Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3857

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/23259
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

COA / noodzakelijke kosten / contra-expertise documentenonderzoek

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie niet volgt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) een uitdrukkelijk onderscheid maakt met betrekking tot de mogelijkheden van het laten verrichten van een contra-expertise voor taalanalyse enerzijds en een contra-expertise voor documentenonderzoek anderszijds. De mogelijkheid om tegenbewijs te leveren bestaat dan ook los van de vraag of de IND die mogelijkheid in haar voornemen of besluit expliciet vermeld. Zonder nadere motivering ziet de rechtbank dan ook niet in waarop het door verweerder gehanteerde onderscheid tussen de contra-expertise voor een taalanalyse enerzijds, en de contra-expertise voor documentenonderzoek anderzijds, is gebaseerd. Daar komt bij dat, indien er al sprake zou zijn van een dergelijk onderscheid omdat tegenbewijs na een documentenonderzoek niet te leveren zou zijn, niet valt in te zien waarom de IND dit in een aantal gevallen wel zou toestaan.

Daarnaast ziet de rechtbank niet in dat zelfs indien een dergelijk onderscheid gerechtvaardigd zou zijn en de noodzakelijkheid van de te maken kosten voor contra-expertise bij een documentenonderzoek zou afhangen van de vraag of de IND eiser op deze mogelijkheid heeft gewezen, waarom verweerder in het onderhavige geval niet is overgegaan tot vergoeding van de door eiser verzochte kosten van een contra-expertise voor documentenonderzoek. Uit het voornemen en de beschikking van de IND blijkt immers dat de IND zich op het standpunt stelde dat voor eiser de mogelijkheid open stond om een contra-expertise te laten verrichten teneinde het resultaten van het onderzoek te betwisten.

Verweerder heeft derhalve gelet op het vorenstaande onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser gemaakte kosten voor de contra-expertise documentenonderzoek geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 17, vierde lid, van de Rva 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/23259

V-nr: [...]

inzake:

[eiser], geboren in [1972], van Pakistaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. G.E. Jans, advocaat te Amsterdam,

tegen:

Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 24 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 mei 2008 tot verlening van een vergoeding van de verschuldigde buitengewone kosten in verband met de kosten van een contra-expertise documentenonderzoek voor de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, afgewezen. Op 27 juni 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Tevens was ter zitting aanwezig S.P. Baksoellah, als tolk Punjabi.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de kosten van een contra-expertise voor documentenonderzoek niet als buitengewone kosten worden vergoed, omdat deze kosten geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005 zijn. Blijkens het bestreden besluit, toegelicht in het verweerschrift, neemt verweerder als uitgangspunt voor het beoordelen van de noodzakelijkheid van de aan een dergelijke contra-expertise verbonden kosten, het voornemen of de beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien in het voornemen of de beschikking geen mogelijkheid wordt geboden voor het laten verrichten van een contra-expertise voor documentenonderzoek dan zal verweerder concluderen dat de kosten verbonden aan het laten verrichten van een zodanig contra-expertise geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 van de Rva zijn. Hiertoe is redengevend dat, anders dan bij een taalanalyse, de uitkomst van een documentenonderzoek door de IND, niet aan twijfel onderhevig is. Met andere woorden: vals is vals.

2. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. De geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser hangt af van de uitkomst van de contra-expertise over de authenticiteit van zijn documenten. Het bestreden besluit impliceert dat verweerder zich laat leiden door de negatieve beschikking van de IND, terwijl een contra-expertise voor documentenonderzoek bepalend is voor de verlening van een asielvergunning. Het vergoeden van een dergelijke contra-expertise moet niet afhangen van het voornemen of de beschikking van de IND. Bovendien blijkt uit het voornemen en de beschikking van de IND in onderhavig geval dat eiser wordt verweten dat hij geen contra-expertise heeft laten verrichten om de valsheid van zijn documenten te betwisten. Hieruit volgt dat de IND eiser de mogelijkheid biedt voor het verrichten van een contra-expertise voor documentenonderzoek. Eiser wordt op deze wijze een fundamenteel recht om nader bewijs te leveren in de asielprocedure onthouden. Gelet op het belang van een contra-expertise in de zaak van eiser en het verblijf van eiser in het Asielzoekerscentrum te Middelbrug kunnen de hieraan verbonden kosten als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 17 van de Rva 2005 worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

3. Artikel 12 van de Wet COA stelt de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in staat regels vast te stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen in een opvangvoorziening.

4. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005 is bepaald dat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval de betaling van buitengewone kosten omvat.

5. In artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 wordt bepaald dat een asielzoeker een vergoeding kan ontvangen voor buitengewone kosten, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005, die hij heeft gemaakt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Voorts bepaalt het derde lid van voormeld artikel dat buitengewone kosten slechts worden betaald voor zover vooraf door het orgaan aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. Vervolgens bepaalt het vierde lid dat een asielzoeker aanspraak maakt op vergoeding van buitengewone kosten in geval het noodzakelijke kosten betreft en in die kosten niet op andere wijze kan worden voorzien.

6. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat de door eiser verzochte vergoeding van de kosten geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 17, vierde lid, van de Rva 2005, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

7. Allereerst overweegt de rechtbank dat eiser eerst bij faxbericht van 6 januari 2009, twee dagen voor de zitting, nadere stukken aan de rechtbank en verweerder heeft doen toekomen. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 8:58 van de Awb, op grond waarvan slechts tot tien dagen voor de zitting door partijen nadere stukken kunnen worden ingediend. Bij faxbericht van 30 oktober 2008 heeft de rechtbank eiser hierop gewezen. Niet valt in te zien waarom eiser niet eerder met de in de nadere aanvulling genoemde argumenten had kunnen komen nu de kern van het geschil reeds bekend was. De rechtbank zal deze stukken derhalve niet bij de beoordeling betrekken.

