Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3841

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
AWB 07/36716
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of de zinsnede ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in artikel 5, derde lid, van de SGC zo kan worden uitgelegd dat het geheel aan de lidstaten is overgelaten om de aan garantstelling te stellen vereisten, waaronder dat van de duurzaamheid van de inkomsten, binnen de grenzen van het redelijke in nationale regelgeving in te vullen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het in paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 weergegeven beleid de toegang mag worden geweigerd als het inkomen van de garantsteller van een visumaanvrager niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet. Dit brengt in de redenering van verweerder mee dat het duurzaamheidsvereiste ook mag worden gesteld bij een aanvraag van een Schengenvisum.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of de nationale regelgeving inderdaad toestaat dat de toegang wordt geweigerd indien het inkomen van de garansteller niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet.

In de nationale regelgeving is de garantstelling geregeld in artikel 2.11 van het Vb 2000. Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, waarin staat dat de toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd.

De rechtbank constateert allereerst dat artikel 2.11 van het Vb 2000 het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet van overeenkomstige toepassing verklaart. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3 van de Vw 2000 eenduidig blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 in een situatie als de onderhavige niet zou worden gesteld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat beleidsonderdeel A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 strijdig is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover in dat beleidsonderdeel is bepaald dat een garantsteller alleen solvabel is indien (onder meer) aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 is voldaan. Het beleidsonderdeel is dan ook wegens strijd met de wet niet verbindend. Hieruit volgt dat de nationale regelgeving niet toestaat dat de toegang wordt geweigerd op de grond dat het inkomen van een garantsteller niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000. Dat brengt mee dat evenmin kan worden volgehouden dat om te kunnen spreken van ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in de zin van artikel 5, derde lid, van de SGC, moet zijn voldaan aan het bedoelde duurzaamheidsvereiste.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 3
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 2.11
Vreemdelingenbesluit 2000 3.75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/36716

V-nr.:

inzake:

[eiseres], geboren in [1986], van Afghaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. M.L. van Riel, advocaat te Hoorn,

tegen:

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 19 december 2006 heeft eiseres bij de Nederlandse ambassade te Islamabad, Pakistan, een aanvraag ingediend om verlening van een visum voor kort verblijf voor bezoek aan ouders, broers en zussen. Bij besluit van 3 januari 2007, bekend gemaakt op onbekende datum, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 16 februari 2007 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 14 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 24 september 2007 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Pirs. Tevens was referent ter zitting aanwezig. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Op 28 juli 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat de zaak zal worden behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank. Op 28 augustus 2008 heeft de behandeling van de zaak door een meervoudige kamer plaatsgevonden. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door haar voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T. Hartsuiker. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een visum voor kort verblijf omdat wordt getwijfeld aan de juistheid van het opgegeven reisdoel, aan de motieven die aan de visumaanvraag ten grondslag liggen en, in het verlengde daarvan, aan de tijdige terugkeer van eiseres naar haar land van herkomst. Tegen de afgifte van een reisvisum aan eiseres bestaan daarom in het belang van de openbare orde bezwaren.

Het staat niet vast dat eiseres over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van levensonderhoud gedurende de bezoekperiode en over middelen voor de terugreis, nu niet is gebleken dat referent duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiseres heeft niet aangegeven voor welke duur zij verblijf beoogt. Voorts heeft referent op 2 november 2005 een verzoek om advies over de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres ingediend. Niet is gebleken van relevante wijzigingen in de sociaal-economische omstandigheden van eiseres in het land van herkomst sinds die adviesprocedure.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat artikel 5, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode of SGC) met betrekking tot garanststellingsverklaringen verwijst naar de nationale regelgeving. Dit artikel verzet zich er dan ook niet tegen dat verweerder aan het begrip ‘solvabele derde’ invulling heeft gegeven door te verwijzen naar de artikelen 3.73 en 3.75 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000.

