Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH2912

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
325467 / KG ZA 08-1549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In de Oude Maas gezonken binnenschip na aanvaring met zeeschip onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst. Uitleg Wrakkenwet. Wrakkenwet voornamelijk ingegeven door waterstaatsbelangen. De wet maakt geen onderscheid tussen de verschillende geborgen zaken en de daarbij behorende belanghebbenden. De Staat hoeft de opruimingskosten niet over de verschillende belanghebbenden (eigenaar schip, ladingbelanghebbenden) te splitsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 29 januari 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 325467 / KG ZA 08-1549 van:

1. de vennootschap opgericht naar het recht van de plaats van haar vestiging

ELG Haniel Trading GmbH,

gevestigd te Duisburg (Duitsland),

2. de vennootschap opgericht naar het recht van de plaats van haar vestiging

Henric Ferrochrome (PTY) Ltd,

gevestigd te Brits (Zuid-Afrika),

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen:

1. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Dienst Zuid-Holland),

2. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.J.S.M. Langbroek te 's-Gravenhage.

Eiseressen worden hierna afzonderlijk aangeduid als 'ELG' respectievelijk 'Henric' en gedaagden gezamenlijk in enkelvoud als 'de Staat'.

1. De relevante regelgeving

1.1. De Wrakkenwet geeft de overheid een wettelijke basis om wrakken in de openbare wateren op te ruimen. De Wrakkenwet is totstandgekomen in 1885 en is in 1934 aangepast. Ook nadien hebben aanpassingen plaatsgevonden. Inhoudelijk komt de thans geldende regeling grotendeels overeen met de wet van 1885.

1.2. Artikel 1 lid 1 Wrakkenwet luidt:

"Vaartuigen, overblijfselen van vaartuigen en alle andere voorwerpen in openbare wateren gestrand, gezonken of aan den grond geraakt, of vastgeraakt op of in waterkeeringen of andere waterstaatswerken, kunnen door den beheerder van het water of dien van het waterstaatswerk worden opgeruimd, zonder dat deze door belanghebbenden bij het vaartuig, of het opgeruimde voorwerp dan wel de zaken aan boord van of in of op het voorwerp aansprakelijk kan worden gesteld voor door die opruiming aan hen toegebrachte schade."

1.3. Artikel 5 Wrakkenwet luidt:

"Al hetgeen bij de opruiming wordt geborgen, wordt tegen voldoening van de ter zake van de opruiming gemaakte kosten of tegen het stellen van zekerheid voor de voldoening daarvan aan belanghebbenden, die zich daartoe aanmelden, afgegeven."

1.4. Artikel 6 Wrakkenwet bepaalt:

"Indien belanghebbenden zich niet aanmelden, doch in gebreke blijven binnen een door de beheerder te stellen termijn de in artikel 5 bedoelde kosten te voldoen of voor de voldoening daarvan zekerheid te stellen, is de beheerder bevoegd het geborgene te verkopen."

1.5. In het voorlopig verslag uit 1885 bij het toenmalige wetsvoorstel (Kamerstukken II, 1884/85, Bijlage 13, nr. 3, p.4) is ten aanzien van artikel 4 (thans artikel 5) Wrakkenwet opgemerkt:

"Ook werd gewezen op het ontbreken van iedere splitsing van gemaakte kosten ten aanzien van schip en lading of de onderdeelen eener lading, welke toch billijk geacht werd omdat sommige goederen uit hun aard bij het ongeval slechts weinig, anderen veel meer schade lijden konden. Dit beweren werd nochtans bestreden met de redeneering dat men hier niet met bergloon of kosten, ter wille van de geredde zaak gemaakt, te doen had, maar met kosten gemaakt in het belang van het vaarwater, of tot opheffing van eene belemmering hiervan, en uit dien hoofde verhaalbaar zonder onderscheiding op het voorwerp, of elk der onderdeelen van het voorwerp, dat die belemmering berokkend had."

1.6. De memorie van antwoord (Kamerstukken II, 1884/85, Bijlage 13, nr. 4, p.9) vermeldt op dit punt:

"Met de wederlegging in het Verslag van het beweren, dat splitsing van kosten in aanmerking moest worden genomen, kan de ondergeteekende zich geheel vereenigen."

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 januari 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Op 13 oktober 2008 is het binnenvaartschip 'RIAD' na een aanvaring met het zeeschip 'Wisdom' gezonken in de Oude Maas.

