Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/43734
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of er in onderhavige beroepsprocedure procesbelang is. Indien immers met het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 van de Vw 2000 aan eiser reeds feitelijk en juridisch toegang is verleend, resteert geen proces-belang.

In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 28 oktober 2004 (LJN: AR5859) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Verweerder heeft na het nemen van het besluit om eiser de toegang tot Nederland te weigeren niet door het nemen of achterwege laten van maatregelen ondubbelzinnig te kennen gegeven dat hij het door artikel 3 van de Vw 2000 beschermde belang van grensbewaking heeft prijsgegeven. Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 4.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 rust op eiser een plicht tot wekelijkse melding. Dat verweerder hiervan geen ontheffing heeft verleend duidt erop dat hij na de feitelijke invrijheidstelling van eiser heeft getracht met de op dat moment beschikbare wettelijke mogelijkheden, een zo intensief mogelijk toezicht op eiser uit te oefenen. Deze gedragslijn geeft niet blijk van enig prijsgeven van het met de toegangsweigering gediende belang van de grensbewaking. In het onderhavige geval geldt dit eens te meer nu (ook aan eiser) is gebleken dat de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel het gevolg is geweest van een interne miscommunicatie en niet een welbewuste belangenafweging. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de AbRS evenwel zo dat dit niet van doorslaggevend belang is en dat - zelfs indien de opheffing wel het gevolg was van een belangenafweging - niet kan worden gesproken van het ondubbelzinnig prijsgeven van het grensbewakingsbelang indien niet tevens ontheffing wordt verleend van de meldplicht. Evenmin heeft verweerder voormeld belang ingevolge een daartoe strekkende, in rechte onaantastbare uitspraak moeten prijsgeven. Gelet hierop is de toegangsweigering van 7 augustus 2008 op eiser van kracht en heeft eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gericht tegen deze toegangsweigering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/43734

V-nr:

inzake: eiser, geboren in 1966, van Congolese nationaliteit, wonende te Gasselternijveen, eiser,

gemachtigde: mr. P.A. Blaas, advocaat te Den Bosch,

tegen: de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. C.M. de Koning, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 7 augustus 2008 is eiser op grond van artikel 13 j° artikel 5 van de Verordening (EG)

Nr. 562/2006 (Schengengrenscode, hierna: SGC) op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd.

2. Op 15 augustus 2008 heeft eiser administratief beroep ingesteld tegen de toegangsweigering. Op 25 september 2008 heeft eiser een voorlopige voorziening gevraagd, welk verzoek hij bij brief van 8 oktober 2008 heeft ingetrokken, onder het gelijktijdige verzoek om ingevolge artikel 8:75a van de Awb verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Bij uitspraak van 15 december 2008 (AWB 08/34667) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats dit laatste verzoek van eiser toegewezen.

3. Bij besluit van 2 december 2008 is het administratieve beroep van eiser ongegrond verklaard. Op 12 december 2008 heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroepschrift van eiser ontvangen.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiser is in Nederland getrouwd met een persoon van Britse nationaliteit. Op 7 augustus 2008 is eiser in verband met een Dublin-claim door de Britse autoriteiten overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten.

2. Op 8 augustus 2008 heeft eiser voor de tweede maal in Nederland een asielaanvraag ingediend. Het door eiser ingestelde beroep tegen de afwijzing van deze aanvraag van 13 augustus 2008 is bij uitspraak van 28 augustus 2008 (AWB 08/29287) door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.

