Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4957

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
330688 - KG ZA 09-202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad; Staat aansprakelijk voor handelingen verricht door politiefunctionarissen?; vordering voorschot schadevergoeding afgewezen, onvoldoende onderbouwd; Handelingen Koninklijke Marechaussee onrechtmatig jegens eiser?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2009, 38
JA 2009/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 2 maart 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 330688 / KG ZA 09-202 van:

1. [eiser sub 1]

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats A.],

3. de besloten vennootschap [bedrijf S.] B.V.,

4. de besloten vennootschap [bedrijf S.] Holding B.V.,

5. de commanditaire vennootschap [bedrijf S.] C.V.,

alle statutair gevestigd te [plaats A.],

eisers,

advocaat mr. M.T.M. Koedooder te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Parket-Generaal en de Ministeries van Justitie,

Financiën, Defensie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

Eisers worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser sub 1]', '[eiser sub 2]', '[bedrijf S.] B.V.', '[bedrijf S.] Holding', '[bedrijf S.] C.V.' dan wel gezamenlijk als 'eisers'. Gedaagde zal worden aangeduid als 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 februari 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn echtgenoten van elkaar en beiden bestuurders van [bedrijf S.] Holding. Deze vennootschap is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf S.] B.V. die op 19 april 2007 is opgericht. [bedrijf S.] C.V. is in zakelijk opzicht de voorloper van [bedrijf S.] B.V.

1.2. [eiser sub 1] reist ten behoeve van voornoemde vennootschappen regelmatig naar Suriname, waar enkele zakenrelaties van voornoemde vennootschappen zijn gevestigd.

1.3. Op 11 juni 1994 heeft [eiser sub 1] een proces-verbaal laten opmaken bij de politie te Amsterdam, waarin de persoonsverwisseling tussen hem en ene [C.] is aangegeven.

1.4. [C.] is, naar aanleiding van voormeld proces-verbaal, op 13 juni 1994 verhoord door de politie te Amsterdam. In dat verhoor erkent [C.] de personalia van [eiser sub 1] meermalen te hebben gebruikt bij aanhoudingen door de politie.

1.5. Bij beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 31 mei 2000 is [C.] ongewenst verklaard in Nederland. Hij staat vanaf 21 juli 2000 als ongewenst vreemdeling (OVR) gesignaleerd in diverse informatiesystemen van de Staat.

1.6. Op 15 november 2001 heeft de ABN-AMRO bank in IJsselstein een Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) gedaan, welke melding - kort gezegd - inhield dat een zekere [D.] een bedrag van ƒ 700.000,-- in een kluis had gedeponeerd waarvoor [eiser sub 1] gemachtigde was. Naar aanleiding van deze melding is een gerechtelijk vooronderzoek gestart, hetgeen heeft geresulteerd in een doorzoeking van de woning van [eiser sub 1] door de FIOD-ECD (Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst-Economische Controle Dienst) op 6 oktober 2003 (hierna: het FIOD-onderzoek).

1.7. Op 11 juli 2002 is [C.] in Amsterdam aangehouden voor overtreding van de Opiumwet. Bij zijn aanhouding heeft [C.] de personalia van [eiser sub 1] opgegeven. Op 17 juli 2002 was het de politie duidelijk dat [C.] zich had bediend van de naam [eiser sub 1]. De vervolging van [C.] is desondanks voortgezet onder de naam van [eiser sub 1].

1.8. Bij verstekvonnis van 4 oktober 2002 van de politierechter van de rechtbank te Amsterdam is het aan [eiser sub 1] ten laste gelegde feit bewezen verklaard.

1.9. Een medewerkster van het arrondissementsparket te Amsterdam heeft bij brieven van 17 maart 2003 aan de Centrale Justitiële Documentatie Dienst en aan de regiopolitie Amsterdam/Amstelland meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat de personalia [eiser sub 1] ten onrechte door een ander worden gebruikt. Aan de regiopolitie heeft zij verzocht deze informatie in het HKS-systeem (Herkenningssysteem van de politie) op te nemen en aan de Centrale Justitiële Documentatie Dienst is verzocht de strafzaak met parketnummer 13.041190.02 van de justitiële documentatie van [eiser sub 1] af te halen.

1.10. Het hof te Amsterdam heeft op 11 oktober 2004 het verstekvonnis van 4 oktober 2002 van de politierechter te Amsterdam vernietigd en [eiser sub 1] vrijgesproken. Het hof heeft daartoe overwogen dat ter terechtzitting is aangetoond dat [eiser sub 1] niet de persoon is die - indien bewezen - het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, maar een persoon die [eiser sub 1]'s naam reeds meermalen bij politie en justitie valselijk heeft gebruikt. Deze uitspraak is op 9 juni 2005 onherroepelijk geworden, nadat een daartegen ingesteld cassatieberoep was ingetrokken.

1.11. Medio 2005 is in Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen ene [E.]. In het kader van dit onderzoek is op 9 september 2005 een rechtshulpverzoek aan de Surinaamse autoriteiten verzonden teneinde enkele getuigen te doen horen, onder wie enkele zakenrelaties van [eiser sub 1].

