Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4175

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
09/900798-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook BH 4173 en BH 4174.

Poging zware mishandeling, gepleegd in Delft.

Op initiatief van verdachte is het slachtoffer aangevallen door twee mededaders, waarbij met een vuurwapen en met de vuisten meermalen tegen hoofd en lichaam is geslagen. Het slachtoffer is voorts met dat vuurwapen bedreigd. Dit heeft zich afgespeeld, nadat verdachte en haar mededaders in de auto onderweg naar het slachtoffer hadden afgesproken hoe zij zouden handelen om met het slachtoffer af te rekenen. De drie verdachten zijn midden in de nacht naar het huis van het slachtoffer gereden; daar heeft verdachte, die een kennis van het slachtoffer was, het slachtoffer uit zijn woning gelokt. Direct nadat het slachtoffer naar buiten was gekomen, hebben de mededaders hem onverhoeds aangevallen. Verdachte heeft op een afstandje staan toekijken, hoe het slachtoffer te pakken werd genomen. Indien een groepje toevallige passanten niet had ingegrepen was de mishandeling wellicht nog ernstiger afgelopen.

Verdachte is initiatrice geweest van dit verwerpelijke voorval en dat rekent de rechtbank haar zwaar aan.

De rechtbank heeft zorgen over de houding van verdachte tijdens de behandeling van deze zaak; anders dan haar mededaders heeft ze geen inzicht getoond in het laakbare van haar beslissing om deze afrekening op te zetten, noch richting het slachtoffer noch richting de twee mededaders die ze bij haar zaak heeft betrokken.

Gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900798-08

Datum uitspraak: 26 februari 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte K.],

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1990,

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 12 februari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Willemse en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. Y. Karga, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 19 oktober 2008 te Delft tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar

mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen (pistool), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (hard/met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft

geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, (met de vuist) (hard/met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 oktober 2008 te Delft tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]) met een vuurwapen (pistool), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (hard/met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en/of meermalen, althans

eenmaal, (met de vuist) (hard/met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 19 oktober 2008 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen (pistool), althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op/getoond aan die [slachtoffer] en/of dit voorwerp

op het hoofd gezet van die [slachtoffer];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen met voorbedachte raad heeft gepoogd [slachtoffer] zwaar lichamelijk te mishandelen door met een vuurwapen en vuisten tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] te slaan.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onderdeel in het tenlastegelegde feit 1 onder primair met betrekking tot het vuurwapen dat door de mededader [P.] is gebruikt om tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan. Tevens heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd voor het tenlastegelegde feit 2.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 primair heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De betrokkenheid van verdachte bij het feit staat vast. Haar rol in het geheel is dat zij de aanleiding is geweest voor het gepleegde feit. Tevens heeft verdachte het slachtoffer uit zijn woning gelokt. In de auto heeft zij en haar mededaders een plan van aanpak gemaakt. Zij hadden de afspraak om het slachtoffer een lesje te leren omdat hij de verdachte lastig viel. De verdachte en haar mededaders waren niet van plan om hem te slaan. Verdachte was niet op de hoogte van het vuurwapen dat mededader [P.] bij zich droeg. Verdachte had alleen mededader [A.] gevraagd om mee te gaan naar het slachtoffer. Zij kende [P.] niet en wist niet dat hij in het bezit was van een vuurwapen. Zij heeft dan ook niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat mededader [P.] gebruik zou maken van een vuurwapen. Ten aanzien van de tenlastegelegde zware mishandeling is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft dan ook primair bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 1 primair dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit verdachte partieel vrij te spreken, dat wil zeggen met betrekking tot het gebruik van het vuurwapen. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit verdachte voor feit 2 vrij te spreken.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten.(1)

Ten aanzien van feit 1 primair:

Verdachte heeft op zaterdag 18 oktober 2008 te Delft mededader [A.] meegevraagd om haar te helpen om [slachtoffer] in elkaar te slaan, omdat hij haar, verdachte, zou hebben bedreigd.(2) [A.] heeft vervolgens aan verdachte gevraagd of [slachtoffer] misschien in het bezit was van een vuurwapen. Zij heeft deze vraag bevestigend beantwoord.(3) [A.] heeft hierop een vriend van hem, mededader [P.], gevraagd om hem hierbij te helpen.(4) [P.] hoorde van [A.] dat het slachtoffer wellicht in het bezit was van een vuurwapen. [P.] heeft hierop zijn eigen vuurwapen van thuis meegenomen.(5) Omstreeks 00.00 uur, op die zaterdag, zaten verdachte en de mededaders in de auto van [A.] in Delft. In de auto spraken zij af hoe zij het slachtoffer uit zijn woning zouden lokken om hem in elkaar te slaan.(6) Hierna zijn ze met zijn drieën naar het huis van het slachtoffer gegaan. Verdachte, die het slachtoffer kende, heeft het slachtoffer uit zijn woning gelokt.(7) Verdachte heeft hiertoe bij het slachtoffer aangebeld en hem gevraagd of hij naar buiten wilde komen omdat ze met hem wilde praten. Hierna kwam het slachtoffer naar buiten. [A.] en [P.], die verderop stonden, zijn naar voren gestapt en hebben het slachtoffer onverhoeds aangevallen. Het slachtoffer is hierbij met vuisten en het vuurwapen tegen het hoofd en het lichaam geslagen (8. Verdachte stond erbij en keek er naar (9) en nadat de toevallig passerende buren het slachtoffer ter hulp kwamen is zij met de mededaders weggerend naar de auto (10).