3. Op 2 oktober 2008 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

III. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser de toegang tot het Schengengebied mag worden geweigerd. Bij binnenkomst aan de grens heeft eiser geen officiële documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit overgelegd. Voorts heeft eiser niet aangetoond in het bezit te zijn van toereikende bestaansmiddelen. Daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarde van binnenkomst zoals genoemd in artikel 13 j° artikel 5 van de SGC. Weliswaar is de echtgenote van eiser als Britse een onderdaan van de Europese Unie, echter zij verbleef ten tijde van de toegangsweigering van eiser niet in een andere lidstaat dan waarvan zij de nationaliteit bezit. Dus kan het beroep van eiser op de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (Verblijfsrichtlijn) en het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 25 juli 2002 inzake BRAX (C-459/99, JV 2002/291) niet slagen. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van 28 augustus 2008 van deze rechtbank en zittingsplaats. Op grond van artikel 7:17, onder b, van de Awb is afgezien van het horen van eiser, aldus verweerder.

2. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Eiser verwijst naar de uitspraak in deze zaak van 15 december 2008 van deze rechtbank en zittingsplaats waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat nu op 2 oktober 2008 de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 6 van de Vw 2000 is opgeheven hieruit ook volgt dat de toegang aan eiser in feitelijke en juridische zin is verleend. Voorts heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit in voldoende mate aannemelijk gemaakt. Eiser is in het bezit van zijn originele paspoort en beschikt over voldoende financiële middelen van bestaan. Eiser betwist vervolgens dat hij niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat zijn echtgenote geen verblijf bij hem in Nederland wenst te kiezen dan wel dat het (tijdelijk) verblijf van zijn echtgenote in Groot-Brittannië er aan in de weg staat dat hij geen aanspraak kan maken op de Verblijfsrichtlijn. De echtgenote van eiser verblijft wegens haar ziekte voorlopig in Groot-Brittannië en tussen haar behandelingen door heeft zij eiser bezocht in het grenshospitium. Een instapkaart van de vliegmaatschappij EasyJet toont in ieder geval aan dat zij zich op 25 september 2008 bij eiser in Nederland heeft gevoegd, waarmee op dat moment aanspraak bestond op rechtmatig verblijf conform de Verblijfsrichtlijn. In dit kader verwijst eiser naar het eerder genoemde BRAX-arrest, waaruit volgt dat toegang van een echtgenoot van een Unieburger niet geweigerd mag worden, ook indien die echtgenoot tracht binnen te komen zonder geldige identiteitskaart of geldig paspoort. Tot slot heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen, aldus eiser.

3. Allereerst ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of er in onderhavige beroepsprocedure procesbelang is. Indien immers - zoals eiser onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2008 stelt - met het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 van de Vw 2000 aan eiser reeds feitelijk en juridisch toegang is verleend, resteert geen proces-belang.

4. Anders dan de voorzieningenrechter in deze zaak bij uitspraak van 15 december 2008 onder verwijzing naar de uitspraak van 16 oktober 2002 (JV 2003/61) van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft overwogen, is de rechtbank evenwel van oordeel dat de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel op 2 oktober 2008 en daarmee de feitelijke invrijheidsstelling van eiser diezelfde dag, niet betekent dat ook de toegang tot Nederland in juridische zin is verleend. Voor dit standpunt vindt de rechtbank steun in de uitspraak van 28 oktober 2004 (LJN: AR5859) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Verweerder heeft na het nemen van het besluit om eiser de toegang tot Nederland te weigeren niet door het nemen of achterwege laten van maatregelen ondubbelzinnig te kennen gegeven dat hij het door artikel 3 van de Vw 2000 beschermde belang van grensbewaking heeft prijsgegeven. Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 4.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 rust op eiser een plicht tot wekelijkse melding. Dat verweerder hiervan geen ontheffing heeft verleend duidt erop dat hij na de feitelijke invrijheidstelling van eiser heeft getracht met de op dat moment beschikbare wettelijke mogelijkheden, een zo intensief mogelijk toezicht op eiser uit te oefenen. Deze gedragslijn geeft niet blijk van enig prijsgeven van het met de toegangsweigering gediende belang van de grensbewaking. In het onderhavige geval geldt dit eens te meer nu (ook aan eiser) is gebleken dat de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel het gevolg is geweest van een interne miscommunicatie en niet een welbewuste belangenafweging. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de AbRS evenwel zo dat dit niet van doorslaggevend belang is en dat - zelfs indien de opheffing wel het gevolg was van een belangenafweging - niet kan worden gesproken van het ondubbelzinnig prijsgeven van het grensbewakingsbelang indien niet tevens ontheffing wordt verleend van de meldplicht. Evenmin heeft verweerder voormeld belang ingevolge een daartoe strekkende, in rechte onaantastbare uitspraak moeten prijsgeven. Gelet hierop is de toegangsweigering van 7 augustus 2008 op eiser van kracht en heeft eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gericht tegen deze toegangsweigering.