1.12. Naar aanleiding van de bevindingen in het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek tegen [E.] is in Suriname een strafrechtelijk onderzoek gestart naar ene [F.] in verband met verdenking van deelneming aan een criminele organisatie en witwassen. In het kader van dit onderzoek hebben de Surinaamse autoriteiten op 29 mei 2006 een rechtshulpverzoek aan de Nederlandse autoriteiten verzonden teneinde enkele getuigen te doen horen, onder wie [eiser sub 1]. [eiser sub 1] is op 30 augustus 2006 in dat verband gehoord.

1.13. In 2007 heeft de Rijksrecherche een softsignalering uitgevaardigd ten behoeve van [eiser sub 1] met als doel om hem te kunnen horen als getuige in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar een justitiemedewerker. Deze softsignalering is uitgevaardigd omdat de Rijksrecherche ervan uitging dat hij zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verbleef. [eiser sub 1] is vanwege deze signalering op Schiphol aangehouden, waar hij een korte periode is opgehouden. Hij heeft echter zijn reis naar Suriname diezelfde dag kunnen vervolgen. In deze zaak had volstaan kunnen worden met een schriftelijke oproep aan het woonadres van [eiser sub 1].

1.14. De onder 1.10 genoemde uitspraak van het hof Amsterdam is in november 2006, naar aanleiding van een verzoek van de toenmalige advocaat van [eiser sub 1], ingeschreven in de justitiële documentatie van [eiser sub 1].

1.15. Bij vonnis van 27 februari 2006 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Utrecht is [eiser sub 1] in het zogenoemde FIOD-onderzoek veroordeeld voor - kort gezegd - het meermalen opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en het meermalen opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen. Daarnaast is hij vrijgesproken van de hem ten laste gelegde heling van een geldbedrag van ƒ 700.000,--.

1.16. Het hof te Amsterdam heeft [eiser sub 1] bij arrest van 23 mei 2007, zijnde het hoger beroep in het FIOD-onderzoek, vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten, omdat het hof onder andere voor beide feiten het vereiste opzet niet bewezen achtte en omdat het hof uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging is bekomen, dat [eiser sub 1] de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

1.17. [eiser sub 1] heeft eind 2007 bij het Bureau Nationale ombudsman (hierna: de ombudsman) een klacht ingediend tegen het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland, het arrondissementsparket te Amsterdam en de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar). Naar aanleiding van deze klacht heeft de ombudsman de zaak onderzocht en zijn bevindingen vastgelegd in het rapport van 21 oktober 2008. In dit rapport staat, voor zover hier relevant, het volgende:

"(...) Het onderzoek

Ten aanzien van de politie Amsterdam

15. In het kader van het onderzoek brachten twee medewerksters van het Bureau Nationale ombudsman op 26 februari 2008 een bezoek aan de politie Amsterdam. (...)

De politie verstrekte hun algemene informatie over het vastleggen van gegevens. Daartoe werd inzage verschaft in de diverse door de politie gebruikte informatiesystemen, zoals X-Pol, HKS (het Herkenningssysteem van de politie), RDW (Rijksdienst voor het wegverkeer) en COMPAS (het landelijke systeem van het parket). Ook verstrekte de politie algemene informatie over de procedures zoals die zijn neergelegd in de Wet Politiegegevens, voorheen de Wet Politieregisters (zie Achtergrond).

16. Elk regionaal politiekorps is afzonderlijk verantwoordelijk voor de invoer en het verdere beheer van de gegevens in het HKS. Een regionaal politiekorps kan geen gegevens verwijderen die zijn ingevoerd door een ander regionaal politiekorps. Daarom moet iemand die inzage wil in zijn gegevens, dit schriftelijk vragen aan de politie van de betreffende regio. Als de politie dit verzoek honoreert moet men vervolgens schriftelijk vragen om de onjuiste gegevens uit het systeem te verwijderen. Dit is gebaseerd op de Wet politiegegevens, voorheen de Wet politieregisters (zie Achtergrond onder 2.).

17. Op 4 juni 2008 stelde de Nationale ombudsman een aantal vragen aan de korpsbeheerder.

Op 31 juli 2008 antwoordde de korpsbeheerder onder meer het volgende:

Al op 17 juli 2002 was duidelijk dat de betrokkene/verdachte een ander was dan verzoeker, en zich bediende van de naam van verzoeker. Dat desondanks deze registratie op naam van verzoeker is blijven staan, vond de korpsbeheerder onwenselijk en jegens verzoeker ook niet behoorlijk. Hij had er met instemming van kennis genomen dat verzoekers klacht inmiddels heeft geleid tot verwijdering uit het bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland van ten onrechte aan verzoeker toegeschreven strafrechtelijke gegevens. Verder verwees de korpsbeheerder naar de brief van het politiekorps Amsterdam-Amstelland van 10 juli 2008.

(...)

