Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3897

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
AWB 09/3253
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansluitend inbewaringstelling, strafrechtelijke detentie, en inbewaringstelling. Tijdens de strafrechteljke detentie geldt inspanningsverplichting, geen verplichting tot voortvarend handelen.

Eisers standpunt dat in dit geval verweerder al gedurende de strafrechtelijke detentie voortvarend had moeten handelen wordt door de rechtbank niet gevolgd. Volgens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen wordt dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moeten worden. Uit de uitspraak van de ABRvS van 11 februari 2002 (LNJ:AE2317) blijkt dat deze paragraaf een inspanningsverplichting van de staatssecretaris behelst en geen garantie aan vreemdelingen biedt dat zij na strafrechtelijke detentie niet in bewaring zullen worden gesteld. Uit de uitspraak van de ABRvS van 26 oktober 2004 volgt dat bij de beoordeling van het bestreden besluit de onmiddellijk aan de inbewaringstelling voorafgaande periode van aansluitende vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke detentie moet worden betrokken. De ABRvS oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat een belangenafweging niet aan de orde kon zijn, aangezien een nieuwe periode van zes maanden was aangevangen. Deze uitspraak betreft derhalve de vraag of de direct aan de inbewaringstelling voorafgaande detentie(s) dient te worden meegenomen bij de totale duur van de detentie in verband met de belangenafweging. Uit deze uitspraak valt naar het oordeel van de rechtbank echter niet af te leiden dat als de inbewaringstelling vooraf is gegaan door een strafrechtelijke detentie en daarvoor door een vreemdelingrechtelijke detentie er gedurende de strafrechtelijke detentie geen inspanningsverplichting geldt voor verweerder, maar door verweerder voldoende voortvarend dient te worden gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/3253

inzake:

[eiser], geboren in [1973], van (gestelde) Algerijnse nationaliteit,

gemachtigde: mr. M.I. Vennik, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.N.C. Vissers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 30 januari 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 2 februari 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 februari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.L. Selmi als tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is op 30 september 2008 in bewaring gesteld. Deze bewaring is op 22 oktober 2008 opgeheven wegens het uitzitten van een straf. Aansluitend aan deze strafrechtelijke detentie is eiser op 30 januari 2009 wederom in bewaring gesteld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) moet 30 september 2008 als ingangsdatum van de inbewaringstelling worden gezien.

Er is onvoldoende voortvarend gehandeld. Verweerder heeft tussen 22 oktober 2008 en 28 januari 2009 (op die dag heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden) geen uitzettingshandelingen verricht. Dat de presentatie van eiser bij de Algerijnse autoriteiten op 6 januari 2009 is geannuleerd komt voor risico van verweerder. Het lijkt er niet op dat verweerder druk heeft gezet op de autoriteiten om eerder tot een gesprek te komen. Hoewel er reeds een laissez-passer (lp)aanvraag is verzonden, is er niet gerappelleerd. De belangenafweging moet in het voordeel van eiser uitvallen. Eiser is ongewenst verklaard, maar heeft wel meegewerkt aan de taalanalyse. Ook uit het gehoor op 8 oktober 2008 blijkt dat eiser voldoende meewerkt, evenals uit het verhoor in juli 2008 waarin eiser een nationaliteitsverklaring heeft ingevuld. De rechtbank moet toetsen of er voldoende voortvarend is gehandeld tijdens de strafrechtelijke detentie, niet of toen aan de inspanningsverplichting is voldaan.