Met betrekking tot verdachte's opzet op het gebruik van een vuurwapen bij deze mishandeling is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte, van oordeel dat de verdachte willens en wetens het risico aanvaard heeft -na haar informatie aan [A.] dat het slachtoffer misschien een wapen zou hebben- dat de mededaders, anticiperend op die mogelijke aanwezigheid van een wapen bij het slachtoffer, bij de door haar opgezette confrontatie met het slachtoffer ook een wapen zouden meenemen.

Het standpunt van verdachte, dat er niet zou worden geslagen, wordt door [A.]'s verklaringen weerlegd, en is ook overigens niet aannemelijk geworden. De gemaakte afspraken met betrekking tot het leren van een lesje, waarbij een vriend van [A.] nu ook aanwezig was, wijzen op een geplande afrekening. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat er tevoren geen afspraken zijn gemaakt over wanneer de uit te voeren bedreiging en het te gebruiken geweld zouden eindigen. Niet alleen is die verklaring ter zitting in strijd met haar ontkenning op dezelfde zitting dat er geweld zou worden gebruikt, maar blijkt daaruit ook dat verdachte op geen enkele wijze moeite heeft gedaan het geweld te voorkomen of zelfs maar in te perken. Ook dat sterkt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte willens en wetens de kans heeft aanvaard dat tegen het slachtoffer ernstig geweld zou worden toegepast. De besproken plannen zijn uitgevoerd, waarbij [K.] als lokaas diende en [A.] en [P.] de klappen hebben uitgedeeld. Ter zitting heeft [K.] nog verklaard dat zij vond dat het slachtoffer die behandeling ook verdiende.

Ten aanzien van feit 2:

Op zondag 19 oktober 2008 heeft [P.] te Delft het slachtoffer [slachtoffer] met een vuurwapen bedreigd (11). [P.] heeft dit gedaan door het vuurwapen onverhoeds tegen het hoofd van het slachtoffer te plaatsen. (12) Door toedoen van verdachte [K.] is slachtoffer [slachtoffer] dit traumatische gebeuren overkomen. Zij heeft de mededaders zover gekregen om het slachtoffer namens haar te mishandelen, vanwege vermeende bedreiging. Tevens heeft zij aan de mededaders gezegd dat het slachtoffer misschien wel in het bezit zou zijn van een pistool. Hiermee heeft zij- zoals is overwogen met betrekking tot feit 1- de aanmerkelijke kans genomen dat haar mededaders bij de afrekening ook gebruik zouden maken van een wapen, waarmee dan tevens een bedreiging van het slachtoffer zou kunnen plaatsvinden, zoals is geschied.

3.4 De bewezenverklaring

1.

zij op 19 oktober 2008 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (pistool), (hard/met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en (met de vuist) (hard/met kracht) tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

zij op 19 oktober 2008 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en haar mededaders opzettelijk dreigend een vuurwapen (pistool) op het hoofd gezet van die [slachtoffer].

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, ook als dit inhoudt een behandeling bij de Waag.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw begrijpt de rechtbank in haar verontwaardiging ten opzichte van verdachte's houding ter zitting. Verdachte heeft het probleem dat het lijkt of ze erg onverschillig is ten opzichte van het feit. Verdachte komt, volgens de raadsvrouw, zeer ongeïnteresseerd over. Het probleem is dat verdachte niet weet hoe ze zich moet uiten. Verdachte is een jonge vrouw van 18 jaar die emotioneel beschadigd is. Het telastgelegde feit heeft een voorgeschiedenis. Verdachte kende het slachtoffer sinds september 2007. Verdachte en het slachtoffer waren gewoon vrienden. Echter, het slachtoffer had andere verwachtingen van verdachte. Verdachte is bij de politie geweest om aangifte te doen tegen het slachtoffer omdat deze haar had gewurgd. De politie nam haar aangifte echter niet op. Ook zou zij de volgende dag door de politie voor een bemiddelingsgesprek met het slachtoffer worden uitgenodigd, maar ook dit is niet gebeurd. Verdachte voelde zich niet serieus genomen door de politie. De raadsvrouw heeft verwezen naar het reclasseringsrapport waarin is opgenomen dat de verdachte op 13 februari 2009 voor behandeling bij de reclassering terecht kan. Verdachte heeft baat bij een zo spoedige mogelijke behandeling. De raadsvrouw heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Mededader [A.] heeft samen met mededader [P.], en op initiatief van verdachte [K.] het slachtoffer [slachtoffer] aangevallen, waarbij met een vuurwapen en met de vuisten meermalen tegen hoofd en lichaam is geslagen. Het slachtoffer is voorts met dat vuurwapen bedreigd. Dit heeft zich afgespeeld, nadat verdachte en haar mededaders in de auto onderweg naar het slachtoffer hadden afgesproken hoe zij zouden handelen om met het slachtoffer af te rekenen. De drie verdachten zijn midden in de nacht naar het huis van het slachtoffer gereden; daar heeft [K.], die een kennis van het slachtoffer was, het slachtoffer uit zijn woning gelokt. Direct nadat het slachtoffer naar buiten was gekomen, hebben [A.] en [P.] hem onverhoeds aangevallen. [K.] heeft op een afstandje staan toekijken, hoe het slachtoffer te pakken werd genomen. Indien een groepje toevallige passanten niet had ingegrepen was de mishandeling wellicht nog ernstiger afgelopen.

