Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3762

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
09/748805-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Liquidatie / schutter / vrijspraak / bedreigde anonieme getuige / bewijskracht verklaringen

De meervoudige strafkamer van de rechtbank s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem spreekt verdachte vrij van moord. De rechtbank oordeelt, anders dan het openbaar ministerie, dat de verklaring van de anonieme bedreigde getuige X10 in samenhang met het overige bewijs onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK s GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/748805-08

Uitspraakdatum: 23 februari 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 en 27 januari en 2, 3, 5 en 9 februari 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [adres en woonplaats] (voormalig Joegoslavie),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 1993 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een (vuur)wapen een of meer kogel(s) afgevuurd op en/of naar en/of in de richting van

die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.

2. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf (12) jaar met aftrek van voorarrest.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

Op 20 december 1993 is [slachtoffer], toen 27 jaar oud, geliquideerd in Amsterdam. Rond 1 uur s nachts heeft een man op [slachtoffer] geschoten, vlak nadat deze met drie anderen in een auto was gestapt op de hoek van de Scheldestraat en de Deurloostraat. Blijkens verklaringen van diverse getuigen is een van inzittenden van de auto een stuk achter de schutter aangerend de Deurloostraat in, maar de schutter wist te ontkomen.

Aan verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] is tenlastegelegd dat zij betrokken zijn geweest bij deze liquidatie van [slachtoffer]. Meer specifiek is de verdenking dat [verdachte] de schutter is geweest en dat hij heeft gehandeld in opdracht van [medeverdachte]. Verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] hebben ontkend betrokken te zijn geweest bij de dood van [slachtoffer].

Het Openbaar Ministerie heeft in de zaak van verdachte [verdachte] tot bewezenverklaring van het medeplegen tot moord op [slachtoffer] geconcludeerd. Het bewijs dat het Openbaar Ministerie heeft gepresenteerd, bestaat uit een constructie van deels in elkaar grijpende bewijsmiddelen waarbij, zoals het Openbaar Ministerie zelf aangeeft, de verklaring van de bedreigde anonieme getuige X10 de kern vormt.

Ten aanzien van het bewijs overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat acht dient te worden geslagen op het feit dat volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens het bewijs niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gegrond op een verklaring van een anonieme getuige. De rechtbank zal eerst de bewijsconstructie in haar totaliteit beoordelen, inclusief de verklaring van de anonieme getuige X10. Indien dit tot een bewezenverklaring zou kunnen leiden, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of het bewijs in beslissende mate op de verklaring van X10 berust.

De rechtbank is met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de verklaring van de bedreigde anonieme getuige X10 de kern van het eventuele bewijs vormt: het is het enige element dat expliciet een verbinding legt tussen verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] en een specifieke liquidatie in 1993, waarmee mogelijk de liquidatie van [slachtoffer] wordt bedoeld.

De verklaring van X10 houdt, voor zover direct betrekking hebbend op de mogelijke betrokkenheid van [verdachte] bij het tenlastegelegde, het volgende in. X10 heeft van iemand uit de kring rond [medeverdachte] (bedoeld wordt medeverdachte [medeverdachte]) het volgende gehoord. [verdachte] (getuige X10 kent hem als [bijnaam verdachte]) heeft begin jaren 90 een jongen in een auto doodgeschoten. X10 denkt, nadat wordt doorgevraagd, dat het in 1993 was. [verdachte] moest hard wegrennen omdat mensen die ook in die auto zaten hem achterna gingen. Het was in Amsterdam in de buurt van een woning waar [verdachte] in die tijd verbleef. Enkele dagen na de liquidatie is [verdachte] naar Duitsland gegaan met valse documenten die [medeverdachte] voor hem had geregeld. [verdachte] zou kort daarna daarmee zijn aangehouden en hij heeft hiervoor in Duitsland vastgezeten.

Ten aanzien van betrokkenheid van [medeverdachte] bij de bedoelde liquidatie verklaart getuige X10 als volgt. X10 heeft gehoord dat [verdachte] uitsluitend voor [medeverdachte] werkte en dat [medeverdachte] hem dit soort opdrachten, te weten opdrachten tot liquidaties, gaf. Daarom gaat X10 ervan uit dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte] aan [verdachte] opdracht heeft gegeven tot deze liquidatie van de jongen in de auto.

Een beoordeling van de bewijskracht van de verklaring van X10, die de centrale dragende pijler in de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijsconstructie vormt, omvat twee elementen: (1) een beoordeling van de bewijskracht van de verklaring van X10 op zichzelf beschouwd en (2) een beoordeling van de bewijswaarde van de verklaring van X10 aan de hand van de mate waarin zijn/haar verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het eerste aspect zijn naar het oordeel van de rechtbank de volgende punten van belang.

