Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/29392
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 64 Vw / PTSS / veilige behandelingsomgeving

Verzoekster heeft gesteld dat juist de als veilig te ervaren behandelingsomgeving in Armenië ontbreekt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verzoekster bij de aanvullende gronden van het bezwaarschrift een brief overgelegd van de behandelend psychiater van verzoekster waarin deze ook heeft gesteld dat voor de behandeling van patiënten met een PTSS een veilige behandelsetting alsmede een vertrouwensband met de therapeut van groot belang is. Voorts heeft de psychiater gesteld dat het terugsturen van iemand met een PTSS naar de plek waar het trauma zich heeft gemanifesteerd, in het algemeen antitherapeutisch is en dat in zo’n geval een ernstige psychische decompensatie te verwachten valt. Verweerder heeft daar, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2006 ( 200507019/1) tegen ingebracht, dat de aard van het trauma niet relevant is en dat de behandeling in Armenië kan worden voortgezet.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, in het kader van zorgvuldige besluitvorming en volledige heroverweging in de bezwaarfase, aan verweerder is om nadere informatie in te winnen bij het BMA, nu het BMA-rapport geen informatie verstrekt over de benodigde veilige behandelingsomgeving, terwijl verweerder heeft onderkend dat dit een voorwaarde is voor succesvolle behandeling van een PTSS en verzoeksters behandelaars het belang hiervan, blijkens de brief van 29 augustus 2008, ook in het geval van verzoekster onderkennen. Mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2009 (200805014/1) zal de medisch adviseur dienen te bezien of bij behandeling in Armenië aan alle noodzakelijke voorwaarden voor behandeling van een PTSS, waaronder een veilige behandelingsomgeving, wordt voldaan. Verweerder zal op dit punt nog een standpunt dienen in te nemen, door nadere vraagstelling aan het BMA.

Met betrekking tot de behandelmogelijkheden in Georgië is in het betreden besluit niet ingegaan op de mogelijkheden in algemene zin voor iemand met een andere dan de Georgische nationaliteit om daar behandeld te worden. In dit verband wordt overwogen dat Georgië niet is aan te merken als het land van herkomst van verzoekster. Derhalve kan niet zonder meer worden aangenomen dat verzoekster zich daar naar toe zou kunnen verwijderen en daarna enige aanspraak zou hebben op medische verzorging gedurende een eventuele mvv-procedure in Georgië.

Op basis van het voorgaande moet worden geoordeeld dat op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens aan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 29392

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2009

in de zaak van:

[verzoekster], geboren op [1966], verzoekster,

mede ten behoeve van [naam] en [naam], geboren op respectievelijk [1987] en [1989],

allen van Armeense nationaliteit,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.M. de Koning, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 4 juli 2008 een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 12 augustus 2008 afgewezen, verzoekster medegedeeld dat artikel 64 Vw niet op haar van toepassing is en dat uitzetting derhalve niet achterwege wordt gelaten. Verzoekster heeft tegen het besluit op 13 augustus 2008 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft medegedeeld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoekster heeft op 13 augustus 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat op het bezwaar is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt aan de orde de vraag of het bestreden besluit al dan niet rechtmatig is.

2.2 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 3 december 2001 is verzoekster Nederland ingereisd. Op 28 december 2001 heeft verzoekster een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 2 januari 2002 is de aanvraag afgewezen. Op 1 september 2003 heeft verzoekster een beroep gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid. Bij brief van 2 december 2003 is dit verzoek niet gehonoreerd. Hiertegen heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend hetgeen op 30 september 2005 niet-ontvankelijk is verklaard. Op 21 oktober 2003 heeft verzoekster een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking 'het ondergaan van medische behandeling' ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 4 augustus 2004 deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster op 18 augustus 2004 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is bij besluit van 12 november 2004 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen op 15 december 2004 een beroepschrift ingediend. Op 22 februari 2006 is het besluit van 12 november 2004 ingetrokken. Op 11 mei 2007 is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 4 juni 2007 heeft verzoekster een beroepschrift ingediend alsmede verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 20 februari 2008 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, het beroep ongegrond verklaard en het verzoek afgewezen. Op 4 juli 2008 heeft verzoekster onderhavige aanvraag ingediend. Bij brief van 15 juli 2008 heeft verweerder aan het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd advies uit te brengen. Bij nota van 31 juli 2008 heeft het BMA een advies uitgebracht.

