Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4054

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
09/925755-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brute winkeloverval, waarbij hij zich heeft bediend van een nepvuurwapen. Het wapen was onder de gegeven omstandigheden niet van echt te onderscheiden. Verdachte is bij binnenkomst in de bloemenwinkel rechtstreeks naar de kassa gelopen, heeft zijn wapen op het slachtoffer gericht en geld geëist. Nadat verdachte een geldbedrag had buitgemaakt heeft hij, bij het verlaten van de winkel, zijn wapen op het andere slachtoffer gericht. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zeer zwaar aan. Hij heeft de slachtoffers grote angst aangejaagd, getuige hun verklaringen bij de politie. Bovendien veroorzaakt dit soort schokkende feiten ook in de rest van de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid, temeer nu het feit midden op de dag plaatsvond in een winkelcentrum.

Gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/925755-08

Datum uitspraak: 18 februari 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1969,

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 december 2008 en 4 februari 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. H.J. Talsma heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde (diefstal met geweld), 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt verplichte begeleiding en behandeling binnen de verslavingszorg.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij inzake de immateriële schade, ter hoogte van € 1600,=, en tot de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij inzake de materiële schade, ter hoogte van € 80,=.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1600,=, subsidiair 32 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.].

De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 11 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter zitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 september 2008 te Zoetermeer met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 765 euro, althans enig

geldbedrag/goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel A.] (gelegen

aan de Lijnbaan), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [A.] en/of [B.], gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- op de toonbank leggen van een (nep)pistool, althans een (nep)vuurwapen en/of

- op die [A.] en/of [B.] richten van dat (nep)vuurwapen en/of

- meermalen, althans eenmaal, overhalen van de trekker van dat (nep)vuurwapen

en/of

- die [A.] (op dreigende toon) toevoegen van de woorden: "Mevrouw kassa

open maken en het geld" en/of "Mevrouw, geld uit de kassa", althans woorden

van soortgelijke aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 17 september 2008 te Zoetermeer met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [A.] en/of [B.]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van ongeveer 765 euro) dat geheel of ten dele toebehoorde aan [winkel A.], althans aan een ander dan verdachte, welke

bedreiging bestond uit het:

- op de toonbank leggen van een (nep)pistool, althans een (nep)vuurwapen en/of

- op die [A.] en/of [B.] richten van dat (nep)vuurwapen en/of

- meermalen, althans eenmaal, overhalen van de trekker van dat (nep)vuurwapen

en/of

- die [A.] (op dreigende toon) toevoegen van de woorden: "Mevrouw kassa

open maken en het geld" en/of "Mevrouw, geld uit de kassa", althans woorden

van soortgelijke aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 september 2008 te Zoetermeer [B.] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

-een (nep)pistool, althans een (nep)vuurwapen, op (borsthoogte van) die

[B.] gericht en/of

-meermalen, althans eenmaal, de trekker van dat (nep)vuurwapen overgehaald;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 17 september 2008 te Zoetermeer (een) wapen(s) van

categorie I onder 7°, te weten een speelgoedrevolver, zijnde (een)

voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een

sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor

ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen de verdachte onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde diefstal met geweld, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewijsoverwegingen.

T.a.v. feit 1:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde overval. Uit de aangifte van het slachtoffer [A.] en de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting en tegenover de politie blijkt dat verdachte op 17 september 2008 met een nepvuurwapen naar [winkel A.] te Zoetermeer is gegaan. Verdachte heeft dit nepvuurwapen vervolgens op de toonbank gelegd en op [A.] gericht en daarbij op dreigende toon geld geëist.

De rechtbank acht hier - anders dan de officier van justitie primair heeft bepleit - bewezen dat de verdachte het slachtoffer [A.] onder bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag. De rechtbank overweegt hiertoe dat het voor verdachte niet mogelijk was geweest het geld vanaf de balie weg te nemen zonder de voorafgaande handelingen van het slachtoffer [A.], immers heeft die [A.] de kassa geopend en het geld uit de kassa gepakt. Daar doet niet aan af dat het slachtoffer het geld (deels) niet in de handen van verdachte gaf, maar vóór hem op de toonbank heeft gelegd, waardoor verdachte dat geld kon wegnemen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de wegnemingshandeling, zal de rechtbank verdachte vrij spreken van de primair ten laste gelegde diefstal met geweld en, gelet op het voorgaande, de afpersing bewezen verklaren.