In de brief van 10 juli 2008 geeft de korpsleiding aan dat in het bedrijfsprocessensysteem X-pol van de politieregio Amsterdam-Amstelland (No: "op 10 juli 2008") nog één registratie van verzoeker opgenomen is die betrekking heeft op het bezit van en de handel in harddrugs. Het betreft een registratie naar aanleiding van een incident dat op 11 juli 2002 heeft plaatsgevonden. Gelet op het feit dat bij proces-verbaal van 17 juli 2002 aan de hand van onderzoek van de afdeling Dactyloscopie reeds is vastgesteld dat de op 11 juli 2002 aangehouden verdachte een valse naam heeft opgegeven, zal ook deze registratie bij de naam van verzoeker verwijderd worden. Als gevolg van die verwijdering zal de code harddrugsgebruiker in het HKS van de Koninklijke Marechaussee verwijderd kunnen worden. Naar de reden waarom één en ander niet eerder is gebeurd kan men slechts gissen. Vermoedelijk omdat het dossier niet eerder op deze manier is bestudeerd, en bij de politieregio Amsterdam-Amstelland niet eerder een verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens van of namens verzoeker is ontvangen.

De korpsleiding gaf verder aan dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de regionale HKD-systemen berust bij de politieregio's zelf. De HKS-beheerder heeft tijdens het bezoek van de medewerkers van de Nationale ombudsman toegezegd de overige regio's te benaderen teneinde te bewerkstelligen dat de gegevens van verzoeker uit de HKS worden verwijderd, of althans juist worden weergegeven. Na raadpleging van de Centrale Verwijzingsindex (hierna CVI), die een overzicht geeft van de regionale HKD-systemen, is gebleken dat verzoeker niet meer voorkomt in de HKS van de politie regio Rotterdam-Rijnmond. De politieregio Kennemerland heeft laten weten dat verzoeker geen antecedenten heeft in hun korps. De reden dat de antecedenten van verzoeker zijn opgenomen in de HKS van Kennemerland, is dat verzoeker in die regio woonachtig is en hij wel antecedenten heeft bij de Koninklijke Marechaussee. De politie Kennemerland heeft laten weten dat zij de antecedentgegevens van verzoeker waarbij tevens de persoonlijke gegevens van verzoeker zijn openomen, zullen verwijderen. De antecedenten die verzoeker bij de Koninklijke Marechaussee heeft gaan zij handmatig in de HKS opnemen met een mededeling dat C. de persoonsgegevens van verzoeker veelvuldig misbruikt.

De Koninklijke Marechaussee heeft op verzoek van de Nationale ombudsman aan de politie Amsterdam laten weten dat de gevarenclassificatiecode stond gekoppeld aan een art. 184-zaak (niet voldoen aan een ambtelijk bevel) en dat zij deze code inmiddels hebben verwijderd. Uit raadpleging van CVI door de politie is dit inderdaad gebleken.

(...)

Ten aanzien van het arrondissementsparket Amsterdam

18. In het kader van het onderzoek brachten twee medewerksters van het Bureau Nationale ombudsman op 22 april 2008 een bezoek aan een medewerker op de afdeling Maatwerk van het arrondissementsparket te Amsterdam. Deze medewerker heeft tot taak het afhandelen van klachten over de politie. Verzoeker was uiteindelijk bij deze medewerker terechtgekomen met zijn verzoek om informatie, omdat hij wilde weten waarom hij was aangehouden in de strafzaak tegen de verdachte justitiemedewerkster. Deze medewerker heeft zich in verzoekers zaak verdiept, en heeft, hoewel dit verder ging dan zijn eigenlijke taak was, contact opgenomen met de politie Amsterdam. Dit resulteerde eind november 2007 in de verwijdering van een aantal antecedenten van C. van verzoekers naam en de gevarenclassificatie 02 uit het register van de politie Amsterdam.

Tijdens dit gesprek kwam naar voren dat het voor de betrokkene zelf inderdaad bijna onmogelijk is om zijn justitiële gegevens te laten verwijderen. Dit kan eigenlijk alleen als de alias (in dit geval C.) erkent dat hij een valse naam heeft opgegeven. Ook werd tijdens dit bezoek inzage verschaft in het informatiesysteem van het parket: COMPAS.

Ten aanzien van de Koninklijke Marechaussee

(...)

20. In het kader van het onderzoek brachten twee medewerksters van het Bureau Nationale ombudsman op 10 maart 2008 een bezoek aan de Koninklijke Marechaussee.

Ook van de Koninklijke Marechaussee kregen zij algemene informatie met betrekking tot de gegevensverwerking, en werd inzage gegeven in het geautomatiseerde informatiesysteem van de Koninklijke Marechaussee.

Hierin staat de gevarenclassificatiecode 02 gekoppeld aan verzoekers gegevens. Ook is toegevoegd het alias van C. met daarbij de mededeling: "geen actie". C. had 41 zaken op zijn naam. Ook komt verzoeker voor in drie politieregio's (waaronder Amsterdam).

De Koninklijke Marechaussee deelde op vragen van de medewerksters het volgende mee:

Het is juist dat door de gevarenclassificatiecode verzoeker op 1 juni 2007 problemen heeft gekregen op Schiphol met de verlenging van zijn Priviumpas. Als er ten aanzien van C. in de toekomst wel actie zou worden gevraagd, hetgeen gezien de levenswandel van C. niet geheel denkbeeldig is, heeft dit voor verzoeker gevolgen. Als hij dan via Schiphol wil uitreizen, is de Koninklijke Marechaussee genoodzaakt een en ander nader uit te zoeken op het afhandelingkantoor. Dit kan niet aan de balie omdat dit niet eenvoudig en snel kan worden uitgezocht, en de rij wachtende personen dan te lang wordt opgehouden.

