Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4721

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 19791
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BJ5780, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / 1F Vluchtelingenverdrag / lidmaatschapsstadia Baath-partij / functie van Rafiq

Uit het algemeen ambtsbericht, zoals aangevuld in de brief van 28 februari 2003, blijkt dat binnen de Baath-partij een systeem van rangen bestaat dat zich laat vergelijken met een strikt hiërarchisch militair stelsel. Er zijn vijf verschillende rangen. Alvorens men het lidmaatschap daadwerkelijk verkrijgt, wordt onderscheid gemaakt tussen vier gradaties van kandidaatlidmaatschap. De rechtbank stelt vast dat eisers functie van Rafiq niet in genoemde lijst uit het algemeen ambtsbericht voorkomt. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kwalificatie behorend bij een volwaardig lid (oudu’amil) één op één geldt voor de functie van Rafiq. De enkele verwijzing naar een lijst afkomstig van het BAFI, waarvan de status onduidelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Daarnaast staat op de lijst afkomstig van het BAFI bij de term Rafiq vermeld “Genosse (mitglied)”. De rechtbank vermag evenmin in te zien hoe verweerder op basis hiervan kan concluderen dat Rafiq een volwaardig lid is, terwijl een vergelijking met de lijst in het Algemeen ambtsbericht bijvoorbeeld ook gelijkstelling met kandidaatlid (murashah lil ‘Adwiyya) kan rechtvaardigen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers “personal participation” afdoende aannemelijk is gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat verweerder ten onrechte het faciliteren van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een draagkrachtige motivering en kan om die reden in rechte geen stand houden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage, zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 08 / 19791 BEPTDN

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[naam 1] , eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 mei 2008.

Kenmerk: [-] .

V-nummer: [-] .

I. PROCESVERLOOP

Tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft eiser tijdig beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingesteld bij deze rechtbank. De gronden waarop het beroep berust zijn ingediend bij brief van 26 juni 2008.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 27 januari 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te Sittard.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door [naam 2], ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie. Tevens was aanwezig T. Sharaf als tolk.

II. OVERWEGINGEN

Eiser, geboren op 1 januari 1974, heeft de Iraakse nationaliteit. Op 15 juli 2003 heeft hij een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), te verlenen. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft verweerder die aanvraag afgewezen.

Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 31, eerste lid juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Verweerder heeft daartoe overwogen dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F), onder a en b, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: Vluchtelingenverdrag), aangezien de ‘knowing participation’ en ‘personal participation’ van eiser ten aanzien van marteling, mishandeling, wederrechtelijke gevangenneming, gedwongen verwijdering, moord, doodslag en buitengerechtelijke executies is vastgesteld.

In beroep heeft eiser – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

Eiser stelt dat zijn lidmaatschap van de Baath-partij gedwongen was omdat hij zonder lidmaatschap zijn studie niet kon volgen. Eiser heeft vanuit zijn functie als Rafiq geen misdrijven tegen de mensheid gefaciliteerd. Eiser heeft eenmaal deelgenomen aan het bij toerbeurt bewaken van het partijgebouw en hij heeft eenmaal aan de autoriteiten gemeld dat een buurman verdwenen was, waarbij eiser eerst de buurman in kennis had gesteld van het feit dat hij hem zou melden bij de autoriteiten zodat de buurman de kans had te vluchten. Eiser is van mening dat er geen sprake is van 1F-handelingen en dat er geen “serious reasons for considering” zijn. Verweerders standpunt is niet zorgvuldig geformuleerd.

Eiser was belast met het innen van contributies van partijleden en gaf de absentielijst door; de afwezigen werden echter niet op basis hiervan onderworpen aan schending van mensenrechten. In Irak was een totalitair regime waaraan burgers zich niet konden onttrekken. Verweerder heeft te snel onterechte conclusies getrokken.

