Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1655

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
325191 / KG ZA 08-1536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is de Staat (officier van justitie) op grond van de beslissingen van de rechtbank Rotterdam op twee bezwaarschriften in de zin van art. 32 Sv gehouden aan eiser de de door eiser gevraagde processtukken te doen toekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 februari 2009,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 325191 / KG ZA 08-1536 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.C.J. Teurlings te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 januari 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. In 2006 is onder de naam "[X]" een strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer [eiser] gestart.

1.2. In dat verband heeft de politie in opdracht van het Landelijk Parket Eenheid Midden Nederland op 4 december 2007 huiszoeking verricht in het huis van [eiser] aan de [adres]. Bij die huiszoeking zijn een aantal voorwerpen, waaronder administratie, in beslag genomen.

1.3. [eiser] heeft op 22 januari 2008 verzocht om toezending van het strafdossier. Na weigering van de officier van justitie heeft [eiser] op 5 februari 2008 een bezwaarschrift in de zin van artikel 32 Wetboek van Strafvordering ("Sv") ingediend bij de rechtbank Rotterdam, nevenzittingsplaats Utrecht.

1.4. Bij beslissing van 4 april 2008 heeft de rechtbank Rotterdam het bezwaarschrift gegrond verklaard en de officier van justitie gelast alle op dat moment bestaande processtukken tegen c.q. over [eiser] aan hem ter beschikking te stellen.

1.5. Bij brief van 28 april 2008 heeft de officier van justitie aan de toenmalige raadsman van [eiser] bericht dat de zaak tegen [eiser] is geseponeerd wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. De officier van justitie heeft kennisgeving van sepot op 27 mei 2008 aan [eiser] gezonden.

1.6. Op 25 april 2008 heeft [eiser] een tweede op artikel 32 Sv gebaseerd bezwaarschrift bij de rechtbank Rotterdam ingediend, waarin het verzoek wordt gedaan om alle tot op 4 april 2008 bestaande processtukken te overleggen.

1.7. Bij beslissing van 18 augustus 2008 heeft de rechtbank de officier van justitie gelast uitvoering te geven aan de beslissing van de rechtbank van 4 april 2008 om de tot op 4 april 2008 bestaande processtukken tegen c.q. over [eiser] ter beschikking te stellen.

1.8. De officier van justitie heeft bij brief van 19 september 2008 stukken aan [eiser] doen toekomen, betrekking hebbend op de huiszoeking d.d. 4 december 2007 van de woning van [eiser] en het notariskantoor [notariskantoor].

1.9. Bij brief van 25 september 2008 heeft de raadsman van [eiser] de officier van justitie het navolgende bericht, voor zover relevant:

"(...) Gistermiddag ontving ik van u een paar stukken, waarvoor dank. U heeft echter nog geen uitvoering gegeven aan de beslissing van de rechtbank d.d. 18 augustus 2008 (...)

Zoals ik u al meerdere keren heb aangegeven dienen alle bestaande processtukken te worden overgelegd. (...)"

1.10. Bij brief van 20 november 2008 heeft de raadsvrouwe van de Staat (de raadsman van) [eiser] het volgende geantwoord, voor zover relevant:

"(...) Bij brief van 19 september 2008 zijn aan u de stukken omtrent de doorzoeking (...) verstrekt. (...) De Staat is van mening dat daarmee uitvoering is gegeven aan de beslissingen van de rechtbank van 4 april en 18 augustus 2008. Gelet op hetgeen hiervóór over de behandeling van de bezwaarschriften is weergegeven, kunnen de beslissingen zich niet uitstrekken tot andere stukken dan de stukken omtrent de doorzoeking in de woning.

Tot verstrekking van de stukken omtrent de doorzoeking in het notariskantoor was de officier van justitie niet gehouden.

(...)

De rechtbank heeft volstaan met de beslissing dat de tot 4 april 2008 bestaande processtukken moeten worden verstrekt, maar daarbij geen specifieke stukken genoemd.

(...)

Ook gelet op het beschreven stadium van het onderzoek kan uw cliënt geen aanspraak maken op andere stukken dan de stukken omtrent de doorzoeking in de woning. Andere stukken dan de stukken omtrent de doorzoeking in de woning waren per 4 april 2008 nog niet relevant voor enige door de strafrechter te nemen beslissing, althans dat kon in verband met het stadium waarin het onderzoek verkeerde nog niet worden vastgesteld.

(...)

Geconcludeerd moet dan ook worden dat de Staat de beslissingen van de rechtbank Rotterdam van 4 april en 18 augustus 2008 heeft uitgevoerd. (...)"

