Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH2897

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
Awb 07/46157
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI0751, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burundi / 15C Definitierichtlijn / geen binnenlands gewapend confilct in Nyanza-Lac

De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de informatie uit de ambtsberichten Burundi van 31 maart 2006, 23 november 2006 en september 2007 niet leidt tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de feiten en omstandigheden uit het bericht IRIN Africa van 14 januari 2008 niet leiden tot het oordeel dat de situatie in geheel Burundi dermate zou zijn verslechterd dat een nieuw categoriaal beschermingsbeleid zou zijn geïndiceerd. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres middels de verwijzing naar bovengenoemde ambtsberichten niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in Burundi sprake was van een binnenlands gewapend conflict, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Daarnaast heeft eiseres met het bericht van IRIN Africa evenmin aannemelijk gemaakt dat zij onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn valt, reeds vanwege het feit dat uit de omstandigheid dat volgens het bericht de strijd tussen het regeringsleger en de FNL in bepaalde delen van het land is hervat niet volgt dat er ook in de regio waarvan zij afkomstig is, Nyanza-Lac, sprake zou zijn van een binnenlands gewapend conflict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 07/46157

Uitspraak in het geschil tussen:

X

van Burundische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.M.J. Lubbers, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. H.R. Nobel, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 22 september 2006 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 13 november 2007 afwijzend op deze aanvraag beslist.

1.2. Bij beroepschrift van 10 december 2007 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde besluit beroep ingesteld. Bij brief van 5 februari 2008 heeft eiseres de gronden van beroep ingediend en bij brief van 2 mei 2008 zijn aanvullende gronden ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 31 oktober 2008. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.5. Bij brief van 4 november 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op hetgeen hen in deze brief werd voorgelegd. Verweerder heeft daarvan bij brief van 17 november 2008 gebruik gemaakt. Bij brief van 18 november 2008 heeft verweerder een vervanging van deze brief ingediend. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 2 december 2008 daarop gereageerd. Met toestemming van beide partijen is het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiseres heeft, samengevat, het volgende aan haar asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiseres is afkomstig uit Nyanza-Lac, Burundi. In december 2003 zijn soldaten het huis van eiseres binnengevallen, waarbij zij eisten dat de vader van eiseres zijn wapen inleverde. Omdat haar vader en broer de soldaten niet vertelden waar het wapen was, zijn zij door hen gedood. Eiseres wist via het toilet te ontsnappen en is naar een vriend van haar vader, genaamd Mutwale, gevlucht. Mutwale heeft eiseres geholpen Burundi te verlaten. Eiseres vreest bij terugkeer in Burundi voor haar leven.

2.2. Op 15 december 2003 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 15 maart 2004 deze aanvraag ingewilligd en eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig tot 15 december 2006.