Eiser maakte geen deel uit van een select gezelschap van de Baath-partij; de door verweerder genoemde activiteiten maakten deel uit van de taken van de geheime dienst, waartoe eiser niet behoorde. Eiser heeft daarnaast twee weken in detentie doorgebracht, hetgeen niet gebruikelijk was bij selecte leden van de Baath-partij.

Eiser handhaaft zijn stelling dat hij bij gedwongen terugkeer het risico loopt slachtoffer te worden van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag. Eiser vreest bij gedwongen terugkeer wraak van de zijde van familieleden van een voormalige handelspartner zonder overheidsbescherming. Te meer nu hij lid is geweest van de Baath-partij en zijn broer reeds vermoord is; de achtergrond hiervan is niet officieel bekend maar eiser gaat uit van een wraakactie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien – voor zover hier van belang – internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Op grond van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag is van vluchtelingschap sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet kan worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.

Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

Ingevolge artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, voor zover thans van belang, zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

Volgens paragraaf C4/3.11.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) acht verweerder het aan hem om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag valt.

Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, past verweerder de ‘personal and knowing participation test’ toe. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf of de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij hieraan op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder persoonlijke deelname wordt daarbij niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Van een wezenlijke bijdrage is sprake, indien de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf te voorkomen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1 (F), onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven. De rechtbank stelt hierbij voorop dat, ingevolge paragraaf 149 van het UNHCR Handbook on Procedures en Criteria for Determining Refugee Status en bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag restrictief dient te worden uitgelegd. Dit brengt met zich dat de motivering van verweerders conclusie dat dit artikel van toepassing is aan hoge eisen moet voldoen.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser werkzaam is geweest voor de Baath-partij in de functie van Rafiq, gedurende de periode van 9 september 1999 tot 23 juli 2001, te Mosul in Irak.

Uit het algemeen ambtsbericht Centraal-Irak van de Minister van Buitenlandse Zaken van november 2002 (DPV/AM-746852) blijkt dat de Baath-partij toezicht hield op vrijwel alle geledingen van de Iraakse samenleving. Grondwettelijk was vastgelegd dat de Baath-partij Irak regeerde. De partij had staatsorganen onder partij-invloed gebracht en schiep een kader van loyale officieren in organen van de strijdkrachten, politie en veiligheidsdiensten. In het algemeen wordt bij buitengerechtelijke executies of moorden uitgegaan van betrokkenheid van één of meer geheime diensten en van speciale afdelingen van de Baath-partij. De scheiding tussen geheime diensten enerzijds en (para)militaire, speciale afdelingen van ministeries, politie, Baath-partij en dergelijke anderzijds is niet altijd duidelijk. Om toe te treden tot het zeer selecte gezelschap van ‘volwaardige leden’ van de Baath-partij dient men zijn loyaliteit aan het bewind nadrukkelijk te hebben bewezen, bijvoorbeeld in de vorm van het verschaffen van gevoelige informatie aan veiligheids- of inlichtingendiensten, het verlenen van hulp bij arrestaties, het bemannen van controleposten, het ondervragen van gedetineerden of het leveren van hulp bij zuiveringen in gevangenissen. Betrokkenheid bij schendingen van de mensenrechten is vanaf het niveau ‘kandidaat lid’ geenszins uitgesloten.

De rechtbank overweegt dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

Eiser heeft de inhoud van genoemd ambtsbericht als zodanig niet betwist.