De rechtbank onderkent dat, nu de verdediging onbekend is met de identiteit van de getuige X10, het voor haar onmogelijk is om te achterhalen of deze persoon wellicht redenen heeft om in strijd met de waarheid belastend te verklaren. De rechtbank overweegt dat dit bezwaar in belangrijke mate wordt ondervangen doordat de rechter-commissaris een onderbouwd oordeel heeft gegeven over de betrouwbaarheid van de getuige. De rechter-commissaris heeft aangegeven dat de getuige op haar een betrouwbare en geloofwaardige indruk maakt en dat haar niet is gebleken dat de getuige er belang bij heeft niet de waarheid te spreken.

Bij de waardering van de bewijskracht van de verklaring van X10, op zichzelf beschouwd, is naar het oordeel van de rechtbank wel van groot belang dat X10 niet verklaart uit eigen wetenschap: X10 was geen directe getuige van de feiten en omstandigheden waarover hij/zij verklaart. Voor wat betreft de betrokkenheid van [verdachte] bij de aanslag op de jongen in de auto heeft getuige X10 de informatie slechts van horen zeggen. X10 verklaart zijn informatie in een keer uit een bron (iemand uit de kring rond medeverdachte [medeverdachte]) te hebben ontvangen. De rechtbank neemt bij de waardering van de bewijskracht van de verklaring van getuige X10 in aanmerking dat zij geen enkel zicht heeft op deze achterliggende bron. De rechtbank kan niet vaststellen wat de redenen van wetenschap van die bron zijn, of de bron betrouwbaar is en wat de eventuele motieven waren voor het verstrekken van de informatie aan getuige X10. Hoewel getuige X10 zelf als betrouwbaar wordt beoordeeld door de rechter-commissaris, kan de rechtbank op geen enkele wijze nagaan of X10 wellicht - bedoeld of onbedoeld - onjuiste informatie heeft ontvangen van de achterliggende bron over de betrokkenheid van [verdachte] bij de liquidatie.

Ten aanzien van de verklaring van X10 met betrekking tot de betrokkenheid van [medeverdachte] overweegt de rechtbank het volgende. Getuige X10 verklaart dat hij/zij heeft horen zeggen dat [medeverdachte] dit soort opdrachten (opdrachten tot liquidatie) aan [verdachte] gaf en dat [verdachte] uitsluitend voor [medeverdachte] werkte. Uit deze algemene informatie met betrekking tot de relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte] - die X10 niet uit eigen wetenschap maar slechts van horen zeggen heeft - trekt X10 vervolgens zelf de conclusie dat [medeverdachte] ook opdrachtgever voor deze specifieke liquidatie op de jongen in de auto zal zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van X10, op zichzelf beschouwd, voor wat betreft de mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte] bij de liquidatie van [slachtoffer] hierdoor een uiterst geringe bewijswaarde heeft.

Zoals hiervoor aangegeven, dient de uiteindelijke waardering van de bewijskracht van de verklaring van getuige X10 niet alleen te worden gebaseerd op een beoordeling van deze verklaring op zichzelf genomen. De hiervoor door de rechtbank geconstateerde zwakke punten met betrekking tot de bewijskracht van de verklaring van X10 zouden gecompenseerd kunnen worden doordat de verklaring inhoudelijk solide steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal de bewijsmiddelen die de verklaring van X10 mogelijk inhoudelijk zouden kunnen ondersteunen hieronder bespreken.

Drie getuigen van de aanslag op [slachtoffer] hebben een signalement van de schutter gegeven. Met betrekking tot de vraag of verdachte [verdachte] voldoet aan de gegeven signalementen oordeelt de rechtbank dat deze signalementen [verdachte] niet uitsluiten als schutter, maar dat aan de andere kant op grond van de signalementen ook niet met enige mate van zekerheid kan worden gesteld dat hij wel de schutter zou zijn geweest.

Het Openbaar Ministerie baseert het bewijs dat [verdachte] de persoon is die op [slachtoffer] heeft geschoten mede op de volgende twee stellingen: (1) de schutter was afkomstig van de nabij de plaats van het delict, te weten de hoek van de Deurloostraat en de Scheldestraat, gelegen woning [adres] en ( 2) [verdachte] woonde ten tijde van de moord op [slachtoffer], te weten op 20 december 1993, in de woning [adres].