1.11. Bij brief van 29 december 2008 heeft het Landelijk Parket aan [eiser] kennisgeving notificatie gedaan en het volgende bericht, voor zover relevant:

"(...) Bij dat onderzoek is gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waardoor inbreuk gemaakt kan zijn op uw persoonlijke levenssfeer. Daarom schrijft artikel 126bb van het Wetboek van strafvordering voor, dat u van voormeld gebruik op de hoogte wordt gesteld.

In het hiervoor bedoeld onderzoek zijn in de periode van 4 mei 2006 tot en met 7 mei 2008 met betrekking tot uw persoon (...) de navolgende opsporingsbevoegdhe(i)d(en) toegepast:

(...)

Ik beschouw hiermee aan de notificatieverplichting te hebben voldaan.

(...)"

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [eiser] vordert te gebieden dat de Staat binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Utrecht (bedoeld zal zijn Rotterdam: voorzieningenrechter) d.d. 4 april 2008 en 18 augustus 2008 uitvoert en aan hem overhandigt de stukken met betrekking tot

- alle verrichte getuigenverhoren;

- alle BOB-stukken inclusief de bijbehorende nota's;

- alle stukken die betrekking hebben op de verdenking van overtreding door [eiser] van de artikelen 140, 225, 289, 317 en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht, van de artikelen 2 en/of 3 van de Opiumwet en van de artikelen 14 en/of 26 van de Wet Wapens en Minutie, het onderzoek [X];

- het proces-verbaal overdracht informatie en start onderzoek, voorzien van nummer 061009.1710;

- het aanvullend proces-verbaal d.d. 13 november 2007 houdende een nadere invulling verdenking voorzien van het nummer: PL2671.ZB3008.27306549 contra [eiser];

- het proces-verbaal overdracht restinformatie voorzien van nummer 06051.1600.2048;

- het proces-verbaal voorzien van nummer 060823.0812;

- het proces-verbaal van observatie;

- de processen-verbaal van opnamen van telecommunicatie;

een en ander op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,-.

2.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

De Staat is gehouden de door [eiser] gevraagde stukken aan hem te doen toekomen op grond van de beslissingen van de rechtbank d.d. 4 april 2008 en 18 augustus 2008. Nu de Staat hier tot op heden niet aan heeft voldaan, handelt hij onrechtmatig jegens hem. Voorts heeft [eiser] een spoedeisend belang bij toezending van de stukken nu een vervolging op basis van de stukken, ondanks een sepot nog steeds mogelijk is. In dat verband is van belang dat [eiser] inmiddels door een ander politieteam in juli 2008 is aangehouden in opdracht van de officier van justitie te Amsterdam. Weliswaar is hij reeds de dag erop heengezonden maar men heeft hem laten weten dat men voornemens is onderzoek te doen naar het financieel handelen van [eiser] van de afgelopen jaren, hetgeen kan overlappen met het onderzoek "[X]". Zonder kennisneming van de door hem gevraagde stukken kan [eiser] niet beoordelen of sprake is van nieuwe ernstige bezwaren, welke een eventuele vervolging alsnog zouden rechtvaardigen of dat sprake is van hetzelfde onderzoek op basis waarvan reeds is besloten tot sepot.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven. [eiser] is in zijn vorderingen ook ontvankelijk nu voor hetgeen hij wil bereiken - het overhandigen van de door hem gevraagde processtukken in het strafrechtelijk onderzoek "[X]" - geen andere met voldoende waarborgen omkleedde rechtsgang ten dienste staat.

3.2. De rechtbank heeft in haar beslissingen d.d. 4 april 2008 en 18 augustus 2008 de officier van justitie gelast om de tot 4 april 2008 bestaande processtukken tegen c.q. over [eiser] ter beschikking te stellen. Uit die beslissingen kan niet worden herleid om welke stukken het specifiek gaat en, anders dan [eiser] meent, kan dan daaruit ook niet de conclusie worden getrokken dat de officier van justitie is gehouden alle door hem in zijn vordering opgesomde stukken te overleggen. Vooropgesteld dient te worden dat de algemene regel is dat de officier van justitie het (straf)procesdossier samenstelt. Hij bepaalt dan ook welke stukken en gegevens behelzende de resultaten van een opsporingsonderzoek tot de processtukken behoren. Bij die beslissing komt de officier van justitie een grote beleidsvrijheid toe. Het gaat dan steeds om stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de ingezette dwangmiddelen jegens de verdachte of voor de beantwoording van een vraag van artikel 348 en 350 Sv door de strafrechter. Gelet op de beleidsvrijheid van de officier van justitie, dient de voorzieningenrechter zich bij de toetsing daarvan terughoudend op te stellen en dient in het oog te worden gehouden dat het procesdossier niet identiek is aan het politiedossier.