2. Eiseres heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Eiseres bestrijdt dat niet is voldaan aan het middelenvereiste en beroept zich daarbij op de SGC. Sinds 1 januari 2007 is in verweerders beleid vastgelegd dat de criteria voor de invulling van het begrip solvabele derde bij de beoordeling van een aanvraag van een visum voor kort verblijf gelijk zijn aan de criteria die daarvoor gelden bij een aanvraag van een mvv . Dit beleid is in strijd met de SGC. Gezien de aanvraagdatum is het beleid van vóór 1 januari 2007 van toepassing, in welk beleid minder strenge eisen werden gesteld. Aangesloten moet worden bij het vereiste van € 34 per dag. Indien het beleid van na 1 januari 2007 wel van toepassing is, stelt eiseres zich op het standpunt dat dit beleid onredelijk is. Immers, een garantsteller dient te beschikken over middelen van bestaan die nog voor één jaar beschikbaar zijn, terwijl een visum voor maximaal zes maanden kan worden verleend.

Verweerder heeft ten onrechte niet aannemelijk geacht dat een tijdige terugkeer van eiseres gewaarborgd is. De omstandigheden waarin eiseres verkeert, zijn na het verzoek om advies over de afgifte van een mvv gewijzigd: eiseres is opgenomen in het gezin van de broer van haar moeder. Eiseres heeft een sterke sociale binding met Afghanistan: zij woont daar al haar hele leven, leeft in een stabiel gezinsverband en gaat naar school. Eiseres heeft een economische binding met Afghanistan. Verweerder heeft bij het oordeel over deze economische binding niet betrokken de omstandigheid dat eiseres naar school gaat en dat zij en haar ouders het van belang vinden dat zij haar school afmaakt. Evenmin heeft verweerder daarbij de ongewenste gevolgen van illegaal verblijf betrokken. Aan eiseres is in onderhavige procedure niet gevraagd hoe zij in haar onderhoud voorziet. Verweerder mag zich dan ook niet (zonder nadere motivering) op het standpunt stellen dat de sociaal-economische omstandigheden van eiseres na de mvv-adviesprocedure niet zijn gewijzigd.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de door verweerder in het beleid gegeven uitleg van het begrip solvabele derde in strijd is met hogere regelgeving, waaronder de Schengengrenscode. Op grond van artikel 5, derde lid, van de SGC is het middelenvereiste waaraan een garantsteller dient te voldoen hetzelfde als die waaraan de aanvrager van een visum moet voldoen, zijnde beschikken over de kosten voor de duur van het verblijf en de kosten van de terugreis. In zijn beleid knoopt verweerder voor de invulling van het middelenvereiste van de garantsteller dan ook ten onrechte aan bij het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000, waarin staat dat de middelen van bestaan nog één jaar beschikbaar moeten zijn op het moment dat de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

III. WETTELIJK KADER

1. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Soeverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000.

2. Voor de beoordeling van een visumaanvraag zijn drie Europese rechtsbronnen van toepassing, te weten de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (Schengenuitvoeringsovereenkomst; Trbl. 1990, 154), de Schengengrenscode en de Gemeenschappelijke instructies aan de diplomatieke en consulaire beroepsposten (Gemeenschappelijke Visuminstructie; PB C 326 van 22 december 2005).

3. Op grond van artikel 15 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst mag een visum in beginsel slechts worden afgegeven, voor zover de vreemdeling voldoet aan de toegangsvoorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode, met uitzondering van de onder b) genoemde voorwaarde. Artikel 5 van de Schengengrenscode luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“1. Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

(…)

(c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

(…)

3. Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat of lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen. De door elk van de lidstaten vastgestelde richtbedragen worden meegedeeld aan de Commissie, overeenkomstig artikel 34. De aanwezigheid van voldoende bestaansmiddelen kan worden beoordeeld aan de hand van contant geld, reischeques en creditcards die de onderdaan van een derde land in bezit heeft. Borgstellingen, voor zover de nationale wetgeving daarin voorziet, en garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in de nationale wetgeving, ingeval de onderdaan van een derde land bij een gastheer/-vrouw verblijft, kunnen eveneens als bewijs van voldoende middelen van bestaan gelden.”

4.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 1 mei 2008, wordt de toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is of niet voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld.

4.2 Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de toegang geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Vw 2000, indien de vreemdeling niet voldoet aan de door de ambtenaar belast met grensbewaking gestelde voorwaarde om zekerheid te stellen voor de kosten van verblijf in Nederland en voor de kosten van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is. Ingevolge artikel 2.11, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 kan de zekerheid bestaan uit een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt.

