Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
09/758547-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is met bruut geweld de woning van het 84-jarige slachtoffer binnengedrongen, heeft haar meerdere malen in zowel de slaapkamer als in de woonkamer in het gezicht geslagen om vervolgens met de handtas met inhoud van het slachtoffer via de voordeur er vandoor te gaan. De vrouw is daarbij tevens op beangstigende wijze bedreigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/758547-07

Datum uitspraak: 3 maart 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de

zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer,

overigens zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 februari 2009, ter voortzetting van de zitting van 20 januari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. Mos en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. D.M. Kortekaas, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 oktober 2007 te [P] met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een handtas (met inhoud), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf, te weten de

woning [adres], heeft verschaft door middel van braak, verbreking

en/of inklimming, te weten door:

- een ruit van die woning met een tegel in te gooien en/of

- door de aldus onstane opening die woning binnen te gaan en/of

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [A], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- (hard) duwen tegen die [A] (waardoor zij op het bed viel) en/of

- (meermalen) slaan in het gezicht van die [A] en/of

- aan de kleding van het bed trekken van die [A] en/of

- trekken van die [A] van de slaapkamer naar de woonkamer en/of

- op de grond gooien van die [A];

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 oktober 2007 in Den Haag een zogenaamde aanleunwoning aan de [adres] via vernieling van een ruit aan de achterzijde is binnengedrongen, de aanwezige 84-jarige bewoonster heeft mishandeld om vervolgens met de handtas met inhoud van het slachtoffer via de voordeur de woning te ontvluchten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een bewijsverweer gevoerd, welk verweer in korte lijnen hier op neer komt:

de omstandigheden, zoals die uit het politieonderzoek blijken, roepen veel vraagtekens op:

- het door aangeefster opgegeven signalement van de dader komt niet overeen met het signalement van verdachte;

- aangeefster heeft verdachte niet herkend tijdens een fotoconfrontatie;

- de door verbalisanten aangegeven (mogelijke) vluchtroute is helemaal niet zo logisch als het openbaar ministerie wil doen voorkomen;

- bij het veiligstellen van een klodder speeksel in het park achter het huis van het slachtoffer en van een koffiekopje in de woning van het slachtoffer, dat de dader heeft vastgehad, is niet uit te sluiten dat er contaminatie heeft plaatsgevonden. Zonder af te doen aan de werkmethode van de technische recherche stelt de raadsvrouw dat er wellicht onvoldoende maatregelen zijn genomen om contaminatie te voorkomen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging(1)

Op 2 oktober 2007 vindt er te [P] aan de [adres] een diefstal met braak met geweld plaats. De 84-jarige bewoonster wordt in de avond opgeschrikt door een enorm harde klap. Het geluid komt uit haar slaapkamer, welke slaapkamer is gelegen aan de achterzijde van haar woning. In de slaapkamer staat een voor haar onbekende man. Tevens ziet zij dat de ruit van het slaapkamerraam gebroken was. De man komt op haar af en duwt haar op het bed. Zij wordt daarbij door de dader meerdere malen in haar gezicht geslagen en deze trekt haar vervolgens de woonkamer in. In de woonkamer wordt het slachtoffer op de grond gegooid en krijgt zij weer een klap. De man vraagt "geld geld". Omdat het slachtoffer erg bang is voor de man biedt zij hem koffie aan, wat hij accepteert. Nadat de koffie is gezet, neemt de dader in de keuken het kopje koffie van het slachtoffer aan, loopt hiermee naar de woonkamer en zet het kopje koffie op de eettafel. De dader neemt vervolgens de handtas van de tafel en verlaat met die tas via de voordeur de woning(2).

De later op die avond gekomen schoondochter van het slachtoffer heeft letsel bij het slachtoffer waargenomen(3).

Uit diverse processen-verbaal betreffende het forensisch technisch onderzoek blijkt van het volgende:

- in het park, grenzend aan de achterkant van de woning wordt in een verse bruine speekselklodder DNA van verdachte aangetroffen.

- op het hiervoor genoemde koffiekopje, dat is veiliggesteld in de woning van het slachtoffer, wordt eveneens DNA van verdachte aangetroffen.

De verbalisant [B] heeft op 2 oktober 2007 te 23.47 uur de reeds besproken klodder speeksel (SVO 4) veiliggesteld en bemonsterd (zegelnummer CLA 824). Op 3 oktober 2007 te 00.37 uur heeft verbalisant [C] het koffiekopje veiliggesteld (SVO 8) en om 09.55 uur bemonsterd (SVO 11, zegelnummer CNA 367)(4)

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft in haar rapporten geconcludeerd dat in beide bemonsteringen DNA van verdachte is aangetroffen. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.(5)

Uit het contra-expertise DNA onderzoek, uitgevoerd door het Forensisch Laboratorium voor DNA onderzoek (FLDO) te Leiden d.d. 8 juli 2008 is ten aanzien van het spoor op het koffiekopje geconcludeerd dat het DNA-profiel van dit spoor overeenkomt met het DNA profiel van verdachte. De kans dat een willekeurig ander individu hetzelfde DNA profiel bezit als dat van bovengenoemd spoor is vele malen minder dan 1 op 1 miljard. Ten aanzien van het speeksel is geconcludeerd dat het DNA profiel van dat spoor overeenkomt met het DNA profiel van verdachte. De kans dat een willekeurig ander individu hetzelfde DNA profiel bezit is vele malen minder dan 1 op 10 miljard.

Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel, dat de door de technische rechercheurs [B] en [C] uitgevoerde bemonsteringen niet conform de daarvoor geldende procedure zouden zijn uitgevoerd. De enkele stelling van de raadsvrouw dat het proces-verbaal van het forensisch onderzoek summier is, dat niet wordt gerelateerd over de wijze van veiligstellen en dat derhalve rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van contaminatie, doet aan vorenstaande niet af. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat zowel op het koffiekopje als in de klodder speeksel DNA van verdachte is aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat de klodder speeksel, met daarin het DNA van verdachte, in een park achter de woning van het slachtoffer - aan de zijde derhalve waar de dader de woning is binnengedrongen - is aangetroffen. Dit park is gelegen op de route tussen de woning van het slachtoffer en de plek in [P], te weten de [straat], waar een getuige later die avond een persoon heeft gezien die voldoet aan het signalement van verdachte.(6) De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte op enig moment voor het binnendringen of na het verlaten van de woning van het slachtoffer in het park is geweest.

Daarbij is van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij wel eens in [P] komt, waaronder in de wijk [wijk], zijnde de wijk waar zowel het slachtoffer woonachtig is als waar voormelde getuige hem later die avond heeft gezien(7).

Gelet op vorenstaande, te weten het DNA van verdachte op een koffiekopje in de woning van het slachtoffer, het DNA van verdachte in een klodder speeksel die in een park achter de woning van het slachtoffer lag en het gegeven dat verdachte bekend is in de wijk waar het slachtoffer woonachtig is, leidt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd. Dat het slachtoffer de verdachte bij een fotoconfrontatie niet heeft herkend doet aan vorenstaande niet af nu het slachtoffer een oude dame betreft (thans 85 jaar oud) en er een zeer lange tijd is verstreken tussen dit feit en de fotoconfrontatie. Evenmin doet het verweer dat het door het slachtoffer opgegeven signalement niet overeenkomt met het signalement van verdachte aan vorenstaande af, nu er tussen beide signalementen niet dermate grote verschillen zitten dat alleen op grond daarvan al de conclusie zou moeten worden getrokken dat verdachte niet betrokken zou kunnen zijn bij het voorval.

3.4 De bewezenverklaring

hij op 02 oktober 2007 te [P] met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas met inhoud,

toebehorende aan [A],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf, te weten de

woning [adres], heeft verschaft door middel van verbreking

te weten door:

- een ruit van die woning met een tegel in te gooien en

- door de aldus ontstane opening die woning binnen te gaan en

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

tegen die [A], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld bestond uit het:

- hard duwen tegen die [A] waardoor zij op het bed viel en

- meermalen slaan in het gezicht van die [A] en

- aan de kleding van het bed trekken van die [A] en

- trekken van die [A] van de slaapkamer naar de woonkamer en

- op de grond gooien van die [A];

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is uitgebreid door twee deskundigen gerapporteerd.

Zowel de psycholoog, drs. A.M.T. Spies,(8) als de psychiater, dr. H. de Burlet,(9) komen tot de conclusie dat er geen uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid kan worden gedaan omdat verdachte volledig ontkent het bewezenverklaarde feit te hebben gepleegd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud en conclusie van de beide rapporten. Hoewel in de rapporten geen uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid wordt gedaan en de rechtbank dus geen zicht heeft kunnen krijgen op de mate waarin de verdachte mogelijk verminderd toerekeningsvatbaar is, is evenmin naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake zou zijn van het ontbreken van toerekenbaarheid.

Verdachte is dus strafbaar.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als die aanwijzingen inhouden dat verdachte zich zal laten opnemen in de verpleeginrichting De Bruggen of soortgelijke inrichting voor de periode van maximaal 3 jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt om de adviezen van de deskundigen en Reclassering Nederland op te volgen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit. Hij is met bruut geweld de woning van het 84-jarige slachtoffer binnengedrongen, heeft haar meerdere malen in zowel de slaapkamer als in de woonkamer in het gezicht geslagen om vervolgens met de handtas met inhoud van het slachtoffer via de voordeur er vandoor te gaan. De vrouw is daarbij tevens op beangstigende wijze bedreigd. Deze traumatische ervaring en het gevoel zelfs in de eigen woning niet meer veilig te zijn, zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. De verdachte heeft door het slachtoffer te mishandelen, inbreuk gemaakt op haar geestelijke en lichamelijke integriteit. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer ook financiële schade toegebracht doordat hij haar tas met inhoud heeft meegenomen en vernielingen aan het interieur heeft aangebracht.