(...)

Verzoeker heeft op 12 juni 2007 verzocht om verwijdering van zijn gegevens uit het systeem. Daarop heeft de Koninklijke Marechaussee verzoeker op 12 augustus 2007 verwezen naar de regionale politiekorpsen Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond, omdat de signaleringen afkomstig zijn van deze politiekorpsen. Verzoeker zou per politieregio moeten vragen of hij in de systemen staat en vervolgens moeten verzoeken om verwijdering. Dit wordt gemeld aan de registerbeheerder volgens het Landelijk Afsprakenboek HKS.

21. Op 3 juli 2008 zond het Ministerie van Defensie het volgende bericht aan de Nationale ombudsman:

De politie Amsterdam heeft in samenwerking met het parket Amsterdam de registraties in de politiesystemen nogmaals volledig bekeken en heeft ook de vingerafdrukken in die dossiers vergeleken. In een groot aantal zaken is geconstateerd dat inderdaad sprake was van een persoonsverwisseling. De politiesystemen in Amsterdam zijn naar aanleiding daarvan aangepast. Omdat veel gegevens worden gedeeld met andere politieregiokorpsen, heeft de politie Amsterdam deze korpsen en ook de Koninklijke Marechaussee gevraagd om de gegevens te corrigeren. In de systemen van de Koninklijke Marechaussee komt verzoeker een aantal keren voor. Dit betreft geringe feiten zoals belediging, die verzoeker zelf heeft gepleegd. Deze feiten zijn gepleegd naar aanleiding van controles en oponthoud op Schiphol omdat verzoeker zijn ongenoegen heeft geuit over de signaleringen die de politie op zijn naam had staan. De gevarenclassificatiecode 02 is nu verwijderd uit het register van de Koninklijke Marechaussee.

22. Op 17 juli 2008 zond de Koninklijke Marechaussee desgevraagd het volgende bericht aan verzoeker: Naar aanleiding van verzoekers brief van 12 juni 2007 had de Koninklijke Marechaussee hem op 22 augustus 2007 geadviseerd zijn verzoek te richten aan de korpsbeheerders van de politiekorpsen Rotterdam-Rijnmond en Amsterdam-Amstelland.

Inmiddels heeft de politie Amsterdam-Amstelland de Koninklijke Marechaussee (de brigade Centrale Recherche en Informatie) er van op de hoogte gesteld dat zij een identiteitsonderzoek hebben ingesteld waarbij is vastgesteld dat er inderdaad sprake is van een persoonsverwisseling. De politie heeft de Koninklijke Marechaussee verzocht de bijbehorende antecedentengegevens en gevarenclassificatie te corrigeren. Op 19 juni 2008 zijn de noodzakelijke aanpassingen doorgevoerd en is de gevarenclassificatiecode 02 uit het systeem verwijderd.

(...)

II. Beoordeling

Inleiding

(...)

27. Uit het onderzoek is vast komen te staan dat verzoeker ten onrechte veel antecedenten van de drugsverslaafde C. op zijn naam had staan. De oorzaak van deze foutieve informatie over verzoeker is gelegen in het feit dat de drugsverslaafde C. in zijn diverse contacten met de politie als verdachte van strafbare feiten regelmatig verzoekers personalia heeft opgegeven. De politie heeft deze gegevens niet altijd afdoende geverifieerd. Een daadwerkelijke verificatie van de opgegeven persoonsgegevens is immers slechts mogelijk door het afnemen van vingerafdrukken en foto's. Het gevolg is dat verzoeker zonder dat hij dit wist in de diverse informatiesystemen als veelpleger vermeld stond en hij een uitgebreide justitiële documentatie op zijn naam heeft opgebouwd, zeker ook omdat hij voor een aantal strafbare feiten bij verstek is veroordeeld.

28. Op het ogenblik wordt er naar gestreefd om een aangehouden verdachte direct zijn eventuele dagvaarding in persoon mee te geven. Mocht de verdachte dan niet ter terechtzitting verschijnen is het in ieder geval mogelijk voor de rechter om direct bij verstek te veroordelen. Alhoewel dit een beduidende efficiencyslag heeft opgeleverd voor het justitiële apparaat is te zien aan de klacht van verzoeker dat een solide vaststelling van de identiteitsgegevens van de verdachte alvorens hem de dagvaarding in persoon uit te reiken van immens belang is. Als de dagvaarding in persoon wordt uitgereikt aan C. die zich voor verzoeker heeft uitgegeven, is verzoeker immers niet op de hoogte van deze dagvaarding op zijn naam en daardoor niet in staat zich in eerste aanleg ten overstaan van de rechter te verdedigen. Als C. vervolgens op deze zitting verstek laat gaan, kan het gebeuren dat verzoeker zonder dat hij dit weet bij verstek wordt veroordeeld voor het strafbare feit waar C. de verdachte in was. Bij een onherroepelijke veroordeling is dan de enige weg die nog voor verzoeker openstaat het verzoeken van herziening van het rechterlijk oordeel. Daarbij ligt de bewijslast bij verzoeker en dient hij aan te tonen dat hij ten onrechte is veroordeeld omdat een ander zijn naam valselijk heeft gebruikt.

