Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1511

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
06-02-2009
Zaaknummer
AWB 07/5695 WW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK4292, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is voor zover het is gericht tegen het besluit van 22 december 2006 niet ontvankelijk en voor het overige ongegrond. De bouwvergunning in de eerste fase is op goede gronden verleend. Geen van de weigeringsgronden in artikel 44 eerste lid van de Wow doet zich hier voor. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de afweging van de belangen in redelijkheid niet gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/5695 WW44

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [plaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlist, verweerder.

Derde partij: Allure Bouw B.V., vergunninghoudster.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 22 december 2006 heeft verweerder aan de derde partij een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee geschakelde woningen en zes appartementen met bijbehorende bergingen op het perceel [adres 1], kadastraal bekend (destijds) gemeente [nummer].

Bij besluit van 20 juni 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 24 mei 2007, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit, alsmede tegen het besluit van 22 december 2006, hebben eisers bij brief van 30 juli 2007, ingekomen bij de rechtbank op 31 juli 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Bij brief van 1 juni 2008 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ter zake van, voor zover hier van belang, genoemd besluit van 20 juni 2007.

Op 1 juli 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het besluit van 20 juni 2008 geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep.

De derde partij heeft bij brief van 15 augustus 2008 zijn zienswijze op het beroep gegeven.

Eisers hebben enige stukken overgelegd.

Het beroep is op 29 augustus 2008 ter zitting behandeld.

Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door ir. [A], gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B].

Namens de derde partij zijn verschenen [C], [D], [E] en [F], bijgestaan door mr. C.J.R. Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn.

Motivering

Het bouwplan voorziet in het bouwen van twee geschakelde woningen en zes appartementen aan de [adres 1].

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van twee geschakelde woningen en zes appartementen met bijbehorende bergingen op het perceel [adres 1]. Het perceel grenst aan het [...pad]. Eisers zijn woonachtig aan de [adres 2] respectievelijk [adres 3]. Zij kunnen zich met het bouwplan met name niet verenigen, omdat vanuit de appartementen uitzicht op hun woningen bestaat, waardoor hun privacy wordt aangetast, en hun uitzicht vermindert.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet (Wow) wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “[...]”. Het betrokken perceel heeft de bestemmingen “Woondoeleinden” (W4,5(t)) en “Tuinen” (T).

In artikel 10, eerste lid en onder c, van de planvoorschriften (de beschrijving in hoofdlijnen) is bepaald dat de ruimtelijke hoofdstructuur is gebaseerd op het behouden van het huidige karakter van de lintbebouwing langs de [adres].

In artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat stapeling tot ten hoogste 3 bouwlagen met name op hoekpunten in principe mogelijk is.

In artikel 11, derde lid en onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat op de gronden met de nadere aanwijzing (t) de woningen uitsluitend vrijstaand of twee- aaneen mogen worden gebouwd.

In artikel 11, vierde lid, van de bestemmingsplanvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders onder meer bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 11, derde lid en onder a, voor de stapeling van woningen tot maximaal drie bouwlagen met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen.

Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.

Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) beleid vastgesteld.

Dit beleid was ten tijde van belang neergelegd in de Nota Regels voor Ruimte van 8 maart 2005, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 2006. Blijkens dit beleid verlenen GS in een aantal limitatief opgesomde situaties op voorhand een verklaring van geen bezwaar, de zogeheten bijzondere verklaring van geen bezwaar. Deze situaties betreffen, voor zover hier van belang, het bouwen van woningen - inclusief de bijbehorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen - mits het aantal woningen past binnen het (streekplan)woningbouwprogramma, voldoende contingent aanwezig is en de plannen niet in strijd zijn met een eventueel aanwezige regionale woonvisie

Aan de bijzondere verklaring van geen bezwaar is een aantal randvoorwaarden verbonden, onder meer met betrekking tot de verplichte watertoets als bedoeld in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening.

Niet in geschil is dat verweerder gebruik kon maken van de bijzondere verklaring van geen bezwaar.

De aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen zijn minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op de bestaande planologische situatie geringer is.