4.3 Hoofdstuk A2/4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 betreft de overschrijding van de buitengrenzen en de toegangsvoorwaarden. Paragraaf A2/4.2.3.2 behandelt de middelen van bestaan en bepaalt onder verwijzing naar artikel 2.11 van het Vb 2000 dat aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken onder voorwaarden toegang kan worden verleend. Een van die voorwaarden is dat de vreemdeling zekerheid stelt doordat een ‘solvabele derde’ zich garant stelt. Voor een nader uitwerking van dat begrip wordt verwezen naar paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000. Daarin is bepaald dat ingeval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, desondanks aan het middelenvereiste kan worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd. Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een netto maandinkomen minimaal gelijk aan het bestaansminimum voor de categorie echtparen en gezinnen in de zin van de Wet werk en bijstand. De begrippen zelfstandig en duurzaam zijn nader uitgewerkt in artikel 3.73 van het Vb 2000 en artikel 3.75 van het Vb 2000 en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.

IV. OVERWEGINGEN

1. Allereerst is in geschil of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar tijdige terugkeer naar Afghanistan niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij een sociale- en economische binding heeft met het land van herkomst. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

2. Uit het toepasselijke Europese recht vloeit voort dat het aan de aanvrager is om een tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. De manier waarop dit aannemelijk kan worden gemaakt, is echter niet in Europese regelgeving vastgelegd. De Staatssecretaris van Justitie heeft in paragraaf A2/4.3.3.1. van de Vc 2000 door het formuleren van een aantal wegingsfactoren invulling gegeven aan de beoordeling van de aannemelijkheid van een tijdige terugkeer naar het land van herkomst. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 15 november 2007 (AWB 07/8470, LJN: BB9898) overwogen dat in dit beleid slechts contra-indicaties zijn opgenomen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat niet aannemelijk is dat een tijdige terugkeer is gewaarborgd. Indicaties op grond waarvan de waarborg van een tijdige terugkeer wel aannemelijk kan zijn, ontbreken. De in het beleid opgenomen wegingsfactoren kunnen naar het oordeel van de rechtbank gelden als tegenbewijs om de stelling van de aanvrager dat deze tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst te ontkrachten. Zij wegen echter niet alle even zwaar. Zo kan aan de omstandigheid dat de visumaanvrager zich bij een eerder bezoek niet heeft gehouden aan de regels omtrent de duur van het verblijf veel waarde toekomen als tegenbewijs tegen de stelling dat zijn tijdige terugkeer gewaarborgd is. Een geringe sociale of economische band met het land van herkomst vormt op zichzelf geen sterk tegenbewijs, aldus de rechtbank.

3. Aan zijn standpunt dat de tijdige terugkeer niet aannemelijk is gemaakt heeft verweerder ten eerste ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft aangegeven hoe lang zij in Nederland beoogde te verblijven. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat dit argument geen stand houdt. Daartoe is allereerst redengevend dat verweerder tegenover de gemotiveerde betwisting van eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar die vraag is gesteld noch dat zij, indien dat wel is gebeurd, daarop geen of onjuist antwoord heeft gegeven. Verder blijkt uit de door referent in de bezwaarfase ingevulde vragenlijst eenduidig dat verblijf voor de duur van drie maanden is beoogd, hetgeen ook overeenstemt met de aard van de gevraagde vergunning.

4. Verweerder heeft voorts aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiseres geen sterke economische binding heeft met het land van herkomst. Voor zover verweerder heeft beoogd dat standpunt te motiveren door erop te wijzen dat eiseres bij de aanvraag haar dagelijkse bezigheden niet heeft opgegeven, is die motivering niet steekhoudend. In bezwaar is namens eiseres immers aangevoerd dat zij na een tijdelijke onderbreking haar opleiding weer heeft voortgezet. Verweerder heeft de feitelijke juistheid van deze stelling niet ter discussie gesteld. Dat betekent dat verweerder, gelet op de volledige heroverweging die in bezwaar behoort plaats te vinden, de dagelijkse bezigheden van eiseres in zijn overwegingen inzake haar binding met Afghanistan had moeten betrekken. Het standpunt van verweerder inzake de economische binding kan evenmin worden gedragen door de overweging dat niet is gebleken hoe eiseres in haar levensonderhoud voorziet. Eiseres heeft hiertegen ingebracht dat zij door haar ouders en haar oom wordt ondersteund. Ook de feitelijke juistheid hiervan is door verweerder niet betwist. Dat eiseres deze stelling pas in beroep naar voren heeft gebracht kan haar niet worden tegengeworpen, nu verweerder dit argument voor het eerst in het bestreden besluit naar voren heeft gebracht. Gelet op het bovenstaande is het besluit ook op dit punt ontoereikend gemotiveerd.