29. Het is verzoeker en diens successievelijke advocaten bovendien ook niet gelukt zijn naam te laten schonen bij de diverse bestuursorganen. (...)

SLOTBESCHOUWING

"Kafka" en Kafkaësk zijn typeringen voor de ellendige positie van iemand die vanwege onbekende beschuldigingen persoonlijk en maatschappelijk ernstig in de problemen komt. Het woord Kafka wordt vaak gebruikt om het optreden van de overheid te kenschetsen en daarmee is het een cliché aan het worden. In dit onderzoek over de ernstige gevolgen van een jaren durende identiteitsfraude is de verwijzing naar Kafka echter volledig op zijn plaats.

(...)

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland, het arrondissementsparket te Amsterdam en de Koninklijke Marechaussee te Schiphol, is gegrond wegens strijd met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

AANBEVELING

De Nationale ombudsman geeft de minister van Justitie in overweging om met verzoeker aan tafel te gaan zitten om zich volwaardig te verontschuldigen, en hem te compenseren voor het leed dat hij heeft ondergaan.

(...)".

1.18. In een ongedateerde voorlopige rapportage van het bedrijf '[bedrijf V.]', opgesteld door de heer [G.] AA CB, staat voor zover van belang, het volgende:

"(...) Vanwege geruchten (2003) maar vooral ook vanwege diverse acties door de overheid (FIOD/Marechaussee, politie Amsterdam e.o.) is zijn [[eiser sub 1]'s; voorzieningenrechter] reputatie zodanig beschadigd dat dit direct gevolgen heeft en had voor zijn zakelijke activiteiten. Deze acties en gebeurtenissen worden in de Rapportage van de Nationale Ombudsman haarfijn uit de doeken gedaan (rapportnummer; 2008/132).

(...)

Voorlopige uitwerking

Vooruitlopend om de uiteindelijke rapportage betreffende de geleden materiële schade stellen wij een aantal posten (bijlage 1)op een rij. (...)".

In bijlage 1 staan onder andere de volgende voorbeelden van schadeposten:

"(...) op 19 november 2003 liep [bedrijf S.] CV vanwege een aanhouding door de marechaussee als 'ongewenst vreemdeling'. Deze aanhouding resulteerde in enige uren vasthouden met als gevolg dat de deelname tot aanbesteden werd uitgesloten. De marge enkel op deze bidding bedroeg grofweg $ 315.000,-. In 2006 liep [bedrijf S.] een 'contract' mis vanwege het feit dat het systeem zijn aanbod niet accepteerde vanwege specifieke justitiële informatie. (...) Als voorbeeld noemen wij nog een 'bidding' die misliep en waarover een marge werd vastgesteld van 48% leidende tot een nettowinst van ruim € 345.000,-. Niet alleen de desbetreffende 'bidding' liep [bedrijf S.] CV mis maar ook de mogelijkheid mee te mogen doen met toekomstige.

(...)

Op 6 oktober 2003 liep [bedrijf S.] CV een belangrijke order mis vanwege een onverwachte FIOD-inval. De nog openstaande offerte kon niet worden verstuurd en de deadline verstreek. Hierdoor liep [bedrijf S.] CV een omzet mis van ruim € 900.000 met een marge van 40%; per saldo dus een schadepost van € 360.000,-.

Uiteindelijk zijn de zakelijke banden met dit bedrijf verbroken vanwege eerder genoemde onrechtmatige overheidsacties. (...)

Havenbeheer: meerdere projecten heeft [bedrijf S.] voor dit bedrijf uitgevoerd. Hier liep ook een project die uiteindelijk niet is uitgevoerd betreffende een generatorpark. Totale omzet van dit project bedroeg € 300.500,- ; de verdienste op dit project zou grofweg € 60.000,- bedragen. Ook dit project is afgeketst (uiteindelijk uitgesloten van deelname).

(...)".

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat:

I. primair: te veroordelen tot betaling binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis aan eisers van een voorschot op schadevergoeding ten bedrage van € 300.000,-- vanwege door [bedrijf S.] B.V. geleden vermogensschade en een bedrag van € 100.000,-- aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gezamenlijk in verband met geleden immateriële schade;

subsidiair: te gebieden de aanbevelingen uit het rapport van de ombudsman op te volgen, inhoudende compensatie van de door eisers geleden (im)materiële schade;

meer subsidiair: die voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;

