Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1671

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
808662/08-29529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening kantonrechter. Vordering tot ontruiming van pand waarvan de burgemeester de sluiting voor de duur van 12 maanden heeft bevolen op grond van art. 13b van de Opiumwet alsmede artt. 62 en 65 APV. Bestuursrechtelijke beslissing heeft formele rechtskracht verkregen. Buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door eiseres op 5 november 2008 in beginsel rechtsgeldig op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. De omstandigheid, dat de sluiting was beperkt tot de duur van een jaar (tot 16 juni 2009) doet daar niet aan af. De waarschijnlijkheid, dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen, dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst van 21 oktober 2008 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt voorshands als gering beoordeeld. Vordering tot ontruiming toegewezen, maar machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie 's-Gravenhage

RA

rolnr: 808662/08-29529

22 januari 2009

Vonnis ex art. 254 Rv. in de zaak van:

Winkelpanden Den Haag B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eisende partij,

gemachtigde: mr. T.M. van Dijk,

tegen:

[A], h.o.d.n. "[restaurant]",

gevestigd te Den Haag,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H. Koning.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van het volgende:

- dagvaarding van 12 december 2008, met drie producties;

- drie producties, door eiseres toegezonden bij brief van 8 januari 2009;

- drie producties, door gedaagde toegezonden bij brief van 12 januari 2009;

- mondelinge behandeling, gehouden ter zitting van 14 januari 2009, met pleitnotities van de gemachtigden van partijen en aantekeningen van de griffier.

Feiten

- Met ingang van 1 maart 2005 heeft gedaagde van (de rechtsvoorganger van) eiseres gehuurd het bedrijfpand [adres] te Den Haag. Het gehuurde wordt hierna aangeduid als "het pand". Het pand is krachtens de overeenkomst bestemd om te worden gebruikt als een voor het publiek toegankelijk koffiehuis en restaurant. De huur is aangegaan voor de duur van vijf jaren en de huurprijs bedroeg laatstelijk € 588,85 per maand.

- Bij besluit van 5 juni 2008 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting van het pand bevolen met ingang van 16 juni 2008 voor de duur van 12 maanden. Het besluit is gegrond op art. 13b van de Opiumwet alsmede de artikelen 62 en 65 van de APV, met als motivering - kort weergegeven - dat de openbare orde in de directe omgeving ernstig werd verstoord doordat in het pand handel plaatsvond in harddrugs.

- Gedaagde heeft tegen het besluit bezwaar aangetekend, doch dat werd op 1 september 2008 afgewezen.

- Ook het door gedaagde tegen de sluiting van het pand gerichte verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Die uitspraak werd gegeven door de voorzieningenrechter van de sector Bestuur van deze rechtbank op 7 juli 2008.

- Bij brief van 21 oktober 2008 heeft eiseres de huurovereenkomst ontbonden met verwijzing naar het besluit van de burgemeester tot sluiting van het pand wegens de handel in harddrugs. Daarbij werd gedaagde gesommeerd tot ontruimde oplevering van het pand binnen vijf dagen. Bij deurwaardersexploot van 5 november 2008 is de brief aan het woonadres van gedaagde betekend. Gedaagde heeft aan de sommatie tot ontruiming geen gehoor gegeven.

Vordering

Eiseres vordert de ontruiming van het pand met machtiging om de ontruiming zonodig zelf te bewerkstelligen.

Zij stelt daartoe, dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en dat zij een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming vanwege de geconstateerde handel in harddrugs en de onmogelijkheid om het pand aan een ander te verhuren zolang dit niet door gedaagde is ontruimd.

Verweer

Gedaagde voert als verweer aan dat hij in het jaar 2004 een aanzienlijke investering heeft moeten doen voor de overname van het te dien tijde in het pand gevestigde horecabedrijf. Hij stelt dat hij vervolgens in de jaren 2005 t/m 2007 enige winst uit de exploitatie ervan heeft kunnen behalen en dat hij voornemens is de opzet van de bedrijfsvoering te wijzigen, in samenwerking met zijn broer, de heer [B]. Onder deze omstandigheden was eiseres naar de mening van gedaagde niet gerechtigd om de huurovereenkomst te ontbinden. Subsidiair verzoekt hij om een "terme de grâce".

Beoordeling

1. Eiseres heeft gesteld dat gedaagde niet in beroep is gegaan tegen de ontgrondverklaring op 1 september 2008 van zijn bezwaar tegen de sluiting van het pand door de burgemeester. Gedaagde heeft het tegendeel niet gesteld, reden waarom aangenomen wordt dat het betreffende bestuursrechtelijke besluit onaantastbaar is geworden.

2. Nu de bestuursrechtelijke beslissing tot sluiting van het pand formele rechtskracht heeft verkregen was de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door eiseres op 5 november 2008 in beginsel rechtsgeldig op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. De omstandigheid, dat de sluiting was beperkt tot de duur van een jaar (tot 16 juni 2009) doet daar niet aan af.

3. De waarschijnlijkheid, dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen, dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst van 21 oktober 2008 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt voorshands als gering beoordeeld. Het moge zo zijn, dat niet vast staat dat gedaagde zelf actief bij de drugshandel betrokken is of is geweest, doch kennelijk heeft hij niet kunnen voorkomen, dat in het pand wel sprake is geweest van gebruik van en handel in harddrugs. Daarmee is hij tevens tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting, zoals omschreven in artikel 15.2 van de huurovereenkomst, inhoudende, dat de huurder uitdrukkelijk verklaard ermee bekend te zijn dat in het gehuurde geen drugs mogen worden gebruikt en/of verhandeld.

4. Het daartegen door gedaagde aangevoerde belang, dat hij destijds fors heeft geïnvesteerd in de overname van het horecabedrijf, is amper onderbouwd en ook zijn verweer dat hij het pand wilt blijven gebruiken uit overwegingen van piéteit ten opzichte van zijn (overleden) broer, de heer [C], die aanvankelijk het pand zou huren en exploiteren, zal er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de weegschaal op grond van artikel 6:148 BW niet in het voordeel van gedaagde doen doorslaan. Het door gedaagde gestelde voornemen, om samen met zijn broer [B] de opzet van de onderneming te veranderen in een Lounge restaurant, met wijziging van de inventaris en de clientèle, leidt evenmin tot een ander oordeel, daar ook die plannen slechts summier onderbouwd zijn, terwijl niet valt in te zien waarom die (nieuwe) opzet dan zou moeten worden gerealiseerd in het (oude) pand.

5. Nu de huurovereenkomst naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op of kort na 21 oktober 2008 tot een einde is gekomen en eiseres zo spoedig mogelijk wenst over te gaan tot wederverhuur aan een derde, heeft zij een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming. Mede gelet op de omstandigheid, dat de bestuursrechtelijke sluiting van het pand zal voortduren tot 16 juni 2009, is er geen aanleiding om de ontruiming voorwaardelijk toe te wijzen zoals subsidiair door gedaagde is bepleit. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren zal worden afgewezen, daar de bevoegdheid tot reële executie van een veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 555 e.v. in verband met artikel 444 Rv.

6. De proceskosten komen voor rekening van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij.

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt gedaagde om binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te Den Haag met al die en wat daarin van zijn zijde bevindt te ontruimen en te verlaten, en het pand onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen en te laten en het pand, na ontruiming en verlating, niet wederom zonder toestemming van eiseres te betreden en/of in gebruik te nemen.

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, welke tot op heden aan de zijde van eiseres worden bepaald op € 776,71, waarvan € 400,00 als gemachtigdensalaris, met bepaling, dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr K.R. van der Graaf als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2009.