Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3860

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
AWB 09/00857
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond geen consulaire bijstand

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 niet kan worden opgemaakt dat eiser in het onderhavige geval is gewezen op het recht op consulaire bijstand. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij op dit recht niet gewezen is tijdens dit gehoor. Er is, aldus eiser, alleen gesproken over bijstand door een advocaat, maar niet over consulaire bijstand. Het proces-verbaal van genoemd gehoor vermeldt wel dat er is gezegd door verbalisanten: “U staat niet bij ons in de computer. U heeft geen documenten om aan te tonen dat u een Let bent. Wij zullen dit via Uw consulaat moeten opvragen.” Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen mededeling gedaan aan eiser van zijn recht op consulaire bijstand. Een en ander in onderlinge samenhang bezien concludeert de rechtbank het ervoor dat eiser niet op genoemd recht is gewezen. Dit levert een procedureel gebrek op.

De rechtbank stelt vast dat niet door verweerder is aangevoerd, en ook niet is gebleken, van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder, zoals bijvoorbeeld criminele antecedenten bij eiser, een ongewenstverklaring of een gevaar voor de staatsveiligheid. Daar staat tegenover dat de belangen die zijn geschonden door genoemd procedureel gebrek in dit geval niet als gering kunnen worden aangemerkt nu eiser zelf blijkens het proces-verbaal van gehoor van artikel 59 van de Vw 2000 heeft gezegd dat hij hulp wil van zijn consulaat. Tot op heden is niet gebleken dat er iets met dit verzoek door verweerder is gedaan.

Een en ander tegen elkaar afwegend kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Hieruit volgt dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van de datum van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2009 inhoudende mondelinge

Uitspraak

op grond van artikel 8:67 j? 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 09/857

V-nr.: [...]

inzake:

[eiser], van (gestelde) Letse nationaliteit,

gemachtigde: mr. M. Leferink, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.F. Mensink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Eiser is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig

J.G. Quak, tolk in de Russische taal.

Op 11 januari 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Het onderhavige beroep betreft een eerste beroep. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

MOTIVERING

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

De gemachtigde van eiser heeft onder meer aangevoerd dat eiser ten onrechte niet op het recht op consulaire bijstand is gewezen.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, voor zover thans van belang, moeten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Staat de consulaire post van de zendstaat onverwijld ervan in kennis stellen, dat binnen zijn ressort een onderdaan van die Staat is gearresteerd, gevangengenomen of in voorarrest is geplaatst of op enigerlei andere wijze in verzekerde bewaring wordt gesteld, indien de betrokkene zulks verzoekt. Bovengenoemde autoriteiten dienen de betrokken persoon onverwijld van zijn rechten krachtens deze alinea in kennis te stellen.

Ingevolge artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt, voor zover thans van belang, op verzoek van de vreemdeling van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan een in Nederland gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 niet kan worden opgemaakt dat eiser in het onderhavige geval is gewezen op het recht op consulaire bijstand. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij op dit recht niet gewezen is tijdens dit gehoor. Er is, aldus eiser, alleen gesproken over bijstand door een advocaat, maar niet over consulaire bijstand. Het proces-verbaal van genoemd gehoor vermeldt wel dat er is gezegd door verbalisanten: “U staat niet bij ons in de computer. U heeft geen documenten om aan te tonen dat u een Let bent. Wij zullen dit via Uw consulaat moeten opvragen.” Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen mededeling gedaan aan eiser van zijn recht op consulaire bijstand. Een en ander in onderlinge samenhang bezien concludeert de rechtbank het ervoor dat eiser niet op genoemd recht is gewezen. Dit levert een procedureel gebrek op.

Verweerder heeft betoogd dat de belangenafweging die dient te worden gemaakt na constatering van het gebrek in zijn voordeel dient uit te vallen. Verweerder heeft hierbij gewezen op de gronden van de maatregel. Eiser beschikt niet over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, heeft zich niet gemeld bij de korpschef en heeft geen middelen van bestaan. Voorts dient, aldus verweerder, te worden meegewogen dat er een brief uit België is waarin staat vermeld dat eiser België moest verlaten en tevens niet in andere EU-landen mag verblijven tenzij hij in het bezit is van juiste documenten.

De rechtbank stelt vast dat niet door verweerder is aangevoerd, en ook niet is gebleken, van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder, zoals bijvoorbeeld criminele antecedenten bij eiser, een ongewenstverklaring of een gevaar voor de staatsveiligheid. Daar staat tegenover dat de belangen die zijn geschonden door genoemd procedureel gebrek in dit geval niet als gering kunnen worden aangemerkt nu eiser zelf blijkens het proces-verbaal van gehoor van artikel 59 van de Vw 2000 heeft gezegd dat hij hulp wil van zijn consulaat. Tot op heden is niet gebleken dat er iets met dit verzoek door verweerder is gedaan.

Een en ander tegen elkaar afwegend kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Hieruit volgt dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van de datum van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve 2x € 105,-- en 7x € 80,-- , in totaal € 770,--.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt dat de bewaring ingaande heden wordt opgeheven, veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 770,-- (zegge: zevenhonderdzeventig euro), te betalen aan eiser; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

W. de Jong-Koops mr. drs. H.J.M. Baldinger

griffier voorzitter

afschrift verzonden op:

Conc.: WdJ

Coll.:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.