Er is geen zicht op uitzetting. Jaren geleden is een taalanalyse gedaan, waarna eiser ruim een jaar in bewaring heeft gezeten. Er zijn allerlei onderzoeken bij de Algerijnse autoriteiten geweest. Kennelijk is er ooit wel een lp afgegeven.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is in 2004 ongewenst verklaard. Na deze ongewenstverklaring zijn nog twee strafrechtelijke detenties geweest. Gelet op eisers criminele antecedenten is het belang van de Staat inzake uitzetting hoog. Tijdens eisers vorige inbewaringstelling is een lp-aanvraag voor Algerije opnieuw opgestart, deze is op 8 oktober 2008 doorgestuurd naar Algerije. Eiser zou gepresenteerd worden op 6 januari 2009, echter op deze dag is er iets misgegaan waarna de presentatie is geannuleerd. Voor 17 maart 2009 staat een nieuwe presentatie gepland. Binnen de mogelijkheden die er waren is voortvarend gehandeld. Zoals de ABRvS in de uitspraak van 26 oktober 2004 (nr. 200406998/1) heeft overwogen moet bij de beoordeling van de oplegging van de maatregel de onmiddellijk aan de inbewaringstelling voorafgaande periode van aansluitende vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke detentie van de desbetreffende vreemdeling worden betrokken. Tijdens de strafrechtelijke detentie was verweerder in afwachting van de presentatie op 6 januari 2009. Rappelleren was niet zinvol nu reeds een presentatie was gepland. Los van het feit dat deze presentatie uiteindelijk werd geannuleerd, had er niet sneller gehandeld kunnen worden. Gezien de nieuwe presentatiedatum is er zicht op uitzetting.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

Eisers standpunt dat in dit geval verweerder al gedurende de strafrechtelijke detentie voortvarend had moeten handelen wordt door de rechtbank niet gevolgd. Volgens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen wordt dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moeten worden. Uit de uitspraak van de ABRvS van 11 februari 2002 (LNJ:AE2317) blijkt dat deze paragraaf een inspanningsverplichting van de staatssecretaris behelst en geen garantie aan vreemdelingen biedt dat zij na strafrechtelijke detentie niet in bewaring zullen worden gesteld. Uit de uitspraak van de ABRvS van 26 oktober 2004 volgt dat bij de beoordeling van het bestreden besluit de onmiddellijk aan de inbewaringstelling voorafgaande periode van aansluitende vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke detentie moet worden betrokken. De ABRvS oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat een belangenafweging niet aan de orde kon zijn, aangezien een nieuwe periode van zes maanden was aangevangen. Deze uitspraak betreft derhalve de vraag of de direct aan de inbewaringstelling voorafgaande detentie(s) dient te worden meegenomen bij de totale duur van de detentie in verband met de belangenafweging. Uit deze uitspraak valt naar het oordeel van de rechtbank echter niet af te leiden dat als de inbewaringstelling vooraf is gegaan door een strafrechtelijke detentie en daarvoor door een vreemdelingrechtelijke detentie er gedurende de strafrechtelijke detentie geen inspanningsverplichting geldt voor verweerder, maar door verweerder voldoende voortvarend dient te worden gehandeld.

Beoordeeld moet worden of verweerder tot aan het moment van de inbewaringstelling op 30 januari 2009 heeft voldaan aan de inspanningsverplichting. Voor 6 januari 2009 stond een presentatie van eiser bij de Algerijnse autoriteiten gepland. Door toedoen van verweerder is deze presentatie geannuleerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de inspanningsverplichting heeft geschonden. Immers, door toedoen van verweerder ging de presentatie niet door. Verweerder had zich voldoende moeten inspannen om de presentatie wel door te laten gaan. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS maakt de enkele omstandigheid dat verweerder aldus niet heeft voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld, de daaropvolgende bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De onafgebroken vrijheidsbeneming duurt inmiddels ruim vier maanden. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de belangenafweging in het voordeel van verweerder dient uit te vallen. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat eiser ongewenst is verklaard en criminele antecedenten heeft. Voorts is er een presentatie gepland op 17 maart 2009, en heeft eiser van de vier maanden vrijheidsbeneming drie maanden in strafrechtelijke detentie gezeten. Derhalve leidt het niet voldoen aan de inspanningsverplichting niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.

Ten aanzien van het zicht op uitzetting oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser zal op 17 maart 2009 worden gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Ook de uitslag van de taalanalyse was eenduidig Algerije. Verweerder dient vooralsnog in de gelegenheid te worden gesteld de resultaten van het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten af te wachten. Naar het oordeel van de rechtbank is er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Voorts merkt de rechtbank nog op dat het feit dat tijdens eerdere bewaringen geen lp’s zijn verstrekt aan het voorgaande niet afdoet, gelet op het tijdsverloop tussen de huidige inbewaringstelling en de voorlaatste inbewaringstelling.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de korte duur van de bewaring niet gesteld kan worden dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld.

Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2009.

Afschrift verzonden op:

Conc.:JSL

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.