Uit de verklaring van slachtoffer [slachtoffer] is duidelijk gebleken dat het hele gebeuren een grote impact op hem heeft gehad. Hij heeft paniek ervaren en doodsangst uitgestaan. Na het voorval voelt hij zich onveilig als hij alleen is, hij voelt zich angstig, onrustig en onzeker. Het slachtoffer heeft het gevoel dat hij een ander mens is geworden. Bovendien heeft hij als gevolg van het voorval zich ziek moeten melden.

Verdachte is initiatrice geweest van dit verwerpelijke voorval en dat rekent de rechtbank haar zwaar aan. Zij heeft [A.] met een verhaal over een bedreiging zover gekregen dat hij haar wilde helpen, en waarvoor hij zijn vriend [P.] heeft meegevraagd. Hierdoor zijn beide mededaders op het slechte pad gebracht.

Dit deed zij, terwijl er op dat moment een hulpaanbod van de politie lag, die bereid was om haar met haar problemen met het slachtoffer te helpen.

De rechtbank heeft zorgen over de houding van verdachte tijdens de behandeling van deze zaak; anders dan haar mededaders heeft ze geen inzicht getoond in het laakbare van haar beslissing om deze afrekening op te zetten, noch richting het slachtoffer noch richting de twee mededaders die ze bij haar zaak heeft betrokken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitieel Documentatieregister van

3 november 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het voorlichtingsrapport van de stichting Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem van 10 februari 2009.

De reclassering concludeert dat verdachte een beschadigde jonge vrouw is die zich stoerder voordoet dan zij is. Verdachte is een verbitterde jonge puber en binnenvetter die niet weet wat zij met haar toekomst aan moet. Doordat zij niet met haar gevoelens kan omgaan resulteert dit regelmatig in een woede explosie. De reclassering adviseert om verdachte als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Het is op deze grond dat de rechtbank de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Niet gebleken is van omstandigheden die zich tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf verzetten. Tevens is een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats bij verdachte. Verdachte kan door het opgelegde reclasseringscontact werken aan haar opgekropte woede en verdriet door in behandeling bij de Waag te gaan. Als blijkt dat verdachte eerder psychiatrische hulp nodig heeft dient zij deze te krijgen. Ter zitting komt verdachte over als een jonge vrouw die totaal geen inzicht heeft in haar handelen en de gevolgen daarvan.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 57, 285, 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten raad;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 31 oktober 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 3 november 2008,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt een behandeling bij de Waag te Delft en een psychiatrisch onderzoek en/of behandeling;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde instelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Van Rossum, voorzitter,

Pabbruwe en Smelt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bouda, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2009.

(1) Waar hierna wordt verwezen naar dossierpagina's worden -tenzij anders vermeld- bedoeld de pagina's van de bundel doorgenummerde processen-verbaal met nummer PL 1581/2008/25164-35, Politie Haaglanden, met bijlagen;

(2) Proces verbaal van verhoor van verdachte [A.], blz. 63, eerste alinea;

(3) Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 12 februari 2009;

(4) Proces verbaal van verhoor van verdachte [A.], blz. 63, eerste alinea;

(5) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [P.], blz. 122 , laatste zinnen en eerste zinnen van blz. 123;

(6) Proces verbaal van verhoor van verdachte [A.], blz. 63, derde alinea en het proces verbaal van verdachte [K.], blz 54, derde alinea;

(7) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [K.], blz. 54, derde alinea

(8) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [K.], blz. 55, eerste alinea en proces verbaal van verhoor van verdachte [A.], blz. 64, derde alinea;

(9) Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 12 februari 2009;

(10) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [K.], blz. 55, eerste alinea;

(11) Proces-verbaal van verhoor van verdachte [P.], blz. 123, derde alinea;

(12) Proces-verbaal van aangever I.[slachtoffer], blz. 36, eerste alinea