap [A] Autobedrijf B.V en die van zichzelf medio maart 2009 te staken. In dat kader is voor alle werknemers een ontslagaanvraag bij het CWI ingediend en zal het bedrijfspand worden verkocht.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [A] vordert – zakelijk weergegeven – opheffing van het op haar bedrijfspand gelegde conservatoir beslag, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert [A] het volgende aan.

[A] is geen premies verschuldigd voor een pensioen of WAO/WIAgatverzekering ten behoeve van [B]. Noch de CAO, noch de beschikking legt aan [A] de verplichting op om deel te nemen aan het Bedrijfstakpensioenfonds. Bovendien is [B] geen partij bij een eventuele verplichtstellingsbeschikking. Alleen het pensioenfonds kan premiegelden innen van [A].

Voor het doen van afstand van de bedrijfstakpensioenregeling dient eerst vast komen te staan dat die regeling hier van toepassing is, hetgeen, in de visie van [A], niet het geval is. Het beroep op gelijke behandeling kan niet slagen nu de werknemers met wie [B] zich vergelijkt niet in dienst zijn van [A].

Uit dit alles volgt dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van [B], op grond waarvan het beslag opgeheven dient te worden.

2.3. [B] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt een gelegd beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert (in dit geval [A]) om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgeding procedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [B]) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

3.2. Het geschil beperkt zich tot de vraag of [A] op grond van de beschikking dan wel indirect via de CAO, verplicht is, althans was, om ten behoeve van [B] deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds. Ter beoordeling van die vraag is van belang of [A] onder de werkingssfeer valt van de verplichtingstelling van het bedrijfstakpensioenfonds (zie hiervoor onder 1.11) of onder de werkingssfeer van de CAO (zie hiervoor onder 1.12).

3.3. Uit de bedrijfsomschrijving van [A], zoals die blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel, volgt dat [A] een onderneming is die zich, kort gezegd, bezighoudt met beleggingsactiviteiten, zoals vermeld onder 1.2. Daarnaast staat vast dat [B] vanaf 1985 een (voortgezette) arbeidsovereenkomst heeft met [A] en dat zijn werkzaamheden binnen de onderneming van [A] louter administratief van aard zijn. Deze werkzaamheden vallen niet onder de in artikelen 1 tot en met 17 van de beschikking of artikel 77 van de CAO van genoemde bedrijfstakken. Naast [B] is alleen nog de directeur / bestuurder van [A] in dienst van [A]. Gesteld noch gebleken is dat de directeur van [A] werkzaamheden verricht die vallen onder de takken van bedrijf zoals genoemd in de beschikking of de CAO. De stelling van [B] dat [A] op grond van artikel 22 van de beschikking dan wel de artikelen 4a en 4b van de CAO als ‘werkgever in de Metaal en Techniek’ gekwalificeerd dient te worden, treft geen doel. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zien die artikelen op de situatie dat binnen een onderneming uiteenlopende werkzaamheden worden verricht, bijvoorbeeld schoonmakers in dienst bij een garagebedrijf. In een dergelijk geval komt het voor wat betreft het vallen binnen de werkingssfeer van de beschikking of de CAO aan op de kernactiviteit van die onderneming. De omstandigheid dat [B] voornamelijk als boekhouder werkzaamheden verrichtte voor [A] Autobedrijf B.V., die zoals vast staat wel onder het verplichte bedrijfstakpensioenfonds valt, leidt niet als vanzelfsprekend tot de slotsom dat [A] ook onder die verplichte deelneming valt. De werkzaamheden van [B] blijven immers verricht in een andere onderneming met een eigen juridische entiteit.

Vervolgens wordt in aanmerking genomen dat [B] vanaf 1985 wist dat de werknemers van [A], onder wie hij zelf, niet meer bij het Bedrijfstakpensioenfonds aangesloten konden zijn in verband met de bedrijfsomschrijving en activiteiten van de onderneming. Hij heeft bovendien zijn eigen uitschrijving geregeld. Dat het Bedrijfspensioenfonds medio 1990 heeft aangegeven dat de werknemers van [A], ondanks de bedrijfsomschrijving en de te verrichten administratieve activiteiten, wel bij het pensioenfonds aangesloten kunnen worden, brengt nog niet een dergelijke verplichting voor [A] mee. Een en ander wordt ook ondersteund door het feit dat het Pensioenfonds [A] nimmer premienota’s heeft gestuurd voor de bij haar in dienst zijnde werknemers. Het feit dat [A] sommige artikelen uit de CAO, zoals doorbetaling van loon bij arbeidsongeschiktheid, analoog heeft toegepast op de arbeidsovereenkomst van [B], heeft nog niet tot gevolg dat de hele CAO op die arbeidsovereenkomst van toepassing is.

3.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de onderneming van [A] naar voorlopig oordeel niet onder de werkingssfeer van de beschikking of de CAO valt. Het verweer dat [B] betwist afstand te hebben gedaan van de bedrijfstakpensioenregeling behoeft geen bespreking, nu niet is gebleken dat hij recht heeft op toetreding tot dat bedrijfstakpensioenfonds. Evenmin behoeft bespreking het betoog van [A] dat [B] in elk geval gezien de hoogte van zijn salaris niet onder de CAO kan vallen, nu de CAO op hem niet van toepassing is.

3.5. Het beroep van [B] op goed werkgeverschap van [A] op grond van gelijke behandeling van werknemers, gaat niet op nu er geen sprake is van gelijke gevallen. De werknemers die [B] bedoelt zijn immers bij [A] Autobedrijf B.V. in dienst en niet bij [A].

3.6. Al het voorgaande leidt ertoe dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [B] ingeroepen recht, namelijk diens aanspraak op pensioenopbouw op grond van de beschikking, de CAO en goed werkgeverschap. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beslag zal worden opgeheven. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu [A] daar geen belang bij heeft.

3.7. [B] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- heft op het ten laste van [A] gelegde beslag op het bedrijfspand gelegen aan de [adres];

- veroordeelt [B] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [A] begroot op € 1.150,25, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 262,-- aan griffierecht en € 72,25 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2009.

nve