Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4594

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/8033
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag regulier / mvv / middelenvereiste / 120%-normbedrag / gezinsherenigingsrichtlijn / bijzondere omstandigheden / blijvende onmogelijkheid / discretionaire bevoegdheid ex art. 3.13, tweede lid, Vb 2000

Het beroep van eiseres op de uitspraak van zp Amsterdam van 10 december 2007 (LJN: BC4792, JV 2008, 99) inzake 120 procent normbedrag faalt nu de Afdeling die uitspraak op 14 juli 2008 (LJN: BD8574) heeft vernietigd. Verweerder mocht dan ook uitgaan van 120 procent van het netto-normbedrag in de zin van de WWB. Ten aanzien van de verwijzing naar de uitspraak van zp Roermond van 4 juli 2007 inzake strijdigheid van het voormelde normbedrag met Richtlijn 2003/86/EG (gezinsherenigingsrichtlijn) wijst de rechtbank erop dat de referent niet valt onder het toepassingsbereik van deze richtlijn, aangezien hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Verweerder mocht derhalve uitgaan van voormeld normbedrag.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid ex artikel 3.13, tweede lid, Vb 2000 om eiseres toch de gevraagde mvv te verlenen hoewel niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en acht daartoe het volgende redengevend. Referent is doofstom en werkt sedert 1992 in de sociale werkvoorziening. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat referent niet naar reguliere arbeid kan uitstromen. In een door referent overgelegde keuringsuitslag d.d. 20 november 1990 is vermeld dat er ten aanzien van referent sprake is van lichamelijke of psychische factoren die deelname aan arbeid in het vrije bedrijf in belangrijke mate belemmeren. Voorts is in door referent overgelegde verslagen van met hem gehouden functioneringsgesprekken vermeld dat gezien referents beperking uitstroom zeer moeilijk is. Bovendien is gebleken dat het niet reëel is om referent te houden aan urenuitbreiding of het verrichten van werkzaamheden buiten de Diamant-groep. Referent zal zichzelf in zowel werktijden als werkinhoud mogelijk forceren en dientengevolge op termijn niet meer kunnen blijven functioneren binnen de sociale werkvoorziening, alsmede dat urenuitbreiding binnen de sociale werkvoorziening niet haalbaar is omdat referent reeds fulltime werkzaam is. Derhalve is het voor referent niet reëel om aan de norm van 120 procent van het minimumloon te voldoen. Gelet op de aard van de handicap van referent is deze situatie blijvend. Verweerder heeft onder deze omstandigheden aan eiseres in redelijkheid niet de gevraagde mvv kunnen weigeren. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens onjuiste toepassing van artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/8033

Uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2009

inzake

[eiseres],

geboren op [1978],

nationaliteit Surinaamse,

eiseres,

gemachtigde mr. A.W.M. van de Wouw,

tegen

de minister van Buitenlandse Zaken,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (verder: mvv) onder de beperking verband houdend met "gezinsvorming met echtgenoot (referent)" niet ingewilligd.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 22 februari 2008 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 5 maart 2008 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2008. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de verdere behandeling van deze zaak naar een meervoudige kamer verwezen.

De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van 18 november 2008, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, waarbij de weigering om eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

2. Verweerder heeft zich in dat besluit – kort samengevat - op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval niet aan het zogenoemde middelenvereiste wordt voldaan. Weliswaar beschikt referent zelfstandig en duurzaam over middelen van bestaan, doch deze zijn niet voldoende. Voorts komt referent niet in aanmerking voor vrijstelling van voornoemd vereiste op grond van zijn handicap, aldus verweerder.

3. Eiseres heeft – kort samengevat en voor zover thans nog relevant - het volgende aangevoerd. Eiseres wijst erop dat reeds in bezwaar is aangegeven dat referent al vanaf 1992 via de Dienst Sociale Werkvoorziening (DSW) werkzaam is, aangezien hij met zijn handicap geen arbeid in de reguliere sector kan verrichten. In verband hiermee had verweerder rekening dienen te houden met het feit dat het voor referent onmogelijk is reguliere arbeid te verrichten, waardoor het voor hem dan ook nimmer mogelijk is aan het middelenvereiste te voldoen. Eiseres heeft ter ondersteuning van deze stelling een keuringsuitslag en een tweetal verslagen van functioneringsgesprekken overgelegd. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat verweerder geen individuele belangenafweging heeft verricht in het kader van de tegenwerping van het middelenvereiste. Verweerder heeft ten aanzien van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) enkel volstaan met een standaardoverweging, die geen blijk geeft van een op individuele feiten en omstandigheden toegespitste belangenafweging. Nu verweerder heeft nagelaten deze belangenafweging te maken, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, aldus eiseres. Verder heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte op haar bezwaren niet heeft gehoord.

4. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2008 een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 4 juli 2007 (AWB 06/43697, LJN: BD6637), waarin is geoordeeld dat artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) in strijd moet worden geacht met de zogenoemde gezinsherenigingsrichtlijn (Richtlijn 2003/86/EG ). Daarnaast heeft de gemachtigde van eiseres haar stelling omtrent vrijstelling van het middelenvereiste in die zin genuanceerd dat de referent in verband met zijn individuele omstandigheden met toepassing van het tweede lid van artikel 3.13 van het Vb 2000 vrijgesteld dient te worden van voornoemd vereiste.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Het bestreden besluit betreft een besluit omtrent de afgifte van een mvv. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, gegeven krachtens het Soeverein Besluit van 12 december 1813, voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven krachtens deze wet.