5. Het standpunt van verweerder dat de tijdige terugkeer niet aannemelijk is gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden gedragen door hetgeen verweerder omtrent de sociale binding van eiseres met Afghanistan heeft aangevoerd. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat in dat verband gewicht kan worden toegekend aan het feit dat zowel de ouders van eiseres als haar zes broers en zussen in Nederland wonen. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat namens eiseres in 2006 advies is gevraagd omtrent de afgifte van een mvv met als verblijfsdoel verruimde gezinshereniging bij referent en dat hierop op 27 januari 2007 negatief is geadviseerd. Eiseres heeft daartegen echter ingebracht dat zij inmiddels deel uitmaakt van het gezin van haar oom, hetgeen door verweerder niet is bestreden. Het is dan ook niet begrijpelijk dat verweerder in het bestreden besluit heeft opgenomen dat in eiseres’ sociaal-economische omstandigheden geen relevante wijzigingen zijn opgetreden. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat, naar hiervoor al is overwogen, de mate van sociale binding op zichzelf geen sterk tegenbewijs vormt in de beoordeling van de vraag of de tijdige terugkeer aannemelijk is gemaakt, ontbeert het besluit op dit punt een deugdelijke motivering.

6.1 Vervolgens dient te worden onderzocht of de afwijzing van de aanvraag zelfstandig kan rusten op het standpunt van verweerder dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken.

6.2 De rechtbank overweegt allereerst het volgende inzake de stelling van eiseres dat op haar aanvraag het beleid van vóór 1 januari 2007 van toepassing is, nu daarin minder strenge eisen worden gesteld. De rechtbank stelt vast dat in beleidsonderdeel A2/4.2.3.2 van de Vc 2000, zoals dat thans luidt, voor een nadere uitwerking van het begrip solvabele derde wordt verwezen naar paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000. Deze verwijzing was niet opgenomen in het beleid van vóór 1 januari 2007. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld en de rechtbank aannemelijk acht, volgde verweerder tot die datum een bestendige gedragslijn die inhoudelijk dezelfde was als thans in het beleid is opgenomen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een materiële beleidswijziging, maar slechts van een verduidelijking van beleid. De stelling dat op de datum van de aanvraag minder strenge voorwaarden golden, wordt dus verworpen.

6.3 Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eiseres’ stelling dat de door verweerder in het beleid gegeven uitleg van het begrip solvabele derde in strijd is met hogere regelgeving, waaronder de SGC, niet tardief is ingenomen. Reeds in de gronden van beroep van 2 november 2007 heeft eiseres betwist dat niet is voldaan aan het middelenvereiste. In de aanvullende gronden van 12 november 2007 heeft eiseres in dat verband aangevoerd dat referent als een solvabele derde dient te worden aangemerkt. Ter zitting van 14 mei 2008 heeft eiseres dit nader ingevuld met een beroep op de Schengengrenscode. Verweerder heeft vervolgens ruimschoots de gelegenheid gehad tot beraad, wat heeft geleid tot nadere stellingname op de zitting van 28 augustus 2008. Van schending van de goede procesorde is onder deze omstandigheden geen sprake.

6.4 Partijen zijn verdeeld over de vraag of de zinsnede ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in artikel 5, derde lid, van de SGC zo kan worden uitgelegd dat het geheel aan de lidstaten is overgelaten om de aan garantstelling te stellen vereisten, waaronder dat van de duurzaamheid van de inkomsten, binnen de grenzen van het redelijke in nationale regelgeving in te vullen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het in paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 weergegeven beleid de toegang mag worden geweigerd als het inkomen van de garantsteller van een visumaanvrager niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet. Dit brengt in de redenering van verweerder mee dat het duurzaamheidsvereiste ook mag worden gesteld bij een aanvraag van een Schengenvisum. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of de nationale regelgeving inderdaad toestaat dat de toegang wordt geweigerd indien het inkomen van de garansteller niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet.

