Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4599

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/25628
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL3872, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag regulier / mvv-vereiste / hardheidsclausule / art. 8 EVRM / toekomstig beleid / wijziging van artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000

Uit de beschikbare gegevens kan niet anders worden afgeleid dan dat aan eiseres destijds anders dan aan haar kinderen geen afgeleide asielstatus is verleend louter omdat zij niet de nationaliteit van de hoofdpersoon, haar echtgenoot, bezat. Eiseres verblijft inmiddels samen met haar echtgenoot en kinderen vanaf 2001 in Nederland. Alle gezinsleden behalve eiseres hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich ten aanzien van eiseres een situatie voor als waaraan verweerder met het toekomstige beleid tegemoet heeft willen komen. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor verweerder zeer wel mogelijk om vooruit te lopen op het toekomstige beleid door middel van hantering van de hardheidsclausule. Dat de geschetste feitelijke situatie van het onderhavige geval leidt tot onbillijkheid van overwegende aard is blijkens de toelichting bij de wijziging van artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 ook de opvatting van verweerder zelf. Niet valt daarom in te zien om welke gegronde reden verweerder in casu zou kunnen afzien van de toepassing van de hardheidsclausule. De omstandigheid dat de onderhavige aanvraag is gedaan met verwijzing naar de beperking “beperking conform beschikking Staatssecretaris”, terwijl de beleidswijziging betrekking heeft op aanvragen onder de beperking “gezinshereniging” acht de rechtbank daarbij gelet op de geschetste feitelijke situatie niet van belang. Een zodanig strikt houden van de vreemdeling aan de genoemde beperking waaronder de aanvraag is gedaan getuigt onder de geschetste feitelijke omstandigheden van excessief formalisme en vormt daarmee een schending van artikel 8 van het EVRM (vergelijk EHRM: Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, LJN AV3568, JV 2006, 90). Ook de vraag of voor eiseres en haar gezin een verblijfsalternatief zou bestaan in Rusland is in casu niet relevant. De voorwaarde van het ontbreken van een verblijfsalternatief voor het gezin buiten Nederland kan naar het oordeel van de rechtbank tegen de achtergrond van de inmiddels “achieved settled status” in Nederland van haar echtgenoot en van haar kinderen niet aan eiseres worden gesteld op straffe van schending van artikel 8 van het EVRM (EHRM Abdulaziz (RV 1985, 105), Sen (JV 2002, 30), Ebrahim (JV 2003, 203), en Mehemi (JV 2003, 204).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/25628

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2009

inzake

[eiseres],

geboren op [1974],

nationaliteit onbekend,

verblijvende te Schijndel,

eiseres,

gemachtigde mr. J.M.C. de Kok,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. J.E.J. ten Berg.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 8 november 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "beschikking conform staatssecretaris" afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 19 juni 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiseres heeft op 16 juli 2008 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 januari 2009, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is geboren in Azerbeidzjan en op jeugdige leeftijd vertokken naar het huidige Rusland. Haar nationaliteit is tot op heden niet officieel vastgesteld. De echtgenoot van eiseres bezit de Armeense nationaliteit en heeft op 6 december 1999 in Nederland een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag bij besluit van 23 januari 2002 is ingewilligd. Eiseres is zelf met haar twee kinderen, die evenals hun vader de Armeense nationaliteit bezitten, op 24 september 2001 via Oostenrijk naar Nederland gekomen en heeft alhier een asielaanvraag ten behoeve van haar en haar kinderen ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 20 december 2001 afgewezen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 5 april 2002 het tegen dat besluit ingediende beroep gegrond verklaard. Bij besluit van 13 januari 2003 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres andermaal afgewezen. Het gen dat besluit ingediende beroep is door de rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, bij uitspraak van 2 februari 2004 ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 31 maart 2004 is bevestigd. Aan de kinderen van eiseres is destijds bij besluiten van 22 oktober 2002 wel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend ingaande 1 oktober 2001 op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op 17 januari 2005 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “beperking conform beschikking Staatssecretaris”. Na haar komst naar Nederland is nog een derde kind geboren. De echtgenoot van eiseres evenals haar drie kinderen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen.