II. te gebieden om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verstrekken een schriftelijke, volledige opgave van alle hen betreffende politiegegevens, justitiële en strafvorderlijke gegevens, die in de justitiële documentatie en in de persoonsdossiers bij alle betrokken beheerders van registers zijn vastgelegd, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. te gebieden om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te verstrekken een schriftelijke, volledige opgave van alle hen betreffende politiegegevens, justitiële documentatie en/of persoonsdossiers met justitiële en strafvorderlijke gegevens van [C.] en/of andere derden, uitsluitend voor zover daarin de naam en identiteitsgegevens en/of kentekens van aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] behorende auto's zijn opgenomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IV. te gebieden de diverse beheerders van politiegegevens en justitiële gegevens binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis voor eigen rekening de opdracht te geven alle informatie van eisers uit de registers te verwijderen en verwijderd te houden voor zover die informatie wordt verbonden aan feiten van [C.], en eisers binnen vijf dagen nadien de wijzigingen uitgebreid schriftelijk te bevestigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. te gebieden binnen zeven dagen na de betekening dit vonnis een paginagrote rectificatie te plaatsen in de zaterdageditie van de Surinaamse krant 'De Ware Tijd', alsmede in de 'Volkskrant', met de tekst zoals die in de dagvaarding is opgenomen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2. Daartoe voeren eisers het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig jegens eisers door onjuiste gegevens over [eiser sub 1] in de diverse registers niet, althans niet spoedig, te verwijderen, ondanks meerdere verzoeken daartoe. In die registers staan achter de naam van [eiser sub 1] verscheidene drugsantecedenten vermeld, alsmede de gevarenclassificatiecode 2, terwijl die antecedenten evident zijn toe te schrijven aan [C.]. De gevarenclassificatie is het gevolg van die antecedenten. Dit heeft geleid tot hinderlijke incidenten, zoals het onnodig aanhouden en/of ophouden van [eiser sub 1] op Schiphol door de KMar, een FIOD-onderzoek dat met veel machtsvertoon is begonnen en jaren heeft geduurd en het verstrekken van uiterst beschadigende informatie over [eiser sub 1] bij de Nederlandse en Surinaamse zakenrelaties van [eiser sub 1]. De verstrekking van onjuiste informatie is gebeurd in de strafrechtelijke onderzoeken van [E.] en [F.] (zie hiervoor onder 1.11 en 1.12).

De drugsantecedenten zijn op naam van [eiser sub 1] komen te staan doordat [C.] zijn identiteitsgegevens vanaf in ieder geval 1994 heeft misbruikt bij aanhoudingen door de politie. De ombudsman heeft de klacht van [eiser sub 1] tegen de politie, het parket en de KMar gegrond verklaard, omdat zij in strijd hebben gehandeld met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 1]. Hieruit blijkt het onrechtmatige handelen van de Staat. De accountant van eisers heeft een schadeberekening gemaakt waaruit blijkt dat [bedrijf S.] B.V. voor bijna vier miljoen euro aan schade heeft geleden. Thans wordt slechts minder dan 10% als voorschot gevorderd.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Staat heeft als verstrekkendst verweer aangevoerd dat [bedrijf S.] Holding, [bedrijf S.] C.V. en [eiser sub 2] niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vorderingen. De voorzieningenrechter volgt dit verweer. Ten aanzien van [bedrijf S.] Holding en [bedrijf S.] C.V. is gesteld noch gebleken dat zij schade hebben geleden door het beweerde onrechtmatig handelen van de Staat. De ingestelde vordering ter zake een voorschot op materiële schadevergoeding ziet immers alleen op door [bedrijf S.] B.V. geleden vermogensschade. De omstandigheid dat [bedrijf S.] Holding bestuurder is van [bedrijf S.] B.V. maakt haar nog geen partij in deze zaak. Daarnaast is onduidelijk of [bedrijf S.] C.V. thans nog een bestaande juridische entiteit is, nu eisers hebben gesteld dat [bedrijf S.] C.V. de voorloper is van [bedrijf S.] B.V. Wat betreft het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding voor [eiser sub 2] heeft te gelden dat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de Staat inderdaad onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld, die handelwijze [eiser sub 2] niet (direct) heeft geraakt. Het is [eiser sub 1] die de gestelde hinder ondervindt en niet [eiser sub 2], althans daarvan is niets gebleken.

3.2. Voor wat betreft de primaire vorderingen onder I. van eisers tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, wordt vooropgesteld dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Vervolgens dient hier in aanmerking te worden genomen dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis(sen) waarop de aansprakelijkheid van de Staat rust, dat die schade hem, als gevolg van deze gebeurtenis(sen), kan worden toegerekend. Nog daargelaten of voldoende gebleken is van het beweerde onrechtmatig handelen van de Staat, heeft [bedrijf S.] B.V. het causaal verband, tussen het niet gegund krijgen van verscheidene opdrachten en de gestelde geleden vermogensschade, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zo wordt in bijlage 1 van de voorlopige rapportage, deels weergegeven onder 1.18, gesteld dat [bedrijf S.] B.V. is uitgesloten van deelneming aan een aanbesteding, maar het enkele deelnemen daaraan leidt nog niet als vanzelfsprekend tot gunning van de opdracht. Ditzelfde geldt voor het indienen van een offerte voor een opdracht. Daarnaast is de hoogte van het gevorderde voorschot op schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft [eiser sub 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, als al sprake is van reputatieschade, dat het gevolg is van gedragingen van de Staat in verband met na te noemen handelingen van de politie. Dat politieambtenaren tijdens de verhoren van zakenrelaties van [eiser sub 1] in de zaak [E.], hiervoor vermeld onder 1.11, onrechtmatige uitlatingen over [eiser sub 1] hebben gedaan vindt geen steun in de overgelegde processen-verbaal van die verhoren. In het strafrechtelijke onderzoek van [F.] zijn de zakenrelaties van [eiser sub 1], blijkens de processen-verbaal, enkel gehoord door Surinaamse politieambtenaren. De handelingen van deze ambtenaren kunnen echter niet worden toegerekend aan de Staat. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat [eiser sub 1] is aangehouden, dan wel is staande gehouden, in het bijzijn van zijn zakenrelaties, op basis waarvan hij reputatieschade zou hebben geleden. De primaire vorderingen onder I. zullen derhalve worden afgewezen.