T.a.v. feit 2

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat het slachtoffer [B.] zich, getuige haar verklaring bij de politie, in eerste instantie niet bedreigd voelde. De raadsvrouw heeft betoogd dat daarom geen sprake kan zijn van een strafbare bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank wijst er op dat volgens de jurisprudentie niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in haar vrijheid belemmerd achtte. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Naar het oordeel van de rechtbank wordt door het richten van een nepvuurwapen op een persoon in het algemeen vrees opgewekt, hetgeen reeds voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde afpersing en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze als volgt is vermeld:

1.

hij op 17 september 2008 te Zoetermeer met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [A.] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 765 euro dat geheel toebehoorde aan [winkel A.], welke

bedreiging bestond uit het:

- op de toonbank leggen van een nepvuurwapen en

- op die [A.] richten van dat nepvuurwapen en

- die [A.] op dreigende toon toevoegen van de woorden: "Mevrouw kassa open maken en het geld" en "Mevrouw, geld uit de kassa";

2.

hij op 17 september 2008 te Zoetermeer [B.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een nepvuurwapen op die [B.] gericht;

3.

hij op 17 september 2008 te Zoetermeer een wapen van categorie I onder 7°, te weten een speelgoedrevolver, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brute winkeloverval, waarbij hij zich heeft bediend van een nepvuurwapen. Het wapen was onder de gegeven omstandigheden niet van echt te onderscheiden. Verdachte is bij binnenkomst in de bloemenwinkel rechtstreeks naar de kassa gelopen, heeft zijn wapen op het slachtoffer [A.] gericht en geld geëist. Nadat verdachte een geldbedrag had buitgemaakt heeft hij, bij het verlaten van de winkel, zijn wapen op het slachtoffer [B.] gericht. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zeer zwaar aan. Hij heeft de slachtoffers grote angst aangejaagd, getuige hun verklaringen bij de politie en de slachtofferverklaring van [A.]. Bovendien veroorzaakt dit soort schokkende feiten, naar algemeen bekend en begrijpelijk is, ook in de rest van de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid, temeer nu het feit midden op de dag plaatsvond in een winkelcentrum.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt de rechtbank tevens dat uit een verdachte betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 18 september 2008 is gebleken dat hij in het verleden veelvuldig ter zake van strafbare feiten is veroordeeld, waaronder meerdere winkeldiefstallen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de deskundigenrapportages van psycholoog W.J.L. Lander d.d. 5 januari 2009, van psychiater in opleiding G. Cohen, onder supervisie van psychiater B.J.H. van der Hoeven d.d. 19 januari 2009 en de voorlichtingsrapportage van A. Schreurs van de reclassering d.d. 2 februari 2009. Uit de deskundigenrapportages blijkt dat bij verdachte sprake is van verslavingsproblematiek. Verdachte is afhankelijk van alcohol en tevens is sprake van misbruik van kalmerende middelen. Ten tijde van het delict was verdachte eveneens onder invloed van alcohol en kalmerende middelen. Daarnaast is door de deskundigen vastgesteld dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis heeft met antisociale en narcistische kenmerken. Beide deskundigen achten verdachte wel volledig toerekeningsvatbaar ten tijde van het plegen van voornoemde delicten. Zij hebben hierbij meegewogen dat verdachte geacht kan worden bekend te zijn met de werking van alcohol en kalmeringsmiddelen. Beiden adviseren, in overstemming met het advies van Schreurs, toezicht van de reclassering, in het bijzonder gelet op de verslavingsproblematiek van verdachte die bij de gepleegde delicten een rol heeft gespeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de feiten het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht echter eveneens een voorwaardelijke straf geïndiceerd als stok achter de deur, alsmede om toezicht van de reclassering op te leggen, zodat de reclassering een vinger aan de pols kan houden.

De vordering van de benadeelde partij.

[A.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1680,=. Deze vordering valt uiteen in een bedrag van € 80,= als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 1.600,= als vergoeding voor de geleden immateriële schade.

Het gevorderde bedrag van € 80,= aan materiële schade zal de rechtbank afwijzen, nu dit schade betreft die door de [winkel A.] is geleden. De benadeelde partij kan, als medewerkster van de [winkel A.], niet worden aangemerkt als rechtstreeks benadeelde van de geleden materiële schade.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij leed is toegebracht en dat zij hierdoor immateriële schade heeft geleden. De omvang van deze schade laat zich naar het oordeel van de rechtbank evenwel nog niet volledig begroten nu onduidelijk is gebleven hoe ernstig het psychisch leed is dat benadeelde heeft geleden en of zij hiervoor bijvoorbeeld professionele hulp heeft moeten inschakelen. Op basis van de thans beschikbare gegevens ziet de rechtbank aanleiding de benadeelde partij een voorschot toe te kennen, welk voorschot zij begroot op € 500,=. De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 500,=. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.].

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 11 genummerde voorwerp.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en

- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde diefstal met geweld heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde afpersing en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

afpersing;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met art. 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, te weten dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt verplichte begeleiding en behandeling binnen de verslavingszorg;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 18 september 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 19 september 2008;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriele schade gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A.], een bedrag van € 500,=;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de immateriele schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af voor wat betreft de materiële schade ter hoogte van € 80,=;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.];

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

gelast de teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder 11 genummerde voorwerp, te weten: een contant geldbedrag ter hoogte van € 45,=.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.H. Bergman, voorzitter,

O.F. Bouwman en G.M.G. Hink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Wesseldijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2009.

Mr. G.M.G. Hink is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.