8. Verweerder heeft ter uitvoering van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, en artikel 17 van de Rva 2005 zijn gedragslijn geformuleerd die is neergelegd in een (interne) notitie van het COA van 17 juni 2008, getiteld: “notitie vergoeding buitengewone kosten” (de notitie), waarbij een “lijst van als buitengewone kosten aan te merken kosten” (de lijst) is toegevoegd. De rechtbank gaat er van uit dat de inhoud van deze notitie de ter uitvoering van artikel 17, vierde lid, van de Rva 2005 bestendige gedragslijn van verweerder weergeeft. Hoewel deze notitie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb is vastgesteld en dus niet de status van beleidsregel heeft, beroept verweerder zich er in deze zaak op ter motivering van het bestreden besluit met de toelichting in het verweerschrift en dient verweerder ook aan het in deze notitie neergelegde te worden gehouden. De rechtbank overweegt vervolgens dat dit verweerder niet ontslaat van zijn verplichting deugdelijk te motiveren waarom er geen sprake zou zijn van buitengewone kosten. Tevens zal de rechtbank het standpunt van verweerder hieromtrent vol toetsen.

9. De contra-expertise is opgenomen in de bij de notitie horende lijst. Ten aanzien van contra-expertise voor documentenonderzoek, zoals in deze zaak, is in de lijst van de notitie beschreven dat deze aanvragen afwijken van de “gewone” aanvragen die zien op vergoeding van de kosten van een contra-expertise. Indien het een contra-expertise voor documentenonderzoek betreft dient (de gemachtigde van) de bewoner een nadere onderbouwing te geven van de noodzakelijkheid van deze kosten door onder meer het overleggen van het voornemen of de beschikking van de IND. Hierin moet worden verwezen naar de mogelijkheid tot het laten verrichten van een contra-expertise of documentenonderzoek. Is die mogelijkheid er niet dan is de noodzakelijkheid niet aangetoond en worden de kosten niet vergoed, aldus de notitie.

10. De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie niet volgt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) een uitdrukkelijk onderscheid maakt met betrekking tot de mogelijkheden van het laten verrichten van een contra-expertise voor taalanalyse enerzijds en een contra-expertise voor documentenonderzoek anderszijds. Uit de uitspraak van 27 september 2005 (LJN: AU3865) van de AbRS blijkt bijvoorbeeld dat de vreemdeling twijfel aan de authenticiteit van documenten kan trachten weg te nemen door het laten verrichten van een contra-expertise. De onderzoeksresultaten van het door eiser overgelegde rapport kunnen als tegenbewijs worden aangemerkt en kunnen worden afgewogen tegen de onderzoeksresultaten van de IND, waarbij dient te worden uitgegaan van de overtuigingskracht van beide rapporten. De mogelijkheid om tegenbewijs te leveren bestaat dan ook los van de vraag of de IND die mogelijkheid expliciet vermeld. Zonder nadere motivering ziet de rechtbank dan ook niet in waarop het door verweerder gehanteerde onderscheid tussen de contra-expertise voor een taalanalyse enerzijds, en de contra-expertise voor documentenonderzoek anderzijds, is gebaseerd. Daar komt bij dat, indien er al sprake zou zijn van een dergelijk onderscheid omdat tegenbewijs na een documentenonderzoek niet te leveren zou zijn, niet valt in te zien waarom de IND dit in een aantal gevallen wel zou toestaan.

11. Daarnaast ziet de rechtbank niet in dat zelfs indien een dergelijk onderscheid gerechtvaardigd zou zijn en de noodzakelijkheid van de te maken kosten voor contra-expertise bij een documentenonderzoek zou afhangen van de vraag of de IND eiser op deze mogelijkheid heeft gewezen, waarom verweerder in het onderhavige geval niet is overgegaan tot vergoeding van de door eiser verzochte kosten van een contra-expertise voor documentenonderzoek. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

12. Uit het voornemen van 20 mei 2008 blijkt dat de IND eiser op grond van artikel 31, tweede lid, onder d, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen dat de door hem overgelegde overlijdensakten van zijn zoontje en broer, alsmede de overgelegde verklaring van de Union Council vals zijn. Hierdoor wordt ernstig getwijfeld aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, als gevolg waarvan eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dit betekent dat de tegenwerping van de valsheid van bovengenoemde documenten cruciaal is voor de asielaanvraag van eiser. Dit wordt bevestigd in de beschikking van 10 juli 2008. Hierin is op vier verschillende momenten in de motivering aan eiser tegengeworpen dat hij geen aanknopingspunten heeft aangedragen die reden geven tot enige twijfel aan de onderzoeksresultaten van de IND en dat hij, ondanks eerdere toezeggingen, geen contra-expertise heeft laten verrichten. De uitkomsten van het onderzoek verricht door de IND zijn daarom betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de in het relaas naar voren gebrachte feiten. Uit het voornemen en de beschikking van de IND blijkt derhalve dat de IND zich op het standpunt stelde dat voor eiser de mogelijkheid open stond om een contra-expertise te laten verrichten teneinde het resultaten van het onderzoek te betwisten.

13. Verweerder heeft derhalve gelet op het vorenstaande onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser gemaakte kosten voor de contra-expertise documentenonderzoek geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 17, vierde lid, van de Rva 2005.

14. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met 3:46 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

15. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

Deze uitspraak is gedaan op door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Soylu, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2009.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: SSS

Coll: EB

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.