7. De aanvraag om afgifte van een mvv dient derhalve te worden getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld aan de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: gezinsvorming, zoals genoemd in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, juncto artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

8. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien – voor zover hier van belang - de persoon bij wie verblijf wordt beoogd niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (het middelenvereiste).

9. Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, zoals genoemd in artikel 14 van de Vw 2000, verleend aan het in artikel 3.14 van het Vb 2000 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 van het Vb 2000 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in artikel 3.16 tot en met artikel 3.22 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden. Ingevolge artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000 kan in de overige gevallen de in het eerste lid van dit artikel bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.

10. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000, verleend indien - voor zover hier van belang - de hoofdpersoon (referent) duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel wordt ingeval van gezinsvorming de verblijfsvergunning, in afwijking van het eerste lid, verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. Ingevolge het derde lid van artikel 3.22 voornoemd wordt in afwijking van het eerste en tweede lid de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon – voor zover hier van belang - naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.

11. Ingevolge artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000 zijn de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan ingeval van gezinsvorming voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

12. Ingevolge B1/4.3.3. van de Vc 2000, voor zover thans van belang, wordt het netto-inkomen in geval van gezinsvorming vergeleken met 120 procent van het referentie netto-minimumloon, inclusief vakantiebijslag, en dat correspondeert met 120 procent van het netto-normbedrag voor gehuwden bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand (WWB), eveneens inclusief vakantiebijslag.

13. Eiseres heeft in beroep onder verwijzing naar de uitspraak deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 december 2007 (AWB 07/5207, LJN: BC4792, JV 2008, 99) gesteld dat verweerder ten onrechte heeft getoetst aan het netto-inkomen van referent in plaats van aan diens bruto-inkomen. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat dit standpunt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is verworpen bij uitspraak 14 juli 2008 (nr. 200800138/1, LJN: BD8574) met vernietiging van de genoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 december 2007. Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling mocht verweerder dan ook uitgaan van het hierboven genoemde in het beleid gehanteerde normbedrag, te weten 120 procent van het netto-normbedrag in de zin van de WWB.

14. Eiseres heeft in beroep voorts gesteld, onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 4 juli 2007, dat het voormelde normbedrag in strijd is met de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (gezinsherenigingsrichtlijn). Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de referent niet valt onder het toepassingsbereik van de gezinsherenigingsrichtlijn, aangezien hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Aldus blijft artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000 in het onderhavige geval onverkort gelden.

15. Uit het voorgaande volgt derhalve dat verweerder van het hierboven genoemde in het beleid gehanteerde normbedrag van 120 procent van het netto-normbedrag in de zin van WWB mocht uitgaan.

16. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de referent niet aan het voornoemde normbedrag voldoet.

17. De rechtbank stelt voorts vast dat in het onderhavige geval niet is vastgesteld dat referent blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, zodat hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste op deze grond.

18. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in casu geen gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000 toekomende discretionaire bevoegdheid om eiseres toch de gevraagde mvv te verlenen hoewel niet wordt voldaan aan het middelenvereiste.

19. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en acht daartoe het volgende redengevend. Referent is doofstom en werkt sedert 1992 in de sociale werkvoorziening. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat referent niet naar reguliere arbeid kan uitstromen. In een door referent overgelegde keuringsuitslag d.d. 20 november 1990 is vermeld dat er ten aanzien van referent sprake is van lichamelijke of psychische factoren die deelname aan arbeid in het vrije bedrijf in belangrijke mate belemmeren. Voorts is in door referent overgelegde verslagen van met hem gehouden functioneringsgesprekken d.dis 10 november 2006 en 16 augustus 2007 vermeld dat gezien referents beperking uitstroom zeer moeilijk is. Bovendien blijkt uit een brief van de Diamant-groep van 5 juni 2008 dat het niet reëel is om referent te houden aan urenuitbreiding of het verrichten van werkzaamheden buiten de Diamant-groep. In voormelde brief wordt aangegeven dat referent zichzelf in zowel werktijden als werkinhoud mogelijk zal forceren en dientengevolge op termijn niet meer zal kunnen blijven functioneren binnen de sociale werkvoorziening, alsmede dat urenuitbreiding binnen de sociale werkvoorziening niet haalbaar is omdat referent reeds fulltime werkzaam is. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het voor referent niet reëel is om voor de toepassing van het middelenvereiste aan de norm van 120 procent van het minimumloon te voldoen. Gelet op de aard van de handicap van referent is deze situatie blijvend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder de hierboven genoemde omstandigheden aan eiseres in redelijkheid niet de gevraagde mvv kunnen weigeren.

20. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens onjuiste toepassing van artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000.

21. Het beroep is reeds hierom gegrond, zodat hetgeen overigens is aangevoerd onbesproken kan blijven.

22. Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat in deze uitspraak het beroep gegrond zal worden verklaard, met als gevolg dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Niettemin heeft de rechtbank bepaalde gronden van het beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, kan tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep worden ingesteld.

23. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• ½ punt voor het verschijnen ter nadere zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

24. Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

25. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 145,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 145,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als voorzitter en mr. H. Benek en mr. E.M. de Stigter als leden in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2009.