2.3. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag voor een vergunning voor onbepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 34 in samenhang gelezen met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), nu de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is komen te vervallen. Voor zover eiseres stelt dat het categoriaal beschermingsbeleid voor Burundi ten onrechte is afgeschaft, stelt verweerder dat de algemene mensenrechtensituatie in Burundi, zoals beschreven in de ambtsberichten van november 2006 en september 2007, niet leidt tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. De door eiseres aangevoerde bronnen leiden niet tot een ander oordeel. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de vergunningverlening geen andere gronden, als genoemd in artikel 29 Vw 2000, bestonden om aan eiseres een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Verweerder heeft dit standpunt als volgt gemotiveerd. Eiseres heeft toerekenbaar geen reis- en nationaliteitsdocumenten overgelegd. Ondanks dat eiseres met behulp van een reisagent is gereisd, kon en mocht van haar worden verlangd dat zij bij aankomst op Schiphol direct de bescherming van de Nederlandse autoriteiten had ingeroepen, onder gelijktijdige overlegging van alle beschikbare documenten. Gelet hierop komt het voor risico en rekening van eiseres dat zij geen documenten meer bezit. Het is niet aannemelijk dat eiseres geen enkel indicatief bewijs van de reis kan overleggen noch in staat is consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reisroute af te leggen. De stelling van eiseres dat zij gezien haar situatie en opleiding voldoende over haar reis heeft verteld, maakt dit niet anders. Veder heeft eiseres geen documenten overgelegd, waaruit de dood van haar broer en vader zou blijken. Gezien het voorgaande, is de oprechtheid van het asielrelaas van eiseres op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid hiervan. Voorts heeft eiseres vage en summiere verklaringen afgelegd over de arrestatie van haar vader, welke arrestatie verband zou houden met het inleveren van wapens. Het gestelde over de arrestatie van haar vader en de gebeurtenissen nadien wordt niet geloofwaardig geacht. Hiertoe overweegt verweerder dat het weliswaar zo kan zijn dat haar vader is meegenomen in verband met de eventuele inlevering van wapens. Echter, niet valt in te zien dat de soldaten dan niet meteen het huis doorzoeken op wapens die ingeleverd zouden moeten worden. De stelling van eiseres dat er plausibele verklaringen kunnen bestaan voor de handelwijze van de soldaten, is geen reden voor verweerder om anders te oordelen. Voorst valt niet in te zien dat haar vader een paar uur daarna zou zijn vrijgelaten om vervolgens vier dagen later, naar aanleiding van de omstandigheid dat hij nog immer geen wapen inleverde, door de soldaten in zijn eigen huis dusdanig wordt mishandeld dat hij tengevolge daarvan overlijdt. Evenmin wordt geloofwaardig geacht dat daarna haar broer tevens dusdanig door de soldaten is mishandeld, omdat hij niet wist te vertellen waar het wapen was, dat ook hij is overleden. Daarnaast wordt niet geloofwaardig geacht dat eiseres op dusdanig simpele wijze zou hebben kunnen ontsnappen. Het is ongerijmd dat indien twee mensen zouden zijn gedood in verband met het eventuele bezit van wapens, een derde persoon onbewaakt deze wapens zou mogen gaan halen. De stelling van eiseres dat het van algemene bekendheid verondersteld mag worden dat (Afrikaanse) legers vaak met drank en drugs tot geweld worden aangezet, doet hieraan niet af. Immers, niet valt in te zien dat een dergelijk excessief geweld gebruikt zal worden in het kader van vredespogingen. Verder is het bevreemdingwekkend dat eiseres in verband met de gestelde problemen naar een vriend van haar vader, Mutwale, is gegaan om hulp te vragen in plaats van naar degene met wie zij stelt te zijn gehuwd. Dat het in de Afrikaanse traditie past om niet naar de man waarmee je gehuwd bent maar niet samenwoont te gaan en dat Mutwale bovendien dichterbij woonde, maakt dit niet anders, temeer nu eiseres niet weet te vertellen hoe ver het huis van Mutwale van haar ouderlijke huis was gelegen. Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: Definitierichtlijn) stelt verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft weten te maken dat er in haar individuele geval sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of haar als persoon, nu haar asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht. Ten slotte overweegt verweerder, in het kader van de ex-nunc toetsing, dat er geen gronden als genoemd in artikel 29 Vw 2000 bestaan om eiseres een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.

2.4. Eiseres heeft zich in zijn zienswijze en de gronden van beroep op het standpunt gesteld dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Eiseres heeft dit standpunt, samengevat, als volgt gemotiveerd. Het categoriale beschermingsbeleid is naar de mening van eiseres onterecht beëindigd. Blijkens het ambtsbericht van 31 maart 2006 vinden er nog steeds veel mensenrechtenschendingen plaats in Burundi. Voorts blijkt uit het ambtsbericht van 23 november 2006 dat de situatie in Burundi is verslechterd. Ook andere organisaties spreken van een verslechtering van de situatie in Burundi. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht van 23 november 2006 en het ambtsbericht van september 2007 onder meer dat een duurzaam vredesakkoord nog niet is bereikt en dat de mensenrechten in Burundi regelmatig geschonden worden, waartegen geen bescherming kan worden ingeroepen. Indien verweerder meent dat eiseres, geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000 dan doet eiseres in het licht van het voorgaande een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Met betrekking tot dit artikel dient verweerder immers een ruimer toetsingskader te hanteren dan in verband met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Daarbij geldt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in het kader van de uitleg van artikel 15c Richtlijn prejudiciële vragen heeft gesteld. Eiseres loopt een groot risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, omdat er in Burundi nog steeds sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Eiseres verwijst naar informatie van IRIN Africa van 13 januari 2008, waaruit blijkt dat de Forces Nationales de Libération (FNL) de gevechten met het regeringsleger hervat. Daarnaast verwijst eiseres in dit verband naar een tweetal uitspraken. Verder bestrijdt eiseres het standpunt van verweerder dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid. Ten onrechte verwijt verweerder eiseres dat zij geen documenten heeft overgelegd. Eiseres verkeerde in levensgevaar en had geen tijd om documenten mee te nemen. Daarbij komt dat de reisagent de reisbescheiden onder zich heeft gehouden en dat eiseres, gezien haar situatie en opleiding, voldoende over haar reis heeft verteld. Ook bestrijdt eiseres dat haar relaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Eiseres is van mening dat er voor de handelwijze van de soldaten plausibele verklaringen kunnen bestaan. De soldaten in Burundi hoeven niet noodzakelijkerwijs te handelen op een wijze die door verweerder als aannemelijk wordt geacht. Tevens kunnen er vele mogelijke redenen zijn voor de omstandigheid dat eiseres op een vrij eenvoudige wijze heeft weten te ontsnappen. Het feit dat eiseres niet naar haar echtgenoot, maar naar een vriend vluchtte is te verklaren door de Afrikaanse traditie dat het niet gepast is om naar je echtgenoot te gaan met wie je nog niet officieel samenwoont. Daarbij komt dat de vriend dichterbij woonde. Tot slot vreest eiseres bij terugkeer voor een behandeling in strijd met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres behoort immers tot een kwetsbare minderheidsgroep, omdat zij een alleenstaande vrouw is die naar jaren terugkeert naar Burundi, waar het geweld toeneemt en zij geen bescherming heeft tegen seksueel geweld.