2.3 Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het medisch advies van het BMA van 31 juli 2008 op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor opschorting van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Verzoekster is in staat te reizen onder de reisvoorwaarden dat verzoekster dient te worden begeleid door een psychiatrisch geschoold hulpverlener. Voorts dient verzoekster te beschikken over de haar voorgeschreven medicatie. Bij terugkeer naar het land van herkomst is geen medische noodsituatie te verwachten op korte termijn, nu de benodigde medische behandeling in Armenië en bij een eventueel nog te volgen mvv-procedure in Georgië aanwezig is. Daarom is ook geen sprake van schending van artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.4 Verzoekster heeft hier, samengevat, het volgende tegen ingebracht. Verzoekster komt in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Niet in geschil is dat voor de succesvolle behandeling van een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) een als veilig ervaren behandelingsomgeving en een vertrouwensrelatie met de behandelend arts vereist is. Verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de klachten van verzoekster in Armenië adequaat kunnen worden behandeld, terwijl bij het uitblijven van de behandeling een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, waarbij Georgië een derde land betreft waarheen verzoekster zich niet kan verwijderen. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid noch draagkrachtig gemotiveerd. Dat laatste geldt ook voor de stelling dat bij uitzetting geen sprake zal zijn van een mogelijke schending van het bepaalde in artikel 3 EVRM.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 64 Vw blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.6 In hoofdstuk A4/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is -voor zover hier relevant- aangegeven op welke wijze moet worden gehandeld bij een beroep op artikel 64 Vw. Bij de beoordeling van een aanvraag om artikel 64 Vw toe te passen wordt indien nodig door de IND de medisch adviseur van het BMA geraadpleegd. Ook een andere onafhankelijk medisch deskundige kan worden benaderd om een advies uit te brengen. De uitzetting in het individuele geval wordt in beginsel opgeschort voor de periode waarin reizen vanuit medisch oogpunt onverantwoord is, aldus het beleid. Bij een beroep op artikel 64 Vw is de vraag aan de orde of betrokkene medisch gezien in staat is om te reizen. Het betreft een tijdelijke maatregel, gericht enkel op de opschorting van de uitzetting en/of de rechtsplicht om Nederland te verlaten. In voorkomende gevallen kan tevens sprake zijn van het achterwege laten van de uitzetting ingevolge artikel 64 Vw, indien de stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan.

2.7 In B8/3.1 Vc is bepaald dat onder een medische noodsituatie wordt verstaan die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidig medisch- wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder "op korte termijn" wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

2.8 In B8/10 Vc is bepaald dat uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege blijft indien de medisch adviseur aangeeft dat het vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen of dat stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan en de medische behandeling van de betreffende klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waarheen betrokkenen zich kan verwijderen en de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting één jaar of korter zal duren.

2.9 De medisch adviseur van het BMA heeft verzoekster in persoon gezien op 30 juli 2008 en daarbij acht geslagen op informatie van drs. [naam], psychiater bij GGNet (brief van 3 juni 2008), een brief van drs. [naam huisarts], huisarts te [plaats] (3 juli 2007) en een uitdraai van de afleverhistorie van apotheek [naam apotheek] van 29 juli 2008, alsmede brondocumenten betreffende de aanwezige behandelmogelijkheden in Armenië en Georgië. In het BMA advies van 31 juli 2008 dat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, verklaart de medisch adviseur dat verzoekster sinds 2005 is gediagnosticeerd met een ernstige en chronische vorm van PTSS met depressieve klachten. Er is sprake van psychoses, hallucinaties en zelfverminking. Nu nog geen sprake is van een stabiele situatie, vindt thans nog geen optimale behandeling gericht op de PTSS problematiek plaats. Verzoekster krijgt op regelmatige basis ondersteunende en begeleidende gesprekken, met als doel de sociale omstandigheden zoveel mogelijk te stabiliseren zodat de gerichte behandeling van de PTSS van start kan gaan. Verzoekster wordt behandeld met diclofenac, zopiclon, duloxetine (cymbalta) en alprazolam. Er zijn duidelijke psychotische en dissociatieve fenomenen welke een medische noodsituatie op korte termijn (binnen drie maanden) niet uitsluiten. Er zijn ook in het verleden psychische crisissituaties geweest, verzoekster heeft een zelfmoordpoging ondernomen en is opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek. De medisch adviseur is van oordeel dat verzoekster op basis van haar medische situatie kan reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, auto en vliegtuig, mits onder begeleiding van een psychiatrisch geschoold hulpverlener. Tevens dient verzoekster de voorgeschreven medicatie mee te nemen tijdens de reis.