5. Met betrekking tot de vraag of verweerder eiser op goede gronden de toegang heeft mogen weigeren dient allereerst te worden beoordeeld of eiser rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

6. In artikel 2, eerste en tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn is bepaald dat voor de toepassing van de Verblijfsrichtlijn onder “burger van de Unie” wordt verstaan een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit en onder “familielid” onder andere de echtgenoot. Niet in geschil is dat eisers echtgenote de nationaliteit bezit van een lidstaat.

7. Artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn verklaart de richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2 van de Verblijfsrichtlijn die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

8. Niet in geschil is dat eiser niet samen met zijn echtgenote naar Nederland is gekomen noch dat hij niet heeft gereisd om zich bij zijn echtgenote, die in een andere lidstaat dan Groot-Brittannië verblijft, te voegen. Integendeel, zijn echtgenoot bevond zich in Groot-Brittannië toen eiser toegang tot Nederland verzocht. De redenen waarom de echtgenote van eiser niet in Nederland verbleef zijn niet relevant. Aan het feit dat zij eiser nadien in Nederland heeft bezocht, kan voor de toepassing van de Verblijfsrichtlijn geen betekenis worden toegekend. Immers, hiermee heeft zich nog immer niet de situatie voorgedaan dat eiser zich bij zijn in Nederland verblijvende echtgenote heeft willen voegen toen hij naar Nederland kwam. Nu zich geen situatie voordeed, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, is de Verblijfsrichtlijn niet op eiser van toepassing en kan eiser zich ook niet beroepen op het BRAX-arrest.

9. Dat betekent dat op eiser, als derdelander, de SGC van toepassing is en dat hij dient te voldoen aan de in artikel 13 jo artikel 5 van de SGC gestelde vereisten voor binnenkomst.

10. Artikel 5, eerste lid en onder a, van de SGC luidt, voor zover van belang:

Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

a) in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding.

[…]

c) het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

[…]

11. Artikel 13, eerste lid, van de SGC luidt, voor zover van belang:

Indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, eerste lid, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, vierde lid, genoemde categorieën personen behoort, wordt hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Dit laat de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet.

12. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van zijn binnenkomst aan de grens noch op enig ander moment voordat het bestreden besluit werd genomen in het bezit was van een geldig reisdocument en evenmin had aangetoond over toereikende bestaansmiddelen te beschikken. Met verweerder is de rechtbank, gelet op de ex tunc toets, van oordeel dat het feit dat eiser in beroep een kopie van een op 18 december 2008 afgegeven, niet ondertekend paspoort heeft overgelegd alsmede middels een afschrift van zijn bankrekening van 24 september 2008 tot 23 december 2008 mogelijk zou hebben onderbouwd over toereikende bestaansmiddelen te beschikken, niet afdoet aan het feit dat eiser terecht de toegang is geweigerd.

13. Met betrekking tot de beroepsgrond van eiser dat hij niet op het bezwaarschrift is gehoord, overweegt de rechtbank ten slotte het volgende. De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat, wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:17 van de Awb zich voordoet, zoals de onder b van dat artikel genoemde uitzondering, dat het administratief beroep kennelijk ongegrond is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond administratief beroep. Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 7:17, aanhef en onder b, van de Awb heeft kunnen afzien van het horen van eiser.

14. De conclusie is dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarom zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

15. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Soylu, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2009.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: SSS

Coll: PD

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.