Het bouwplan behelst het oprichten van twee geschakelde woningen en zes appartementen met bijbehorende bergingen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een geringe inbreuk op het geldende planologische regime. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de beschrijving in hoofdlijnen is bepaald dat de ruimtelijke hoofdstructuur is gebaseerd op het behouden van het karakteristieke lint aan de [adres]. Het bouwplan doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk. Het bouwplan betreft weliswaar een toename van het aantal woningen op het betreffende perceel, maar de appartementen zijn teruggelegen ten opzichte van de [adres] en hebben de uiterlijke verschijningsvorm van woningen. De appartementen zijn ongeveer 10,6 meter hoog. De planvoorschriften staan een stapeling tot drie bouwlagen toe, terwijl de twee van het bouwplan deel uitmakende geschakelde woningen één bouwlaag met kapverdieping kennen, en de appartementen twee bouwlagen met kapverdieping. De ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan bestaat uit het ontwerpbestemmingsplan “[...], tweede partiële herziening”. Het bouwplan is daarmee in overeenstemming. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit van 20 juni 2007 -onder meer- op het standpunt gesteld dat er voor de omwonenden bij realisering van het onderhavige bouwplan ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden geen sprake is van een planologische verslechtering dan wel dat geen sprake is van een zodanige verslechtering van de situatie dat met inachtneming van de relevante belangen aan het bouwplan in redelijkheid geen medewerking zou kunnen worden verleend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat het bouwplan, in aanmerking genomen de geringe inbreuk die het maakt op het geldende planologische regime, niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het bouwplan niet bij de lintbebouwing past. Zij overweegt hiertoe als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 1996, gepubliceerd in Gst. 1997, 7055, nr. 7) moet bij de welstandstoetsing als regel groot gewicht worden toegekend aan het advies van de welstandscommissie. De advisering door een commissie van onafhankelijke deskundigen moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en – binnen zekere grenzen – geobjectiveerde beoordeling van de welstandsaspecten.

Het college van burgemeester en wethouders mag, hoewel het niet aan het advies van de welstandscommissie is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij het college berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Van dergelijke gebreken is in dit geval niet gebleken. Daarnaast hebben eisers geen deskundigenadvies overgelegd waaruit blijkt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij hebben tegenover genoemd advies van de welstandscommissie slechts hun eigen mening gegeven. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het bouwplan, op zichzelf of in relatie tot de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Voorts geldt dat het onderhavige perceel is gelegen binnen de zogenaamde rode contour, waarbinnen volgens GS met instemming van de Inspecteur Ruimtelijke Ordening, in planologisch opzicht zonder nadere afweging het bouwen van woningen is toegestaan.

Gelet hierop slagen de beroepsgronden van eisers die zien op planologische en stedebouwkundige aspecten niet.

Namens eisers is ter zitting gesteld dat hun bezwaren tegen het bouwplan in de kern zien op de aantasting van hun woongenot. De bouw van de appartementen tast hun privacy aan. Ook hun vrije uitzicht vermindert. In de tuin van eiser [1] bevindt zich een zwembad. Hij vreest hiervan niet langer ongestoord gebruik te kunnen maken.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de afweging van alle betrokken belangen een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt.

Namens vergunninghouder is ter zitting gesteld dat als gevolg van de bergingen en de schuttingen die zijn geprojecteerd aan de achterzijde van de appartementen geen sprake zal zijn van uitzicht in eisers’ tuinen.

Verweerder is van mening dat ten gevolge van het bouwplan niet van een zodanige verslechtering ten aanzien van het uitzicht sprake is dat met inachtneming van de relevante belangen aan het bouwplan in redelijkheid geen medewerking zou kunnen worden verleend. Wat betreft de door eisers gestelde aantasting van hun privacy, heeft verweerder gesteld dat de bestaande planologische mogelijkheden daartoe al kunnen leiden.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling.

Aangezien geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op dit artikellid in samenhang met artikel 56a, tweede lid, van de Wow, op goede gronden de gevraagde bouwvergunning eerste fase verleend.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep is blijkens het beroepschrift ook gericht tegen het besluit van 22 december 2006, hetgeen niet mogelijk is, reden waarom het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 22 december 2006 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer, mr. T. van Rij en mr. C.M. Derijks, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2009, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.F. van Aalst.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.