De eerste stelling is hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaring van getuige [getuige] die verklaart te hebben gezien dat kort voor de moord op [slachtoffer], twee mannen uit het portiek van de woning [adres] kwamen en in de richting van de Deurloostraat liepen. Daarnaast zou deze stelling worden ondersteund door verklaringen van verschillende getuigen die hebben gezien dat de schutter, nadat hij op [slachtoffer] had geschoten, wegrende over de Deurloostraat in de richting van de [straatnaam] en door het gegeven dat het signalement van de schutter zou passen bij het signalement dat [getuige] geeft van de mannen die zij in de [straatnaam] had gezien. Het Openbaar Ministerie stelt dat, nu uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen geen ander scenario blijkt, op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen de stelling dat een van de twee mannen die in de [straatnaam] zijn gezien ook de schutter moet zijn geweest, als vaststaand moet worden aangenomen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze eerste stelling als volgt. Getuige [getuige] heeft kort voor de moord op [slachtoffer], twee mannen uit het portiek van het perceel [adres] zien komen en heeft gezien dat ze vervolgens in de richting van de Deurloostraat liepen. De getuige heeft de mannen slechts over een korte afstand, te weten de lengte van twee portieken, kunnen volgen; daarna verdwenen ze uit haar zicht. De rechtbank constateert dat de loopafstand van de plek waar deze getuige de mannen uit het oog verloor en de plaats van het delict, ongeveer anderhalve minuut bedraagt en dat zich in het dossier niets bevindt waaruit blijkt dat deze mannen - danwel een van hen - nadat getuige [getuige] hen uit het oog had verloren, op de route naar de plaats van het delict zijn waargenomen. Daarnaast is van belang dat het signalement dat [getuige] van de twee mannen heeft gegeven naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig aansluit bij het signalement dat de getuigen op de plaats van het delict van de schutter hebben gegeven, dat op basis daarvan met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat een van de twee mannen de schutter moet zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat deze ter onderbouwing van de eerste stelling aangehaalde bewijsmiddelen niet zodanig nauw op elkaar aansluiten, dat het de conclusie van het Openbaar Ministerie kan dragen dat als vaststaand zou moeten worden aangenomen dat een van de mannen van de [straatnaam] de schutter moet zijn geweest. Het feit dat getuigen de schutter na de aanslag op [slachtoffer] over de Deurloostraat in de richting van de [straatnaam] hebben zien rennen, maakt dit niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de combinatie van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, op zich beschouwd, ruimte open laat voor alternatieve scenario’s.

Ten aanzien van de tweede stelling, te weten dat [verdachte] ten tijde van de moord op [slachtoffer] in de woning [adres] woonde, heeft het Openbaar Ministerie het volgende gesteld. Op grond van de verklaringen van [huisgenoot], in combinatie met de gegevens omtrent zijn opname in de Jellinek kliniek, kan worden vastgesteld dat [verdachte] op 20 december 1993 in de woning [adres] woonde. Het Openbaar Ministerie wijst hierbij op het feit dat [huisgenoot] heeft verklaard dat [verdachte] een half jaar bij hem in de woning [adres] heeft ingewoond en dat dat was voor zijn opname in de Jellinek kliniek, in combinatie met de door de Jellinek verschafte informatie waaruit blijkt dat [huisgenoot] daar op 30 mei 1994 is opgenomen. De conclusie dat [verdachte] ook in december 1993 al in de [straatnaam] woonde, zou daarnaast worden ondersteund door de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken van eind februari 1994. [verdachte] heeft echter ontkend dat hij in december 1993 al in de [straatnaam] woonde. Hij heeft verklaard dat hij in december 1993 in Duitsland was en dat hij pas begin 1994 naar de woning aan de [straatnaam] is gekomen. Het Openbaar Ministerie kwalificeert deze verklaring van [verdachte] als leugenachtig nu het tegendeel uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen zou blijken. Deze leugenachtige verklaring kan meewerken tot het bewijs dat [verdachte] de aanslag op [slachtoffer] heeft gepleegd, aldus het Openbaar Ministerie.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit punt als volgt. Getuige [huisgenoot] is in 2005 en 2008 (12 respectievelijk 15 jaar na de liquidatie van [slachtoffer]) gehoord. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [huisgenoot] omtrent de periode waarin [verdachte] bij hem heeft ingewoond, wisselend en vaag zijn. Van belang is voorts dat [huisgenoot] verklaart, naar aanleiding van de vraag wanneer [verdachte] bij hem inwoonde: Ik kan wel gaan gissen, maar zo belangrijk is het niet voor mij dat ik dat in mijn hersens heb opgeslagen. Mede tegen deze achtergrond acht de rechtbank de door [huisgenoot] op een gegeven moment gedane uitspraak dat [verdachte] een half jaar bij hem heeft ingewoond en dat dat voor zijn opname in de Jellinek kliniek zou zijn geweest, onvoldoende om te concluderen dat vaststaat dat [verdachte] op 20 december 1993 al in de woning aan de [adres] moet hebben gewoond. Ook uit de door het Openbaar Ministerie aangehaalde telefoongesprekken kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid. Van de door het Openbaar Ministerie gestelde leugenachtige verklaring van verdachte [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank derhalve ook niet gebleken.