Ten aanzien van de ‘knowing participation’ heeft verweerder gesteld dat eiser, gelet op de in Irak algemeen bekende wijze waarop het Iraakse regime opposanten bestreed als mede de functie die hij bekleedde, had moeten weten dat er een reëel risico bestond dat de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht gepleegd zouden worden. Gegeven het feit dat over de begane misdrijven is gepubliceerd mag het als vaststaand worden beschouwd dat deze misdrijven in bredere kring bekend zijn geraakt. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het niet geloofwaardig is dat eiser geen weet zou hebben gehad van de door de organisatie waarvoor hij werkzaam is geweest begane misdrijven. Verweerder heeft gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij niets geweten heeft van het misdadige karakter van de Baath-partij. Verweerder heeft daarbij gesteld dat eiser tijdens het nader gehoor verklaard heeft dat er dagelijks mensen worden gedood. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor op de vraag, of hij als Rafiq bij andere leden van de partij bemerkt heeft dat zij dingen deden tegen de menselijkheid, bevestigend geantwoord en eiser heeft verklaard dat een deel van de mensen van de partij de mensen niet goed behandelde. Eiser heeft tijdens het aanvullend gehoor verklaard dat er mensen zijn die geen lid van de partij zijn geworden en dat zij kapot zijn gegaan, niet goed leefden, gedeporteerd en onderdrukt werden en dat er heel veel mensen zijn omgekomen, doordat zij vermoord werden. Tevens heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor verklaard op de hoogte te zijn dat er gevoelige opdrachten werden gegeven aan personen vanaf de rang van Nasir Mutaqaddem, zoals bijvoorbeeld kijken of iemand deserteur is of pamfletten aan het verspreiden is. Ook heeft verweerder daarbij betrokken dat eiser tijdens het nader gehoor op de vraag hoe hij tegen de Istikhbarat en de Fedayien aan kijkt, heeft geantwoord dat er ten onrechte mensen worden mishandeld.

De rechtbank stelt vast dat verweerders oordeel omtrent de ‘knowing participation’ van eiser, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, en toegelicht ter zitting, door eiser niet gemotiveerd is bestreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder op de in het besluit weergegeven gronden heeft kunnen concluderen dat eiser geweten heeft of had moeten hebben dat de Baath-partij misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdag heeft begaan.

Tussen partijen is voorts in geschil of ten aanzien van eiser kan worden aangenomen of hij hier persoonlijk op enige wijze aan heeft deelgenomen, de zogenaamde ‘personal participation’. Beoordeeld dient te worden of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers handelen en/of nalaten direct en in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de misdrijven, hetgeen door eiser gemotiveerd is betwist.

Verweerder stelt dat eiser moord, gevangenneming en marteling direct heeft gefaciliteerd. Het handelen en/of nalaten van eiser heeft in wezenlijke mate ertoe bijgedragen dat organisaties behorende tot de Iraakse overheid waarvan aannemelijk is dat eisers informatie daaraan werd overgedragen, te weten de politie en de algemene veiligheidsdienst, moord, gevangenneming en marteling hebben gepleegd. Verweerder acht aannemelijk dat eiser informatie over oneervolle families en personen die niet kwamen opdagen bij een partijvergadering heeft doorgegeven. Gelet op eerdergenoemd algemeen ambtsbericht van Centraal-Irak waaruit blijkt dat volwaardige leden van de Baath-partij hun loyaliteit aan het bewind nadrukkelijk moeten hebben bewezen, bijvoorbeeld in de vorm van het verschaffen van gevoelige informatie aan veiligheids- en inlichtingendiensten, het verlenen van hulp bij arrestaties, het bemannen van controleposten, het ondervragen van gedetineerden of het leveren van hulp aan zuiveringen in gevangenissen, heeft verweerder aannemelijk geacht dat eiser de informatie over oneervolle families en personen die niet kwamen opdagen bij een partijvergadering direct of indirect via personen die hoger in rang stonden heeft doorgegeven aan de veiligheids- en inlichtingendiensten. Verweerder heeft daarbij tevens betrokken dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat er wekelijks vergaderingen waren waar soms de directeur van de veiligheidsdienst, de Al Alm aanwezig was.

Verweerder heeft verder in het in het bestreden besluit ingelaste voornemen overwogen:

“Uit bovengenoemde algemeen toegankelijke bronnen is gebleken dat betrokkene als Rafiq tot het zeer selecte gezelschap van volwaardige Baath leden behoorde.[…] Door zijn handelen heeft hij de omstandigheden geschapen waaronder de Iraakse overheidsdiensten de genoemde misdrijven hebben kunnen plegen. De handelingen van betrokkene zijn van wezenlijk belang geweest voor de uitvoering van genoemde misdrijven. Immers, als direct gevolg van de handelingen van betrokkene werden personen behorende tot de genoemde groepen overgedragen aan de Iraakse overheidsdiensten die genoemde misdrijven hebben gepleegd. Hiermee is dus sprake van een feitelijk effect.”