3.3. Toewijzing van de overige vorderingen onder I. is slechts mogelijk indien voldoende aannemelijk is dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld. Daartoe hebben eisers onder meer als incidenten aangevoerd i) de handelwijze van de politie(regio's), ii) de handelwijze van de KMar als gevolg van onder andere de OVR-melding, iii) het FIOD-onderzoek en iv) de onjuiste registraties in de justitiële documentatie van [eiser sub 1]. De enkele omstandigheid dat de ombudsman de klacht van [eiser sub 1] gegrond heeft verklaard, levert nog niet onmiddellijk een onrechtmatige daad op aan de zijde van de Staat. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

i) De handelwijze van de politie(regio's)

3.4. De voorzieningenrechter volgt de Staat in zijn verweer dat hij niet aansprakelijk is voor handelingen verricht door een regionaal politiekorps, althans door een daar werkzame politieambtenaar. Op grond van artikel 21 lid 4 van de Politiewet 1993 heeft elke politieregio rechtspersoonlijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de regio zelf aansprakelijk is voor de schade, en die schade dient te dragen, die bij de regio werkzame politieambtenaren in de uitoefening van hun functie onrechtmatig aan derden toebrengen. In dit verband is het arrest van de Hoge Raad van 25 september 1992 (NJ 1994, 767) nog steeds actueel. Een uitzondering daarop dient evenwel te worden aanvaard in gevallen waarin de fout van de regiopolitie het gevolg is van een onjuiste aanwijzing van het Openbaar Ministerie; in dergelijke gevallen is de Staat (mede)aansprakelijk voor de schade.

[eiser sub 1] heeft tegen dit verweer onvoldoende ingebracht waaruit een eventuele aansprakelijkheid van de Staat volgt. Het feit dat op de website van de Staat (www.justitie.nl) staat vermeld dat de politie in Nederland valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, is onvoldoende voor het scheppen van aansprakelijkheid voor de Staat. Dit geldt evenzo voor het door eisers bedoelde arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004 (NJ 2005, 391) waarin de gemeente medeaansprakelijk wordt gehouden voor de schade op grond van het feit dat de burgemeester als korpsbeheerder het gezag heeft over de regiopolitie. Deze situatie ziet op de (mede)aansprakelijkheid van de gemeente, die immers een eigen publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid bezit, naast die van de regio zelf, terwijl deze gezagsverhouding -anders dan de door eisers bedoelde verantwoordelijkheid van de Staat - verankerd is in de artikelen 23 e.v. van de Politiewet 1993. Los van de vraag of door politieambtenaren van enkele regionale politiekorpsen onrechtmatig is gehandeld door het doen van een onnodige softsignalering en het onjuist informeren van zakenrelaties van [eiser sub 1], leidt het voorgaande tot de slotsom dat, hoe kafkaësk het volgens het rapport van de ombudsman wellicht ook is, de Staat niet aansprakelijk is voor handelingen verricht door de verscheidene politieregio's. Voor het vergoeden van eventuele (im)materiële schade dienen [eiser sub 1] en [bedrijf S.] B.V. zich te wenden tot de desbetreffende politieregio. Overigens blijkt uit het rapport van de ombudsman dat na raadpleging van de Centrale Verwijzingsindex (CVI) naar voren is gekomen dat [eiser sub 1] niet meer in de HKS-systemen van de regio's Rotterdam/Rijnmond en Amsterdam/Amstelland voorkomt. Het een en ander leidt tot de slotsom dat de vorderingen onder II., III. en IV., voor zover deze zien op het verstrekken van gegevens uit de politieregisters, dienen te stranden.

3.5. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de Staat, ondanks het gebrek aan directe zeggenschap over de politieregio's, bereid is elke politieregio aan te schrijven met het verzoek het politieregister te schonen wat betreft onjuiste antecedenten van [eiser sub 1]. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de Staat dit aanbod gestand doet.

ii) De handelwijze van de KMar als gevolg van onder andere de OVR-melding

3.6. De handelwijze van de KMar ziet op de extra controles die [eiser sub 1] op onder meer Schiphol moet ondergaan. Deze extra controles zijn voornamelijk terug te voeren op de onjuiste registraties van [eiser sub 1] in de HKS-systemen van de desbetreffende politieregio's. Gesteld noch gebleken is dat de KMar invloed heeft op wat in die systemen staat vermeld. De KMar kan dan ook niet aansprakelijk gehouden worden voor de gevolgen die ontstaan zijn door deze onjuiste registraties. Met betrekking tot de OVR-melding wordt overwogen dat [eiser sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst geregistreerd staat als ongewenst vreemdeling. Vast staat dat [C.] sinds juli 2000 als zodanig geregistreerd staat. Nu [C.] zich klaarblijkelijk bedient van de alias '[eiser sub 1]', staat die naam wel als alias geregistreerd bij zijn registraties. Deze registratie is alleszins begrijpelijk, nu die strekt ter voorkoming van het betreden van het Nederlandse grondgebied door [C.]. Dat [eiser sub 1] tijdens het reizen naar het buitenland via onder andere Schiphol daarvan hinder ondervindt, is volstrekt aannemelijk. Het is aan de Staat om zorg te dragen dat die hinder voor [eiser sub 1] tot een minimum beperkt wordt, hetgeen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op redelijk eenvoudige wijze zou moeten kunnen geschieden. De voorzieningenrechter nodigt de Staat uit om daarover met [eiser sub 1] in gesprek te gaan.