2.2. Bij beschikking van 14 oktober 2008 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) de RIAD en de daarin aanwezige en de daaruit afkomstige zaken zoals die zich toen in de Oude Maas bevonden, onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst. Onder deze zaken viel ook een lading ferrochroom, waarvan ELG en Henric de ladingbelanghebbenden zijn.

2.3. Op 17 oktober 2008 heeft de Staat de lading laten bergen en laten afvoeren naar een terrein van Rijkswaterstaat in Dordrecht. Twee dagen later is de RIAD geborgen.

2.4. De Staat begroot de totale opruimingskosten, zoals deze thans nog openstaan, op € 554.704,71, waarvan ongeveer € 34.000,-- voor het bergen van de lading ferrochroom. De Staat heeft de eigenaar van de RIAD en ELG aangesproken voor vergoeding van de totale opruimingskosten.

2.5. ELG en Henric hebben de Staat op enig moment laten weten bereid te zijn tot het stellen van zekerheid voor de kosten voor het bergen van de lading ferrochroom. De Staat heeft dit aanbod geweigerd en hen bericht dat de lading pas wordt vrijgegeven wanneer ELG en Henric de volledige opruimingskosten vergoeden of wanneer hiervoor zekerheid wordt gesteld.

2.6. Op 22 oktober 2008 heeft de eigenaar van de RIAD afstand gedaan van het schip. Het schip is nadien door de Staat verkocht.

2.7. Na daartoe bij beschikking van 22 oktober 2008 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht verlof te hebben verkregen, hebben ELG en Henric ten laste van de Staat conservatoir beslag tot afgifte laten leggen op de lading ferrochroom.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. ELG en Henric vorderen in conventie, zakelijk weergegeven, de Staat te veroordelen de lading ferrochroom vrij te geven tegen een door ELG en Henric aan te bieden zekerheid voor de bergingskosten van deze lading, welke kosten moeten worden begroot op € 34.000,--, een en ander op basis van een Rotterdams Garantieformulier 2000 of op basis van een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen garantietekst dan wel na directe betaling van deze kosten.

3.2. Daartoe voeren ELG en Henric het volgende aan.

Ten onrechte houdt de Staat de lading ferrochroom onder zich. Anders dan de Staat betoogt, verplicht de Wrakkenwet ladingbelanghebbenden ELG en Henric niet tot vergoeding van de totale bergingskosten. Zij kunnen slechts worden aangesproken voor de bergingskosten ter zake van de lading ferrochroom, begroot op € 34.000,--. De Wrakkenwet maakt onderscheid, althans geeft voldoende ruimte daartoe, tussen de verschillende geborgen zaken en de betreffende belanghebbenden. De handelwijze van de Staat is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van deze wet en deze interpretatie vindt geen steun in de rechtspraak. De Staat maakt aldus op een onrechtmatige wijze inbreuk op het eigendomsrecht van ELG en Henric als ladingbelanghebbenden. Dit is tevens in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

3.3. De Staat voert in conventie gemotiveerd verweer en vordert in reconventie opheffing van het door ELG en Henric gelegde conservatoir beslag.

3.4. Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie

4.1. ELG en Henric leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven. ELG en Henric zijn in hun vordering ook ontvankelijk, nu voor hetgeen zij willen bereiken geen andere mogelijkheden ten dienste staan. De Staat heeft dit ook niet betwist.

4.2. Voorop gesteld wordt dat de Wrakkenwet voornamelijk is ingegeven door waterstaatsbelangen. De overheid is belast met de taak om ervoor te zorgen dat het vaarwater aan zijn bestemming beantwoordt. Tegen deze achtergrond biedt de Wrakkenwet de overheid een pakket ordemaatregelen om het laten voortduren van een gevaarsituatie in een openbaar vaarwater te voorkomen. Artikel 5 Wrakkenwet geeft de overheid een aparte grondslag om de in verband hiermee gemaakte kosten te verhalen, naast het reguliere aansprakelijkheidsrecht.