Deze vorm van criminaliteit veroorzaakt bovendien grote onrust en angstgevoelens in de samenleving.

De rechtbank rekent verdachte het feit dan ook zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 28 april 2008;

- een voorlichtingsrapport van Palier forensische en intensieve zorg d.d. 24 oktober 2008;

- het psychologische rapport voornoemd;

- het psychiatrische rapport voornoemd.

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatie register blijkt dat verdachte al vele malen is veroordeeld tot - onder meer - langdurige vrijheidsstraffen. Deze veroordelingen hebben verdachte niet kunnen weerhouden van het plegen van onderhavig ernstig delict.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte merkt de rechtbank het volgende op.

Bij verdachte is sprake van een verstandelijke handicap in de vorm van lichte zwakzinnigheid met antisociale trekken en van misbruik van alcohol. Uit het hieruit voortvloeiend (crimineel) gedrag blijkt dat is gebleken dat het niet om psychotisch belevingen gaat, maar om angst voortkomend uit zijn zwakbegaafde capaciteiten in spannende en complexe situaties gecombineerd met een tekortschietende impulsgedrag. Dit gedrag lijkt gedreven door overleven en door reageren op zijn behoefte om zich prettig te voelen. Het denken is egocentrisch en er lijkt sprake van gedachtearmoede. De beperkte cognitieve capaciteiten spelen hierbij een rol. Het ontbreekt aan vermogen tot zelfreflectie. Vanwege de licht verstandelijke beperking is de kans op recidive van delicten heel nadrukkelijk aanwezig. Er wordt dan ook door de deskundigen geadviseerd tot een verplicht reclasseringstoezicht en een al dan niet voorwaardelijk strafrechtelijk kader voor een klinische behandeling door een gespecialiseerde forensische zorg voor licht verstandelijke gehandicapten voor langere duur. Daarbij gaat de voorkeur uit naar een gedwongen strafrechtelijk kader. De deskundigen zijn van mening dat de klinische behandeling waarschijnlijk van lange duur zal zijn en gevolgd zal moeten worden door een poliklinische behandeling.

Reclassering Palier heeft een plan van aanpak opgesteld.

De rechtbank is het met de deskundigen en Reclassering Palier eens dat verdachte behandeling behoeft. Dit is in het belang van de verdachte zelf, maar ook, en dit niet op de laatste plaats, in het belang van de maatschappij.

De deskundigen hebben dan ook geadviseerd tot een klinische opname bij Ipse De Bruggen, ingebed in een strafrechtelijk kader.

Ingevolge artikel 14c, tweede lid onder 2? van het Wetboek van Strafrecht kan de voorwaarde tot opneming van de verdachte in een inrichting ter verpleging slechts worden opgelegd voor een door de rechter te bepalen termijn.

Ter terechtzitting is de rechtbank geïnformeerd over de werkwijze van het NIFP: sinds 2008 wordt gewerkt met een indicatiestelling. Onder regie van het NIFP wordt vastgesteld welke mate van zorg iemand nodig heeft. Ter terechtzitting is gebleken dat voor verdachte een indicatiestelling is gedaan en dat een plaatsing bij Ipse de Bruggen voor verdachte in de rede ligt. Tevens is gebleken dat Ipse de Bruggen nog niet aan opname van verdachte meewerkt. Dat betekent dat op dit moment geen zekerheid bestaat over plaatsing, duur van plaatsing en de behandeling bij De Bruggen.

Hoewel het uit het oogpunt van preventie wenselijk is de strafrechtelijke afdoening toe te spitsen op een klinische behandeling van verdachte, heeft de rechtbank moeten vaststellen dat thans geen zekerheid bestaat op spoedige opname van verdachte in enige kliniek. Gelet op bovenstaande, kan de rechtbank thans niet anders dan volstaan met reclasseringstoezicht in het kader van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf, als hierna vermeld. Daarbij wijst de rechtbank nog op het bepaalde in artikel 14f, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, voor het geval alsnog op korte termijn een klinische behandeling van verdachte mocht kunnen plaatsvinden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 12 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, regio Den Haag, i.c. de sector justitiële verslavingszorg van Parlier forensische en intensieve zorg te Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 28 april 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 29 april 2008,

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

Meijers en Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van Boel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2009.

Mr. Meijers is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer 1551/2007/17562 van politie Haaglanden, d.d. 28 april 2008, met bijlagen.

(2) Pagina 24. aangifte dd. 4 oktober 2007 en pagina 54 vervolgaangifte dd. 4 oktober 2007

(3) Pagina 42, getuigeverhoor, proces-verbaal dd. 4 oktober 2007

(4) Pagina's 54 en 55

(5) NFI rapporten dd. 27 november 2007 en 16 januari 2008 (pagina 66 e.v. en pagina 74 e.v.)

(6) Pagina 47. Proces-verbaal verhoor getuige [getuige],

(7) Pagina 81, Proces-verbaal verhoor verdachte

(8) psychologisch rapport van 16 oktober 2008.

(9) psychiatrisch rapport van 16 oktober 2008.