Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1910

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
09-610194-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een bromfiets aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Hij heeft door te hard te rijden en achterom te kijken een verkeersongeval veroorzaakt tengevolge waarvan het slachtoffer om het leven is gekomen. Werkstraf van 240 uren; gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/610194-08

Datum uitspraak: 4 februari 2009

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1987,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 januari 2009.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C. Nobel, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Berton heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan,

gemerkt B.

Bewijsoverwegingen en bewijsverweren.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt.

Aan verdachte is primair - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij op 20 september 2007 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor een voetganger, [A], is overleden. Het verwijt dat hem daarbij wordt gemaakt komt er in de kern op neer dat hij roekeloos/zeer/aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld door (a) te rijden op een brommer die niet voldeed aan een aantal technische vereisten, (b) met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur, althans te hard, te rijden en/of (c) (telkens) achterom te kijken, tengevolge waarvan hij tegen het slachtoffer is gebotst.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is omtrent de toedracht van de aanrijding het volgende komen vast te staan:

- Verdachte was destijds werkzaam als pizzakoerier en hij was op 20 september 2007 omstreeks 20.25 uur op een door zijn werkgever ter beschikking gestelde bromfiets onderweg om een bestelling af te leveren.

- Verdachte kwam vanaf de Regentesselaan en is aan het eind van die laan het fietspad naast de Loosduinseweg opgereden, gaande in de richting van de Zuiderparklaan.

- Na te hebben stilgestaan bij het stoplicht ter hoogte van de Beeklaan heeft hij zijn weg over het fietspad vervolgd en daarbij zijn snelheid opgevoerd tot ca. 50 km/uur. De Loosduinseweg is ter plaatse een rechte weg. Het was op dat moment al donker, maar de straatverlichting was ontstoken.

- Op enig moment heeft hij, rijdende met die snelheid van ca. 50 km/uur, achterom gekeken, naar hij zegt omdat hij een vreemd geluid hoorde en dacht dat iemand hem wilde inhalen.

- Toen hij weer voor zich keek zag hij opeens [A] op een afstand van drie meter voor zich op het fietspad staan. [A] was afkomstig uit haar woning aan de Loosduinseweg en was bezig het fietspad over te steken om vuilnis aan de kant van de weg te zetten.

- Op het moment dat verdachte [A] zag staan, was hij haar al zo dicht genaderd dat hij niet meer heeft kunnen remmen en uitwijken. Verdachte is vervolgens met de door hem bestuurde bromfiets tegen [A] gebotst. [A] heeft hierbij ernstig letsel opgelopen (een schedelbasisfractuur en een hersenbloeding), aan de gevolgen waarvan zij korte tijd later in het ziekenhuis is overleden.

Gelet op deze toedracht is de rechtbank van oordeel dat de technische staat waarin de door verdachte bestuurde bromfiets verkeerde, geen enkele rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de aanrijding. Hoewel zich in het dossier voldoende aanknopingspunten bevinden om te kunnen oordelen dat de brommer op meerdere punten niet voldeed aan de technische vereisten, zal de rechtbank deze omstandigheid bij de vraag of verdachte schuld treft in de zin van artikel 6 WVW dan ook verder buiten beschouwing laten.

Ten aanzien van de snelheid waarmee verdachte heeft gereden en het achterom kijken door verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte kort na het ongeval tegenover de politie heeft verklaard dat hij achterom keek en dat hij op dat moment met ongeveer de maximale snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur reed. De rechtbank heeft, anders dan door de raadsvrouw is betoogd, geen reden aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Verdachte is ruim twee maanden later telefonisch door de politie gehoord en heeft toen niet aangegeven dat zijn eerdere verklaring niet juist zou zijn. De verklaring van verdachte wordt bovendien ondersteund door de verklaring van getuige [getuige], die heeft verklaard dat hij het slachtoffer na de botsing door de lucht heeft zien vliegen, en door het proces-verbaal verkeersongevalanalyse, waaruit blijkt dat het slachtoffer op geruime afstand van de plaats van de aanrijding is aangetroffen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte op het moment van de aanrijding met een zeer aanzienlijke snelheid moet hebben gereden. Bovendien heeft de getuige [getuige] verklaard dat verdachte hem enige dagen later heeft meegedeeld dat deze ongeveer 50 kilometer per uur had gereden en dat hij net voor de aanrijding achterom had gekeken. Anders dan door de raadsvrouw is aangevoerd, acht de rechtbank de enkele omstandigheid dat de getuige [getuige] telefonisch is gehoord en dat verklaring niet is ondertekend, onvoldoende om deze verklaring onbetrouwbaar te achten. Evenmin geeft dit grond om deze verklaring van het bewijs uit te sluiten.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de snelheid en het achteromkijken voorts nog aangevoerd dat op deze punten niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, nu daarvoor uiteindelijk slechts één bewijsmiddel (de verklaring van verdachte tegenover de politie) voorhanden is; hetgeen de getuige [getuige] over de snelheid en het achterom kijken heeft verklaard is volgens de raadsvrouw immers afkomstig uit dezelfde bron (verdachte).