2.10 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan een medisch rapport als het voornoemde, waarbij de arts is ingegaan op het criterium dat in onderhavige geschil centraal staat, namelijk of de gezondheidstoestand van verzoekster het toelaat om -al dan niet begeleid- te reizen, aangemerkt worden als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij zijn besluitvorming in beginsel van het advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.11 Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van de situatie dat het, vanwege de gezondheidstoestand van verzoekster niet verantwoord is om te reizen. Voorts is onweersproken dat bij het uitblijven van een behandeling een medische noodsituatie op korte termijn niet uit te sluiten is. Tenslotte gaan zowel verzoeksters als verweerder ervan uit dat voor een succesvolle behandeling van PTSS een als veilig ervaren behandelingsomgeving naast een vertrouwensrelatie met de behandelend arts vereist is.

2.12 Verzoekster heeft gesteld dat juist de als veilig te ervaren behandelingsomgeving in Armenië ontbreekt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verzoekster bij de aanvullende gronden van het bezwaarschrift een brief overgelegd van 29 augustus 2008 van de behandelend psychiater van verzoekster, [naam], waarin deze ook heeft gesteld dat voor de behandeling van patiënten met een PTSS een veilige behandelsetting alsmede een vertrouwensband met de therapeut van groot belang is. Voorts heeft de psychiater gesteld dat het terugsturen van iemand met een PTSS naar de plek waar het trauma zich heeft gemanifesteerd, in het algemeen antitherapeutisch is en dat in zo'n geval een ernstige psychische decompensatie te verwachten valt. Verweerder heeft daar, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2006 ( 200507019/1) tegen ingebracht, dat de aard van het trauma niet relevant is en dat de behandeling in Armenië kan worden voortgezet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, in het kader van zorgvuldige besluitvorming en volledige heroverweging in de bezwaarfase, aan verweerder is om nadere informatie in te winnen bij het BMA, nu het BMA-rapport geen informatie verstrekt over de benodigde veilige behandelingsomgeving, terwijl verweerder heeft onderkend dat dit een voorwaarde is voor succesvolle behandeling van een PTSS en verzoeksters behandelaars het belang hiervan, blijkens de brief van 29 augustus 2008, ook in het geval van verzoekster onderkennen. Mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2009 (200805014/1) zal de medisch adviseur dienen te bezien of bij behandeling in Armenië aan alle noodzakelijke voorwaarden voor behandeling van een PTSS, waaronder een veilige behandelingsomgeving, wordt voldaan. Verweerder zal op dit punt nog een standpunt dienen in te nemen, door nadere vraagstelling aan het BMA.

2.13 Met betrekking tot de behandelmogelijkheden in Georgië is in het betreden besluit niet ingegaan op de mogelijkheden in algemene zin voor iemand met een andere dan de Georgische nationaliteit om daar behandeld te worden. In dit verband wordt overwogen dat Georgië niet is aan te merken als het land van herkomst van verzoekster. Derhalve kan niet zonder meer worden aangenomen dat verzoekster zich daar naar toe zou kunnen verwijderen en daarna enige aanspraak zou hebben op medische verzorging gedurende een eventuele mvv-procedure in Georgië.

2.14 Op basis van het voorgaande moet worden geoordeeld dat op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens aan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen.

2.15 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.16 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 verbiedt verweerder verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van 13 augustus 2008 heeft beslist;

[3.3] veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

[3.4] draagt de Staat der Nederlanden op € 145,- te betalen aan verzoekster als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, en op 11 februari 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.