6.5 In de nationale regelgeving is de garantstelling geregeld in artikel 2.11 van het Vb 2000. Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, waarin staat dat de toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd. Volgens het eerste lid van artikel 2.11 van het Vb 2000 dient de vreemdeling die een visum aanvraagt voor deze kosten zekerheid te stellen. Volgens het tweede lid kan deze zekerheid bestaan uit een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt.

De rechtbank constateert allereerst dat artikel 2.11 van het Vb 2000 het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet van overeenkomstige toepassing verklaart. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3 van de Vw 2000 eenduidig blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 in een situatie als de onderhavige niet zou worden gesteld. Zij verwijst daartoe naar de Nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000). Daarin wordt door de verantwoordelijke bewindslieden in antwoord op vragen over artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 het volgende meegedeeld.

“De leden van de fractie van GroenLinks vragen of bij de behandeling van de visumaanvraag niet al is beoordeeld of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen om te voorzien in de kosten van het verblijf in Nederland.

Wij beantwoorden deze vraag bevestigend. De Schengenuitvoeringsovereenkomst stelt in artikel 5, eerste lid, onder c als voorwaarde voor afgifte van een visum dat de aanvrager dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar de toelating is gewaarborgd. De vreemdeling behoeft niet altijd zelf in deze middelen te voorzien. Ook een verklaring van een garantsteller (bijvoorbeeld de gastheer/vrouw) dat deze zal voorzien in de verblijfskosten kan voldoende zijn. Deze garantsteller dient echter wel over voldoende middelen van bestaan te beschikken.

De fracties van RPF en GPV vragen of met het criterium voldoende middelen van bestaan hetzelfde wordt bedoeld als elders in de regelgeving (bijvoorbeeld artikel 14, 16 en 19).

In de artikelen 14, 16 en 19 is het uitgangspunt neergelegd dat de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven of verblijft (zelfstandig en) duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. In artikel 3 dat betrekking heeft op toegang van de vreemdeling wordt slechts gesproken over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is. Het duurzaamheidsvereiste wordt derhalve niet gesteld.”

(Tweede Kamer, 1999-2000, 26 732, nr. 7, blz. 89)

6.6 Blijkens de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd dat bij de beoordeling of de vreemdeling dan wel de garantsteller over de bedoelde middelen beschikt het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet wordt gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat beleidsonderdeel A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 strijdig is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover in dat beleidsonderdeel is bepaald dat een garantsteller alleen solvabel is indien (onder meer) aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 is voldaan. De rechtbank acht dit beleidsonderdeel wegens strijd met de wet dan ook niet verbindend.

6.7 Uit het bovenstaande volgt dat de nationale regelgeving niet toestaat dat de toegang wordt geweigerd op de grond dat het inkomen van een garantsteller niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000. Dat brengt mee dat evenmin kan worden volgehouden dat om te kunnen spreken van ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in de zin van artikel 5, derde lid, van de SGC, moet zijn voldaan aan het bedoelde duurzaamheidsvereiste. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de afwijzing van de visumaanvraag niet zelfstandig rusten op het standpunt van verweerder dat eiseres niet heeft aangetoond duurzaam over voldoende middelen van bestaan te beschikken.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de afwijzing van de visumaanvraag ook niet zelfstandig rusten op het standpunt van verweerder dat eiseres niet heeft aangetoond duurzaam over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Gelet voorts op de in rechtsoverwegingen IV.3, IV.4 en IV.5 geconstateerde motiveringsgebreken, zal de rechtbank het beroep dan ook gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

9. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht¬bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderdenvijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,-- (zegge: honderddrieënveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mrs. H.J. Fehmers, voorzitter, C.W.M. Giesen en G.S. Crince le Roy, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A.M. de Beer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.

De griffier is buiten staat deze De voorzitter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc: HF/SL

Coll: SH

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.