2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het vasthouden van verweerder aan het vereiste mvv-bezit zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in strijd is met de toezegging die verweerder op 1 april 2008 in de Eerste Kamer heeft gedaan naar aanleiding van de door mevrouw Strik geschetste situatie dat aan nareizende gezinsleden van een toegelaten asielzoeker geen afgeleide asielvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 wordt verleend louter omdat zij niet dezelfde nationaliteit bezitten als de toegelaten asielzoeker. Verweerder heeft bij die gelegenheid toegezegd te bezien of aan een dergelijke situatie tegemoetgekomen zou kunnen worden door aanpassing van het mvv-beleid (Handelingen 2007-2008, nr. 25, EK, pag. 1042-1052). Deze toezegging heeft geleid tot de brief van verweerder van 29 oktober 2008 aan de Tweede Kamer, waarin onder punt 2 is aangegeven voornemens te zijn de nareizende gezinsleden van toegelaten asielzoekers met aan andere nationaliteit dan die van de asielvergunninghouder een vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen. Voorwaarde is wel dat er geen sprake is van een verblijfsalternatief in een derde land en de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat de hoofdpersoon in het bezit is gesteld van de asielvergunning. Dit voornemen heeft geresulteerd in een dienovereenkomstig voornemen tot wijziging van artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000. In de toelichting op deze wijziging is aangegeven dat de voorwaarde dat het gezinslid in het bezit is van een mvv met name in situaties waarin het gezinslid enkel door het bezit van een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon (geen afgeleide asielstatus kan verkrijgen; aanvulling rechtbank) leidt tot – bij nader inzien – onbillijk te achten situaties, met name in het geval dat het gezinslid dat tegelijk met de hoofdpersoon naar Nederland is gekomen om internationale bescherming te zoeken, zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan het vragen (Staatscourant van 30 oktober 2008, nr. 398).

Eiseres heeft voorts gesteld dat in haar geval het mvv-vereiste een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hier sprake is van toekomstig beleid, aangezien de wijziging van artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 nog niet in werking is getreden. Daarnaast eiseres geen beroep doen op dit toekomstige beleid, omdat het toekomstige artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder j, van het Vb 2000 alleen van toepassing is op een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “gezinshereniging” en de onderhavige aanvraag is gedaan onder de beperking “beperking conform beschikking Staatssecretaris”. Tenslotte is volgens verweerder op voorhand niet duidelijk dat aan eisers niet een verblijfsalternatief in Rusland kan worden tegengeworpen nu zij daar zeer lange tijd heeft gewoond.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2007 (200702675/1, LJN BB8353, JV 2008, 14) heeft verweerder tenslotte betoogd dat het mvv-vereiste slechts onder uitzonderlijke omstandigheden een schending van artikel 8 van het EVRM kan opleveren. Daarvan is volgens verweerder in casu geen sprake.

5. De rechtbank kan de zienswijze van verweerder niet onderschrijven. Uit de beschikbare gegevens kan niet anders worden afgeleid – en verweerder heeft dat ter zitting ook beaamd – dan dat aan eiseres destijds anders dan aan haar kinderen geen afgeleide asielstatus is verleend louter omdat zij niet de nationaliteit van de hoofdpersoon, haar echtgenoot, bezat. Eiseres verblijft inmiddels samen met haar echtgenoot en kinderen vanaf 2001 in Nederland. Alle gezinsleden behalve eiseres hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich ten aanzien van eiseres een situatie voor als waaraan verweerder met het toekomstige beleid tegemoet heeft willen komen. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor verweerder zeer wel mogelijk om vooruit te lopen op het toekomstige beleid door middel van hantering van de hardheidsclausule. Dat de geschetste feitelijke situatie van het onderhavige geval leidt tot – bij nader inzien – onbillijkheid van overwegende aard is blijkens de toelichting bij de wijziging van artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 ook de opvatting van verweerder zelf. Niet valt daarom in te zien om welke gegronde reden verweerder in casu zou kunnen afzien van de toepassing van de hardheidsclausule. De omstandigheid dat de onderhavige aanvraag is gedaan met verwijzing naar de beperking “beperking conform beschikking Staatssecretaris”, terwijl de beleidswijziging betrekking heeft op aanvragen onder de beperking “gezinshereniging” acht de rechtbank daarbij gelet op de geschetste feitelijke situatie niet van belang. Een zodanig strikt houden van de vreemdeling aan de genoemde beperking waaronder de aanvraag is gedaan getuigt onder de geschetste feitelijke omstandigheden van excessief formalisme en vormt daarmee een schending van artikel 8 van het EVRM (vergelijk het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 januari 2006 inzake Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, LJN AV3568, JV 2006, 90) . Ook de vraag of voor eiseres en haar gezin een verblijfsalternatief zou bestaan in Rusland is in casu niet relevant. De voorwaarde van het ontbreken van een verblijfsalternatief voor het gezin buiten Nederland kan naar het oordeel van de rechtbank tegen de achtergrond van de inmiddels “achieved settled status” in Nederland van haar echtgenoot en van haar kinderen niet aan eiseres worden gesteld op straffe van schending van artikel 8 van het EVRM, zoals blijkt uit de arresten van het EHRM van 28 mei 1985 in de zaak Abdulaziz (RV 1985, 105), van 21 december 2001, in de zaak Sen (JV 2002, 30), van 18 maart 2003, in de zaak Ebrahim (JV 2003, 203), en van 10 april 2003 in de zaak Mehemi (JV 2003, 204).

6. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid niet het mvv-vereiste aan eiseres had mogen tegenwerpen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking komt wegens onjuiste toepassing van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 alsmede wegens schending van artikel 8 van het EVRM. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop ziet de rechtbank voorts aanleiding om het verzoek van eiseres tot het stellen van een termijn in te willigen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

7. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

8. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 145,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van L.M.P. Giezenberg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2009.

De griffier is wegens verhindering niet in staat deze uitspraak te ondertekenen.