Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3863

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/45518
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing ivm schending recht op rechtsbijstand

Eiser heeft onbestreden gesteld dat hij tijdens het strafrechtelijk voortraject meermalen heeft aangegeven dat hij zijn voorkeursadvocaat mr. Jansen wilde raadplegen, en dat hij dit ook heeft gezegd bij het gehoor voor de inbewaringstelling. Blijkens het proces-verbaal van dit gehoor is mr. Jansen voor de aanvang van het gehoor per fax ook op de hoogte gesteld van eisers inbewaringstelling. Dat, zoals het proces-verbaal vermeldt, vervolgens door eiser gezegd zou zijn dat hij geen behoefte had aan aanwezigheid van zijn advocaat tijdens het gehoor en dat het voldoende zou zijn als zijn advocaat hem in de verdere procedure zou bijstaan, acht de rechtbank, gelet op hiervoor genoemde omstandigheden niet aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de sterke bewijskracht die normaliter toekomt aan een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, in dit geval sterkere bewijskracht toekomt aan eisers verklaringen, nu die verklaringen worden gesteund door de genoemde omstandigheden waaronder met name de vermelding in het proces-verbaal dat mr. Jansen wel per fax op de hoogte is gesteld van de op handen zijnde inbewaringstelling. Vervolgens is niet, zoals verweerders beleid voorschrijft, twee uur gewacht met het horen van eiser maar is direct met het gehoor begonnen zonder aanwezigheid van mr. Jansen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een procedureel gebrek op van ernstige aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Proces-verbaal van de zitting van 13 januari 2009 inhoudende mondelinge

Uitspraak

op grond van artikel 8:67 j? 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/45518

V-nr.: [...]

inzake:

[eiser], van (gestelde) Algerijnse nationaliteit,

gemachtigde: mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Groenendijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Eiser is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F. Lahraoui, als tolk in de Arabische taal.

Op 30 december 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Het onderhavige beroep betreft een eerste beroep. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

MOTIVERING

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Gebleken is dat eiser in de gehoren tijdens het strafrechtelijk voortraject reeds heeft aangegeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft die hij wilde raadplegen. Dit is in ieder geval vermeld in het proces-verbaal van het gehoor voor de inverzekeringstelling. Eiser heeft ter zitting onbestreden gesteld dat hij gedurende drie dagen, iedere dag, heeft aangegeven dat hij advocaat Jansen wilde spreken, en dat hij dit ook heeft gezegd bij het gehoor voor de inbewaringstelling. Blijkens het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is mr. Jansen voor de aanvang van het gehoor per fax ook op de hoogte gesteld van eisers inbewaringstelling.

Dat, zoals dit proces-verbaal voorts vermeldt, vervolgens door eiser gezegd zou zijn dat hij geen behoefte had aan aanwezigheid van zijn advocaat tijdens het gehoor en dat het voldoende zou zijn als zijn advocaat hem in de verdere procedure zou bijstaan, acht de rechtbank, gelet op hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, niet aannemelijk. Die genoemde omstandigheden duiden er eerder op dat eiser wel degelijk heeft aangegeven dat hij zijn advocaat bij het gehoor aanwezig wilde laten zijn dan dat hij dat niet zou hebben gezegd. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks de sterke bewijskracht die normaliter toekomt aan een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, in dit geval sterkere bewijskracht toekomt aan eisers verklaringen, nu die verklaringen worden gesteund door de genoemde omstandigheden waaronder met name de vermelding in het proces-verbaal van gehoor voor de inbewaringstelling dat mr. Jansen wel per fax op de hoogte is gesteld van de op handen zijnde inbewaringstelling.

Vervolgens is niet, zoals verweerders beleid voorschrijft, twee uur gewacht met het horen van eiser maar is direct met het gehoor begonnen zonder aanwezigheid van mr. Jansen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een procedureel gebrek op van ernstige aard. Dit leidt eerst tot onrechtmatigheid van de maatregel indien de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het door het gebrek geschonden belang. In het onderhavige geval heeft verweerder onder meer aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en gebruik heeft gemaakt van aliassen. Daartegenover staat dat eiser niet ongewenst is verklaard en er geen sprake is van een staatsveiligheidsbelang. Tevens is er van de kant van eiser sprake van een medisch belang. De ernst van het gebrek is niet onaanzienlijk te achten. Zeker in situaties van detentie is het recht op rechtsbijstand een belangrijke waarborg. De genoemde belangen over en weer in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is de bewaring van aanvang af onrechtmatig geweest. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 13 januari 2009.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen, maar ziet aanleiding de hoogte van de schadevergoeding te matigen tot 50 %, en wel tot een bedrag van € 52,50-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 40,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 675,--. (6 x € 52,50 en 9 x € 40,--).

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt dat de bewaring ingaande 13 januari 2009 wordt opgeheven, veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 675,-- (zegge: zeshonderd en vijfenzeventig euro), te betalen aan eiser; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vier en veertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

M.M.J. Mooijer mr. H.J.M. Baldinger

griffier voorzitter

afschrift verzonden op: 15 januari 2009

Conc.:

Coll.:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.