De rechtbank begrijpt verweerders standpunt aldus dat verweerder eiser, gelet op zijn eigen verklaringen alsmede gelet op hetgeen bekend is uit algemene bronnen, waaronder eerdergenoemd algemeen ambtsbericht van Centraal-Irak, omtrent de functie van Rafiq bij de Baath-partij, tegenwerpt dat hij als volwaardig lid de informatie over oneervolle families en personen die niet kwamen opdagen bij een partijvergadering direct of indirect via personen die hoger in rang stonden heeft doorgegeven aan de veiligheids- en inlichtingendienst.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit het eerdergenoemd algemeen ambtsbericht van Centraal-Irak, zoals aangevuld in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 februari 2003, blijkt evenzeer dat binnen de Baath-partij een systeem van rangen bestaat dat zich laat vergelijken met een strikt hiërarchisch militair stelsel. Er zijn vijf verschillende rangen. Alvorens men het lidmaatschap daadwerkelijk verkrijgt, wordt onderscheid gemaakt tussen vier gradaties van kandidaatlidmaatschap. De (kandidaat)lidmaatschapsstadia luiden als volgt:

- vriend (sadiq)

- symphatisant (mu’ayyid)

- aanhanger (nasir)

- gevorderde aanhanger (Nasir Mutaqaddem)

- kandidaat lid (murashah lil ‘Adwiyya)

- volwaardig lid (oudu’amil)

- afdelingslid (oudo farqa)

- sectielid (oudo sho’obah)

- divisielid (oudo Fere’e)

Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar een lijst afkomstig van het Bundesamt für die Anerkennung ausländischer Flüchtlinge (BAFI) uit 1996, gesteld dat de functie van Rafiq gezien wordt als een volwaardig lid, in de lijst in het algemeen ambtsbericht vergelijkbaar met Oudu’amil of hoger.

De rechtbank stelt vast dat eisers functie van Rafiq niet in genoemde lijst uit het algemeen ambtsbericht voorkomt. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kwalificatie behorend bij een volwaardig lid (oudu’amil) één op één geldt voor de functie van Rafiq. De enkele verwijzing naar een lijst afkomstig van het BAFI, waarvan de status onduidelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Daarnaast staat op de lijst afkomstig van het BAFI bij de term Rafiq vermeld “Genosse (mitglied)”. De rechtbank vermag evenmin in te zien hoe verweerder op basis hiervan kan concluderen dat Rafiq een volwaardig lid is, terwijl een vergelijking met de lijst in het Algemeen ambtsbericht bijvoorbeeld ook gelijkstelling met kandidaatlid (murashah lil ‘Adwiyya) kan rechtvaardigen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers “personal participation” afdoende aannemelijk is gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat verweerder ten onrechte het faciliteren van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een draagkrachtige motivering en kan om die reden in rechte geen stand houden.

Het beroep dient gegrond te worden verklaard, het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, en verweerder zal worden opgedragen opnieuw te beslissen op eisers aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak.

Hetgeen overigens in beroep is aangevoerd behoeft – gelet op het vorenstaande – geen nadere bespreking.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat hij op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden ondubbelzinnig heeft verworpen. Indien eiser zich niet kan verenigen met de verwerping van deze beroepsgronden en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank in rechte komt vast te staan, zal hij, ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

II. draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

III. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als de rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door E.V.L. Heuts, als voorzitter, en R.M.M. Kleijkers en M.A.H. Span-Henkens als leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van T.M. Horsten-Kuijpers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2009.

w.g. T. Horsten-Kuijpers w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden op: 4 maart 2009.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. In artikel 6:5 van de Awb is onder meer bepaald dat bij het beroepschrift een afschrift van de uitspraak moet worden overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.