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu de bepaling dat een bewezenverklaring niet slechts op één bewijsmiddel mag rusten, geldt voor de gehele tenlastlegging; onderdelen van de bewezenverklaring mogen wel degelijk op een enkel bewijsmiddel berusten.

Gelet op de hiervoor omschreven toedracht en de overige omstandigheden van het geval acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval met dodelijke afloop heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft met een veel te hoge snelheid van 50 km/uur binnen de bebouwde kom gereden over een fietspad en daarbij ten minste eenmaal achterom gekeken. Aldus heeft verdachte niet, althans veel te laat opgemerkt dat [A] inmiddels het fietspad was opgelopen en door zijn hoge snelheid was hij, toen hij weer voor zich keek, niet meer in staat een aanrijding met [A] te vermijden. De rechtbank verwerpt daarbij het betoog van de raadsvrouw dat verdachte een beroep op overmacht toekomt omdat [A] dermate plotseling op het fietspad verscheen dat hij daarmee geen rekening kon of had moeten houden. Dit verweer gaat reeds daarom niet op nu de verkeerssituatie ter plaatse (links van het fietspad bevonden zich langs de rijbaan van de Loosduinseweg parkeerplaatsen en rechts van het fietspad woningen en winkels) meebracht dat verdachte hoe dan ook bedacht diende te zijn op overstekende voetgangers. Verdachte heeft zijn snelheid hierop niet aangepast. Bovendien acht de rechtbank niet aannemelijk dat het slachtoffer 'plotseling' op het fietspad stond. Het fietspad naast de Loosduinseweg is ter plaatse een rechte, overzichtelijke weg, met goed zicht op het naastgelegen trottoir en de daaraan gelegen woningen. Dit trottoir is blijkens het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse ca. 3,50 m breed, zodat verdachte het slachtoffer ruim van te voren had kunnen en moeten opmerken. Dit klemt temeer nu uit ditzelfde proces-verbaal voorts valt af te leiden dat [A], die op weg was naar de rijbaan van Loosduinseweg, het trottoir en fietspad niet dwars, maar schuin overstak. De afstand naar de rand van de weg is dan nog langer. Het geheel overziend moet het rijgedrag van verdachte dan ook als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend worden gekwalificeerd, zodat hij schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een bromfiets aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Hij heeft door te hard te rijden en achterom te kijken een verkeersongeval veroorzaakt tengevolge waarvan [A] om het leven is gekomen. Dit heeft, zoals ter zitting uit de slachtofferverklaring die de ouders van het slachtoffer hebben geschreven is gebleken, veel leed veroorzaakt bij de nabestaanden. De nabestaanden moeten hun dochter, zus, partner, vriendin voor altijd missen.

Verdachte is, zoals blijkt uit een op zijn naam staand Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2008 niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest.

De officier van justitie heeft betoogd dat sprake was van aanmerkelijke tot grove schuld van verdachte aan het ongeval en heeft mede daarop haar eis gebaseerd. De rechtbank acht bewezen dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte, derhalve een lichtere mate van schuld. De rechtbank acht daarom een lichtere straf dan door de officier van justitie geëist passend en geboden.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank een werkstraf, een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Zij zal daarbij, om herhaling in de toekomst te voorkomen, de gevangenisstraf en de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een verkeersongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 240 uren;

bepaalt dat de werkstraf bij gebreke van uitvoering zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 120 dagen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Steenhuis, voorzitter,

Van Dorp en Goudswaard, rechters,

in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2009.

Mr Goudswaard is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.