2.5. In het verweerschrift is verweerder ingegaan op de gronden van beroep. Verweerder heeft het bestreden besluit gehandhaafd en nog het volgende naar voren gebracht. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, stelt verweerder dat artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 alle situaties die zijn beschreven in artikel 15 Definitierichtlijn, omvat. Derhalve is met de toetsing die verweerder in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 heeft verricht, reeds aan artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn getoetst en kan het separate beroep op dit artikel niet slagen. De omstandigheid dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (EHvJ) over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, noopt voorshands niet tot wijziging van het standpunt dat dit artikel een andere toetsing vereist dan de toetsing die thans reeds wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Verweerder ziet geen aanleiding om vooruitlopend op de beantwoording van de prejudiciële vragen van een andere uitleg aan artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn uit te gaan dan tot op heden is gedaan. Zelfs indien aan dit artikel een andere uitleg moet worden gegeven, blijft als uitgangspunt staan dat sprake moet zijn van een geloofwaardig asielrelaas.

Wettelijk kader

2.6. Ingevolge artikel 34 Vw 2000 (oud) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 voordoet.

2.7. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

2.8. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw 2000 kan een

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de

vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst; of

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn met in verband met de algehele situatie aldaar […].

2.9. Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) in verbinding met bijbehorend Protocol van New York van 1967, worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.10. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlenen vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.11. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, Definitierichtlijn is de persoon die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 Definitierichtlijn, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, van die richtlijn niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn dient onder ernstige schade te worden verstaan, ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.12. Op grond van artikel 83, eerste lid, Vw 2000 dient de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, wordt ingevolge het tweede lid alleen rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor het besluit omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14.

Beoordeling van het beroep

2.13. Bij onder meer de uitspraken van 28 maart 2002 (AB 2002/132) en van 20 februari 2004 (JV 2004/172) heeft de AbRS geoordeeld dat een besluit, waarbij een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarin ligt besloten dat geen verblijfsvergunning wordt verleend op één van de gronden a tot en met c van het eerste lid van artikel 29 Vw 2000. In haar uitspraak van 28 maart 2002 heeft de AbRS uitdrukkelijk gewezen op de door de Staatssecretaris van Justitie gedane toezeggingen dat - in weerwil van het feit dat de verlening van een verblijfsvergunning dient te worden gebaseerd op een beoordeling van de toepasbaarheid van de gronden, vermeld, in artikel 29 Vw 2000, in de daar aangegeven volgorde - die beoordeling opnieuw en ten volle zal plaatsvinden indien het mocht komen tot een voornemen tot intrekking van de verleende vergunning en dat hij zich alsdan in een eventueel daarop volgende procedure niet op het standpunt zal stellen dat die herbeoordeling niet kan worden aangevochten.

2.14. Gelet op artikel 34 in verbinding met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 83 Vw 2000 en in aanmerking genomen genoemde uitspraken van de AbRS en verweerders bestendige toetsingspraktijk, is verweerder in beginsel gehouden de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen:

i) indien er op het moment waarop de verblijfsvergunning werd verleend, een andere grond voor verlening als bedoeld in artikel 29 Vw 2000 aanwezig was of, indien dit niet het geval is: ii) indien er op het moment van het verstrijken van de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan wel - gelet op artikel 83 Vw 2000 - op enig relevant moment nadien, een grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29 Vw 2000 aanwezig is.