4.3. De keuze van de Staat om ELG en Henric aan te spreken op grond van de Wrakkenwet is niet in geschil. Partijen zijn verdeeld over de vraag of artikel 5 Wrakkenwet aldus moet worden begrepen dat wanneer een belanghebbende rechthebbende is op een afzonderlijke zaak die deel uitmaakt van de geborgen zaken, hij, teneinde aanspraak te kunnen maken op afgifte van deze zaak, slechts zekerheid zou moeten bieden voor die kosten die zijn gerelateerd aan deze specifieke zaak en niet voor alle kosten die uit het voorval zouden kunnen voortvloeien. ELG en Henric beantwoorden deze vraag bevestigend en menen dat een andere uitleg tot onredelijke situaties leidt. Zij stellen voldoende zekerheid te hebben geboden voor de bergingskosten die zijn gerelateerd aan de lading ferrochroom en vorderen op deze grond afgifte van de lading. De Staat ziet dit anders en voert het verweer dat de Wrakkenwet geen onderscheid maakt tussen de verschillende geborgen zaken en de daarbij behorende belanghebbenden. In de visie van de Staat dienen ELG en Henric zekerheid te stellen voor alle opruimingskosten.

4.4. Dit verweer slaagt. De Wrakkenwet maakt het door ELG en Henric bedoelde onderscheid niet en biedt daarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin ruimte. De thans aan de orde zijnde vraag of de Staat de opruimingkosten zou moeten splitsen over de betreffende belanghebbenden, is blijkens de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de oude Wrakkenwet van 1885 onderwerp van discussie geweest. Daarbij is het door ELG en Henric bepleite standpunt door de wetgever uitdrukkelijk verworpen onder verwijzing naar het politionele karakter van de wet. Nadien zijn er op dit punt geen relevante wetswijzigingen geweest. Ook in de door ELG en Henric aangehaalde rechterlijke uitspraken (President Rechtbank Middelburg 27 februari 1995, KG 1995, 151, Hoge Raad 14 oktober 1994, SES 1995, 1 en Hoge Raad 8 maart 2002, SES 2002, 70) kan geen steun worden gevonden voor hun uitleg van artikel 5 Wrakkenwet.

4.5. Daarnaast heeft de Staat aannemelijk gemaakt dat een splitsing van opruimingskosten ook om praktische redenen niet goed valt te verenigen met het hiervoor beschreven karakter van de Wrakkenwet, omdat de kosten voor het bergen van de lading ten opzichte van de kosten voor de berging van het schip doorgaans niet goed kunnen worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor het onderlinge aandeel van de betreffende ladingbelanghebbenden in de kosten. Dat dit in het onderhavige geval bij uitzondering anders is, doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan het hiervoor overwogene. ELG en Henric kunnen voorts niet worden gevolgd in hun stelling dat toepassing van de Wrakkenwet op de door de Staat voorgestane wijze in dit geval onredelijk is, gegeven ook de onweersproken mogelijkheden van ELG en Henric om zich op de fondsen van de betrokken schadeverzekeraars te verhalen.

4.6. Ook het beroep van de ELG en Henric op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM faalt. De Staat heeft hen de lading ferrochroom immers niet ontnomen, doch slechts onder zich gehouden. De (eigendoms)rechten van ELG en Henric zijn intact gebleven. Voorts is de afweging tussen enerzijds de algemene belangen van het verhelpen van gevaarsituaties op de openbare vaarwegen en anderzijds de bescherming van de rechten van belanghebbenden niet kennelijk onevenredig uitgevallen. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat hier sprake is van regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol, kan dus niet gezegd worden dat in kennelijk onvoldoende mate een fair balance tussen deze belangen is gevonden.

4.7. Het voorgaande voert tot de slotsom dat de door de Staat verlangde zekerheidstelling voor de volledige opruimingskosten niet onrechtmatig is. Bij deze uitkomst behoort de vordering te worden afgewezen met veroordeling van ELG en Heric, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding.

in reconventie

4.8. De Staat heeft gevorderd dat het door ELG en Henric gelegde conservatoir beslag tot afgifte op de lading ferrochroom wordt opgeheven. Hetgeen in conventie is overwogen leidt tot het oordeel dat de ondeugdelijkheid van het door ELG en Henric ingeroepen recht in voldoende mate kenbaar is. Het beslag zal daarom worden opgeheven.

4.9. ELG en Henric zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. Deze kosten worden begroot op nihil, gelet op de samenhang met het geding in conventie.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt ELG en Henric in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 254,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat indien niet binnen 14 dagen na dit vonnis aan deze proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente hierover is verschuldigd;

in reconventie

- heft op het door ELG en Heric op 22 oktober 2008 ten laste van de Staat gelegde conservatoir beslag;

- veroordeelt ELG en Henric in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2009.

mlh