iii) Het FIOD-onderzoek

3.7. Voor het vaststellen of de Staat in het FIOD-onderzoek een onrechtmatige overheidsdaad heeft gepleegd, dient het volgende als uitgangspunt te worden genomen. Zo uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak niet van de onschuld van de verdachte en derhalve van het ongefundeerd zijn van de verdenking blijkt, is de verdachte voor het verkrijgen van schadevergoeding ter zake van het gebruik van strafvorderlijke dwangmiddelen aangewezen op de mogelijkheden die de artikelen 89-93, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering hem bieden. Hieruit vloeit voort dat degene van wiens onschuld niet uit het strafvorderlijk onderzoek blijkt, een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat voor de burgerlijke rechter zal moeten gronden op andere feiten dan het enkele gebruik van een dwangmiddel op grond van een verdenking die achteraf ongefundeerd is gebleken.

3.8. De Staat heeft zich verweerd met de stelling dat het FIOD-onderzoek was gebaseerd op de MOT-melding van 15 november 2001, die kort gezegd inhield dat een zekere [D.] een bedrag van ƒ 700.000,-- in een kluis had gedeponeerd waarvoor [eiser sub 1] gemachtigde was. Vast staat dat in deze zaak geen sprake is geweest van een persoonsverwisseling met [C.] of een ander. De MOT-melding zag derhalve op [eiser sub 1] zelf. Gezien de hoogte van het bedrag, ƒ 700.000,-- in contanten, is het alleszins begrijpelijk dat daarnaar nader onderzoek is gedaan door middel van een gerechtelijk vooronderzoek. Dat door de onjuiste gevarenclassificatiecode 2 de doorzoeking van de woning van [eiser sub 1] is ondersteund door planmatig opgeleide vuurwapendragers, een zogenoemd arrestatieteam, leidt nog niet tot de slotsom dat er onrechtmatig is gehandeld. Het hof Amsterdam heeft in die strafzaak al geoordeeld dat de doorzoeking wellicht minder ingrijpend zou zijn geweest als de gevarenclassificatiecode buiten beschouwing was gelaten, maar dat hier geen sprake is geweest van handelen in strijd met fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Daarnaast heeft [eiser sub 1] niet gesteld dat uit het strafdossier evident blijkt dat hij onschuldig is. Dit blijkt evenmin uit het arrest van het hof, waarin deze oordeelt dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen hem niet de overtuiging is bekomen, dat [eiser sub 1] de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Het voorgaande brengt, gezien het onder 3.7 vermelde criterium, mee dat onvoldoende is gebleken van onrechtmatig handelen van de Staat in het FIOD-onderzoek.

iv) De onjuiste registraties in de justitiële documentatie van [eiser sub 1]

3.9. De Staat heeft erkend dat twee veroordelingen ten onrechte in de documentatie van [eiser sub 1] terecht zijn gekomen, maar dat deze thans daaruit zijn verwijderd. Dit wordt ondersteund door het rapport van ombudsman, deels weergegeven onder 1.17. Daarnaast heeft de Staat toegegeven dat de vrijspraak van [eiser sub 1] in de strafzaak voor het hof Amsterdam van 11 oktober 2004 pas twee jaar na uitspraakdatum is ingeschreven in de justitiële documentatie. [eiser sub 1] heeft gesteld dat hij daardoor in december 2006 geen verklaring van geen bezwaar heeft kunnen verkrijgen voor de oprichting van [bedrijf S.] B.V. en [bedrijf S.] Holding, vanwege de verstekveroordeling in eerste aanleg in 2002. Dit is wellicht nalatig geweest van de Dienst Justitiële Informatie van de Staat, maar deze late inschrijving heeft hooguit voor vertraging gezorgd in de oprichting van de vennootschappen. Vast staat immers dat [eiser sub 1] kort na 26 januari 2007 alsnog de verklaringen heeft ontvangen en dat de vennootschappen thans zijn opgericht. Niet gebleken is dat een van de vennootschappen daardoor schade heeft geleden.

3.10. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser sub 1] heeft gehandeld. Dit brengt mee dat de grondslag voor hetgeen onder I. (meer) subsidiair, II., III., IV. en V is gevorderd, ontbreekt. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de door de Staat aangeboden coulancebetaling van € 5.000,-- billijk is, in het licht van de door [eiser sub 1] ondervonden hinder met betrekking tot de handelingen van de KMar, zoals overwogen onder 3.6, en de nalatigheid van de Dienst Justitiële Informatie ten aanzien van de registraties in de justitiële documentatie van [eiser sub 1], zoals overwogen onder 3.9.

3.11. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser sub 2], [bedrijf S.] Holding en [bedrijf S.] C.V. niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

- wijst de vorderingen van [eiser sub 1] en [bedrijf S.] B.V. af;

- veroordeelt eisers om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.078,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 262,-- aan griffierecht, aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat eisers bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2009