2.15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen merkt de rechtbank allereerst op dat zij het primaire standpunt van verweerder, vervat in diens brief van 17 november 2008 naar aanleiding van de heropening, dat het bericht van IRIN Africa van 14 januari 2008 niet op grond van artikel 83 Vw 2000 in de beoordeling kan worden betrokken, niet volgt. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet in het geval als de onderhavige waarin de aanvraag voor een vergunning voor onbepaalde tijd is afgewezen omdat de grond voor eerdere verlening van een vergunning is komen te vervallen, feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen in de beoordeling van het beroep te betrekken. Integendeel de rechtbank is daartoe gehouden, mits de goede procesorde zich daar niet tegen verzet en afdoening van de zaak niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Van het laatste is in de onderhavige situatie geen sprake.

2.16. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder bij het instellen c.q. beëindigen van een beleid van categoriaal bescherming een ruime beoordelingruimte toekomt, waarbij de indicatoren voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid zijn neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het beleid van categoriale bescherming wordt verder toegelicht in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

2.17. Eiseres is bij besluit van 15 maart 2004, met ingang van 15 december 2003, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000, geldig tot 15 december 2006, op grond van het categoriale beschermingsbeleid dat toen door verweerder werd gevoerd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000. Vaststaat dat de grond voor verlening van verblijfsvergunning is komen te vervallen, aangezien verweerder thans geen categoriaal beschermingsbeleid hanteert ten aanzien van asielzoekers van Burundische nationaliteit. Immers, verweerder heeft op 19 juni 2006 besloten het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit Burundi, dat sedert 26 maart 1996 werd gevoerd, te beëindigen. De Tweede Kamer heeft op 28 juni 2006 met deze beleidswijziging ingestemd.

2.18. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid het categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit Burundi heeft kunnen beëindigen. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder het categoriaal beschermingsbeleid voor Burundi ten onrechte heeft beëindigd, nu, blijkens de ambtsberichten van 31 maart 2006, 23 november 2006 en september 2007 er nog steeds veel mensenrechtenschendingen plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen dit besluiten dat deze informatie niet leidt tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat volgens het ambtsbericht van september 2007 de veiligheidssituatie in het gehele land in de verslagperiode is verbeterd. Voor zover eiseres met de feiten en omstandigheden uit het bericht IRIN Africa van 14 januari 2008 beoogt aan te geven dat verweerder opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid voor Burundi dient in te stellen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, zoals verwoord in diens brief van 17 november 2008 naar aanleiding van de heropening, dat het bericht niet leidt tot het oordeel dat de situatie in geheel Burundi dermate zou zijn verslechterd dat een nieuw categoriaal beschermingsbeleid zou zijn geïndiceerd. Zoals verweerder heeft overwogen, is met deze informatie immers niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een structurele verslechtering van de veiligheidssituatie in geheel Burundi.

2.19. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van de verleende verblijfsvergunning geen redenen waren om eiseres een verblijfsvergunning te verlenen, overweegt de rechtbank het volgende.

2.20. De rechtbank is van oordeel dat, wat ook zij van de stelling van eiseres dat zij gezien haar vluchtsituatie geen documenten die haar relaas onderbouwen heeft kunnen meenemen, verweerder eiseres in redelijkheid heeft kunnen toerekenen dat zij geen reisbescheiden heeft overgelegd. De rechtbank volgt niet de stelling van eiseres dat verweerder haar het ontbreken van reisdocumenten niet mag aanrekenen, omdat zij afhankelijk was van de reisagent. Immers, volgens de uitspraak van de AbRS van 8 oktober 2002 (200204720/1) kan het feit dat eiseres afhankelijk was van een reisagent niet afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van haar reisrelaas. In de zienswijze, die in beroep is ingelast, is weliswaar aangevoerd dat eiseres gezien haar situatie en opleiding voldoende over de reis heeft verteld, maar verweerder heeft dienaangaande in het bestreden besluit overwogen dat de omstandigheid dat eiseres mogelijk weinig tot geen opleiding heeft genoten, niet wil zeggen dat zij niet zou kunnen beschrijven hoe een vliegtuig er aan de buitenzijde zou hebben uitgezien. In beroep is de juistheid van deze overweging niet bestreden.