Voorts heeft het Openbaar Ministerie gewezen op het feit dat in het dossier steunbewijs kan worden gevonden voor het onderdeel van de verklaring van getuige X10 waar hij/zij stelt te hebben gehoord dat [verdachte] enkele dagen na de liquidatie naar Duitsland is gegaan met valse identiteitspapieren, dat hij kort daarna daarmee is aangehouden en hiervoor in Duitsland heeft vastgezeten. Daarbij wordt erop gewezen dat uit informatie van de Duitse politie blijkt dat [verdachte] op 23 december 1993, drie dagen na de moord op [slachtoffer], in Dusseldorf is aangehouden terwijl hij in het bezit was van onder andere een vals Tsjechisch paspoort op naam van [valse naam] en dat hij daarvoor korte tijd heeft vastgezeten.

De rechtbank merkt op dat verdachte [verdachte] weliswaar een paar dagen na de liquidatie van [slachtoffer] in Duitsland is aangehouden met valse papieren, maar dat dit wel vaker is voorgekomen. Uit de door de Duitse politie verstrekte gegevens blijkt dat [verdachte] niet alleen op 23 december 1993, maar ook op andere data is aangehouden met valse papieren, waarbij hij verschillende aliassen gebruikte.

Het Openbaar Ministerie heeft als onderdeel van het bewijs tevens gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting heeft afgelegd, en waarvan het proces-verbaal is gevoegd in het dossier van [verdachte]. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [verdachte] in februari 1994 toevallig in Boedapest heeft ontmoet en dat zij toen over de liquidatie van [slachtoffer] hebben gesproken.

Anders dat het Openbaar Ministerie, ziet de rechtbank in de verklaring van [medeverdachte] over het verloop van het gesprek in Boedapest tussen hem en [verdachte], zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting, geen duidelijke aanwijzing dat [medeverdachte] en [verdachte] zelf betrokken moeten zijn geweest bij de moord op [slachtoffer].

Voorts heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat het in het motief voor de moord op [slachtoffer] een duidelijke aanwijzing ziet voor de betrokkenheid van [medeverdachte] (en naar de rechtbank begrijpt, daarmee indirect ook voor de betrokkenheid van [verdachte]). Het Openbaar Ministerie geeft aan dat er in het dossier weliswaar verschillende theorieen met betrekking tot een mogelijk motief naar voren komen, maar is van oordeel dat het werkelijke motief moet liggen in een ruzie die [slachtoffer] zou hebben gehad met [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Dezen zouden, aldus het Openbaar Ministerie, samenwerken met [betrokkene 3] en zijn groep, waartoe ook [medeverdachte] zou behoren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de vele verklaringen die zijn afgelegd over de conflicten die [slachtoffer] had met diverse mensen en groepen, niet worden gedestilleerd welk conflict de aanleiding is geweest voor de moord op [slachtoffer]. Anders dan het Openbaar Ministerie, ziet de rechtbank op het gebied van de mogelijke aanleiding tot de moord dan ook geen positieve ondersteuning voor de stelling dat [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zouden zijn geweest bij de liquidatie van [slachtoffer].

Hiervoor heeft de rechtbank de bewijskracht van de verschillende bewijsmiddelen voornamelijk afzonderlijk bezien en heeft daar, waar nodig, kanttekeningen bij geplaatst. De rechtbank is, met het Openbaar Ministerie, van oordeel dat een definitief oordeel over het bewijs slechts kan worden geveld indien alle bewijsmiddelen in hun totaliteit en in onderlinge samenhang worden bezien. Terugblikkend op de bewijsconstructie vanuit dit perspectief, komt de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie, tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [verdachte] betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer]. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

5. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem tenlastegelegde feit.

6. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Burg, voorzitter,

mr. M.J.A. Plaisier en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. E. Boes en mr. I. Hermans,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 februari 2009.