3.3. Vast staat dat het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] op 28 april 2008 geëindigd is met een zogenaamd sepot 02, dat wil zeggen dat de zaak tegen [eiser] is geseponeerd wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Er is dus sprake van een technisch sepot, dat wil zeggen dat de processuele omstandigheden een succesvolle vervolging in de weg hebben gestaan, in dit geval omdat er onvoldoende wettig bewijs kon worden verzameld. Een sepot is geen onherroepelijk einde van de zaak.

Om die reden is het dan ook niet onaannemelijk dat er op 4 april 2008, gelijk de Staat stelt, nog geen strafdossier was samengesteld omdat nog niet duidelijk was of de vervolging zou worden voortgezet en zo ja voor welke feiten. Evenmin was sprake van door de strafrechter op basis van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen. Uitzondering op deze omstandigheden vormt de huiszoeking d.d. 4 december 2007, maar daarvan staat vast dat de stukken zijn overgelegd. Vervolgens is eind april 2008 besloten van vervolging af te zien.

3.4. Uitgangspunt is op grond van het voorgaande dat dit kort geding er niet toe kan strekken dat aan [eiser] alsnog stukken ter beschikking dienen te worden gesteld, die de officier van justitie op 4 april 2008 (nog) niet aan het procesdossier had toegevoegd. Dat is ook in overeenstemming met het wettelijke systeem dat met zich brengt dat na sepot er geen procedure meer openstaat om toevoeging van stukken aan het procesdossier te bewerkstelligen. Uitgangspunt is immers dat de gewezen verdachte daar na sepot geen belang meer bij heeft.

[eiser] probeert door middel van dit kort geding als het ware te bewerkstelligen dat het procesdossier in de inmiddels geseponeerde zaak alsnog wordt uitgebreid. Hij stelt dat hij daarbij ook een specifiek belang heeft, omdat hij inmiddels in een nieuwe zaak is aangehouden. [eiser] is aangekondigd dat een nieuw onderzoek naar zijn handel en wandel van de afgelopen jaren inclusief een financieel onderzoek zal plaatsvinden, hetgeen juist ook in "[X]" heeft plaatsgevonden. Er is een mogelijkheid dat stukken uit de zaak [X] in deze nieuwe zaak worden gebruikt, terwijl in [X] op basis van diezelfde stukken is geseponeerd, aldus steeds [eiser].

3.5. Dit betoog faalt. Er is immers geen wettelijke regeling die eraan in de weg staat, dat stukken uit de zaak [X], die voor [eiser] is geëindigd met een sepot, in een eventueel nieuwe zaak tegen [eiser] alsnog worden gebruikt. [eiser] zal in de eventuele nieuwe zaak stukken kunnen opvragen.

Anders dan [eiser] meent, gaat de vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 9 mei 2007 (LJN BA5058) niet op, nu de strafrechtelijke vervolging in die kwestie in een veel verder stadium verkeerde. In die kwestie stelde de officier van justitie bovendien, anders dan hier, niet ter discussie of bepaalde stukken tot het strafprocesdossier behoorden, maar of hij desondanks bepaalde stukken niet behoefde te overleggen.

3.6. Voor wat betreft de BOB-stukken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In 126 aa Sv wordt in een afzonderlijke regeling voorzien in de kennisneming van processen-verbaal of andere voorwerpen (BOB-stukken) die verkregen zijn door bijzondere opsporingsbevoegdheden. In artikel 126 aa Sv wordt geregeld dat de relevante stukken door de officier van justitie bij de processtukken worden gevoegd zodra het belang van het onderzoek dit toelaat. Ter zake van die stukken is op 29 december 2008 genotificeerd als bedoeld in artikel 126bb lid 1 Sv (r.o. 1.11). Voor [eiser] is aldus bekend welke bevoegdheden ter zake jegens hem zijn uitgeoefend. De BOB-stukken kunnen niet als processtukken worden aangemerkt omdat deze door de officier van justitie nog niet aan het procesdossier waren toegevoegd en het, in aanmerking nemende het stadium van het onderzoek per 4 april 2008, ook niet aannemelijk is gemaakt dat de officier van justitie deze al wel aan het procesdossier had toegevoegd.

3.7. Een en ander leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat de officier van justitie de door [eiser] gevraagde stukken niet behoeft over te leggen. Voorts vergt het door [eiser] gestelde belang, voorshands oordelend, ook niet dat deze, ondanks het in beginsel niet meer aanwezige strafvorderlijke belang, wèl worden overgelegd. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen.

3.8. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 254,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2009.

ib