2.21. In het licht van het vorenstaande dient ingevolge artikel 31 Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 737, nr. 3, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels het relaas niet alleen consistent en niet onaannemelijk te zijn, doch mogen daarin ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op grond van de gebruikte motivering op het standpunt heeft mogen stellen dat het relaas geen positieve overtuigingskracht bezit en derhalve ongeloofwaardig is te achten. De rechtbank laat bij haar oordeel wegen dat eiseres vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over de gebeurtenissen omtrent de dood van haar vader en broer. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij op de gestelde wijze heeft weten te ontsnappen aan de soldaten. De stelling van eiseres dat er plausibele verklaringen bestaan voor de handelwijze van de soldaten maakt het voorgaande niet anders. Voorts heeft eiseres, wat ook zij van hetgeen zij heeft verklaard over Afrikaanse tradities en huwelijksrelaties, niet kunnen vertellen over de afstand van haar ouderlijke huis naar het huis van Mutalwe, waarnaar zij is gevlucht.

2.23. Gelet op het bovenstaande kon eiseres ten tijde van de vergunningverlening, niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.24. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat er op het moment van het verstrijken van de geldigheidsduur van de verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan wel - gelet op artikel 83 Vw 2000 - op enig relevant moment nadien, geen grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29 eerste lid, Vw 2000 aanwezig is.

2.25. Eiseres heeft aangevoerd dat zij bij terugkeer risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, omdat zij als alleenstaande vrouw behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep en zij derhalve bij terugkeer te vrezen heeft voor seksuele geweldpleging. Volgens het beleid zoals door verweerder gevoerd en neergelegd in paragraaf C24/5.3.4, gelezen in samenhang met paragraaf C2/3.1.3 Vc 2000, kunnen vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor seksuele geweldpleging in Burundi op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel indien zij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk hebben gemaakt dat in samenhang daarmee een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan de voorwaarden van voornoemd beleid voldoet, nu verweerder haar asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Hierdoor is niet aannemelijk geworden dat eiseres een alleenstaande vrouw uit Burundi is.

2.26. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn oordeelt de rechtbank als volgt. Een vreemdeling, afkomstig uit een land waar zich, naar door hem gesteld, een binnenlands gewapend conflict voordoet, valt eerst onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn, indien hij aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het besluit sprake was van een binnenlands gewapend conflict in Burundi. Deze bewijsplicht aan de zijde van de vreemdeling blijkt onder meer uit de uitspraak van de AbRS van 29 februari 2008 (LJN: BC5983). Uit hetgeen in dit verband door verweerder naar voren is gebracht, blijkt weliswaar dat verweerder inzake de vraag of in Burundi sprake is van een dergelijk conflict vooralsnog geen standpunt heeft ingenomen, echter dit laat onverlet de omstandigheid dat eiseres dit zelf aannemelijk dient te maken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres middels de verwijzing naar de ambtsberichten Burundi van maart en november 2006 en het ambtsbericht van september 2007 niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in Burundi sprake was van een binnenlands gewapend conflict, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Dit geldt temeer, nu er uit het ambtsbericht Burundi van september 2007 blijkt dat de veiligheidssituatie in Burundi juist is verbeterd. Gedurende de verslagperiode van november 2006 tot en met juli 2007 vonden aldaar nog wel “geweldsincidenten” plaats, maar was er geen sprake meer van oorlogshandelingen. Verder heeft eiseres in dit kader verwezen naar het bericht van IRIN Africa van 14 januari 2008 dat er melding van maakt dat met name in de provincies Bujumbura Rural en Bubanza de strijd tussen het regeringsleger en de FNL is hervat. Ook hiermee heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn valt, reeds vanwege het feit dat uit de omstandigheid dat volgens het bericht van IRIN Africa de gevechten in bepaalde delen van het land zijn hervat niet volgt dat er ook in de regio waarvan zij afkomstig is, Nyanza-Lac, sprake zou zijn van een binnenlands gewapend. De door eiseres overgelegde uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen Arnhem en Haarlem, van 13 november 2007 respectievelijk 22 november 2007 (Awb 07/38546 en Awb 07/30929), leiden niet tot een ander oordeel. Tot slot overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat door de AbRS prejudiciële vragen zijn gesteld over artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, onverlet laat dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt door de aanwezigheid (binnenlands) gewapend conflict onder de reikwijdte van dit artikel te vallen.

2.27. Het beroep is ongegrond.

2.28. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.K. van Haren als griffier op 13 januari 2008.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: