Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1482

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/12684, 08/12687
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / voortgezet verblijf / artikel 8 EVRM

Eiser, afkomstig uit Angola, had op 28 juni 2004 drie jaar een verblijfsvergunning onder de beperking amv. Nu op grond van TBV 2003/64 sinds 1 januari 2004 adequate opvang geacht wordt aanwezig te zijn voor Angolese amv-ers voldeed eiser vanaf die datum niet meer aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. Verweerder heeft derhalve met juistheid vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de eisen van artikel 3.51 van het Vb 2000, alsook, gelet op de verweerder toekomende beoordelingsvrijheid, tot de conclusie kunnen komen dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning naar aanleiding van artikel 3.52 van het Vb 2000 of artikel 4:84 Awb. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit nagenoeg uitsluitend heeft getoetst aan het door dit artikel beschermde privé-leven, echter niet of nauwelijks aan eisers gezinsleven met zijn zussen. In het bestreden besluit had verweerder gesteld dat er, bij ontbreken van “more than normal emotional ties”, geen sprake was van gezinsleven, maar in het verweerschrift en ter zitting stelt verweerder dat van een dergelijk gezinsleven wel sprake is maar de inmenging gerechtvaardigd. Gelet op het beleid (B2/10.2.4) dient verweerder bij de toets aan artikel 8 EVRM de belangen van familie- en gezinsleven in samenhang te toetsen. Verweerder maakt geen melding van een in deze zaak voor de belangenafweging terzake van de inmenging centrale omstandigheid: het door eiser in 2005 gepleegde strafbare feit, waardoor aan hem in het kader van de Generaal Pardonregeling niet en aan zijn zussen wèl een verblijfsvergunning is verleend. Verweerder heeft daarmee niet kenbaar getoetst in welke verhouding tot de, mutatis mutandis door de rechtbank aan de orde geachte, “Boultif”criteria het door eiser gepleegde strafbare feit staat. De in bezwaar aangevoerde omstandigheden zijn alle te herleiden tot een van deze “Boultif”-criteria. Daaronder het feit dat verweerder in de omstandigheden van de zussen kennelijk aanleiding heeft gezien om hen een verblijfsvergunning in het kader van het generaal pardon te verlenen, zij zich (ook) zeven jaar in Nederland bevonden, in een gelet op hun leeftijd (eveneens) kwetsbare fase van hun ontwikkeling, het, met een brief van de voormalig voogd van eiser onderbouwde dilemma - dat als laatste “Boultif”criterium kan worden aangemerkt - waarvoor deze zussen vanuit hun lotsverbondenheid met eiser zullen worden gesteld als zij besluiten niet met eiser mee terug te keren naar Angola, het feit dat eiser zijn strafbare feit heeft gepleegd in 2005, op vijftienjarige leeftijd, waarvoor hij door de kinderrechter is veroordeeld tot een taakstraf welke hij in jeugdinrichting Harreveld heeft vervuld en hij vervolgens heeft verbleven in een inrichting voor moeilijk opvoedbaren. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers:

AWB 08/12684 BEPTDN (beroepszaak)

AWB 08/12687 BEPTDN (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter d.d. 27 januari 2009

inzake

[eiser], geboren op [1990], van Angolese nationaliteit,

eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaymakers, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 13 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) tegen zijn besluit van 19 oktober 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 13 april 2004 tot wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘alleenstaande minderjarige vreemdeling’ (hierna: amv) in de beperking ‘voortgezet verblijf’ en de verlenging daarvan afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van 13 maart 2008 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Eiser heeft de rechtbank tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het beroep is beslist.

1.3 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 5 december 2008, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

2.1 In geschil is of verweerder heeft mogen beslissen dat eiser niet in aanmerking komt voor wijziging en verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘alleenstaande minderjarige vreemdeling’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’.

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde als neergelegd in artikel 3.51, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Voorts zijn de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zwaarwegend om hem op grond van artikel 3.52 van het Vb in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning. Evenmin bestaat aanleiding op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het beleid. De weigering om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning levert geen schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.3 Eiser heeft tegen dit besluit aangevoerd dat de aan hem verleende verblijfsvergunning ten onrechte is verleend met ingang van 28 juni 2001 en niet met ingang van 13 maart 2001, nu hij op laatstvermelde datum asiel heeft ingediend. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij op grond van artikel 3.52 van het Vb in aanmerking komt voor voortgezet verblijf nu van hem, gelet op bijzondere individuele omstandigheden, daaronder het feit dat hem drie en een half jaar na zijn verlengingsaanvraag nog Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: TBV) 2003/64 wordt tegengeworpen, niet meer kan worden verlangd terug te keren naar Angola. Verweerder had voorts gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid in het kader van artikel 4:84 Awb. En ten slotte is het bestreden besluit strijdig met artikel 8 van het EVRM.

2.4 Bij brief van 3 juni 2008 heeft eiser nog een verklaring ingebracht van zijn voormalig voogd, verbonden aan het NIDOS, gedateerd 22 mei 2008.

2.5 Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als minderjarige vreemdeling.

Ingevolge het tweede lid kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

2.6 Ingevolge artikel 3.52 van het Vb kan in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51 van het Vb, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet heeft gehad en van wie het naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Ten aanzien van de vraag of verweerder aan eiser terecht de gevraagde vergunning heeft geweigerd wegens niet voldoen aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 3.51, eerste en tweede lid, van het Vb overweegt de rechtbank dat aan eiser bij beschikking van 11 december 2001, uiteindelijk geldend tot 28 juni 2004, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘amv’ is verleend. In die periode, te weten op 1 januari 2004, is TBV 2003/64 in werking getreden, op grond waarvan in eisers land van herkomst adequate opvang aanwezig wordt geacht, te weten in het opvanghuis Mulemba in Angola. Derhalve moet worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 3.51, tweede lid, van het Vb, te weten dat gedurende drie jaren moet zijn voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. Een peildatum van 13 maart 2004 zoals door eiser bepleit kan niet leiden tot een andere conclusie nu ook op dat moment de TBV al van kracht was, zodat ook dan geen recht op voortgezet verblijf op grond van artikel 3.51 van het Vb zou zijn ontstaan. De omstandigheid dat verweerder pas bijna drie en een half jaar na de aanvraag heeft besloten op de onderhavige aanvraag maakt niet dat het voornoemde beleid niet aan eiser kon worden tegengeworpen, nu eiser hieraan, bij het ontbreken van een concrete toezegging van verweerder, niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de verblijfsvergunning zou worden verleend.

2.8 Bij de vraag of verweerder een vergunning op grond van artikel 3.52 van het Vb heeft kunnen weigeren dient de rechtbank, gelet op de tekst van artikel 3.52 van het Vb, terughoudendheid te betrachten.

2.9 Verweerder heeft zich terzake op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 van het Vb. Het betreft hier bijzonder beleid, dat, in paragraaf B14/2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), als uitgangspunt heeft dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling ook na verlening van de verblijfsvergunning in beginsel terug moet keren naar het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan. Daarbij is de bijzondere positie van minderjarigen in verblijfsrechtelijke procedures wel degelijk onderkend. Deze bijzondere positie komt tot uitdrukking in het beleidsuitgangspunt dat alleenstaande minderjarigen bij terugkeer toegang dienen te hebben tot adequate opvang. Ook wordt bij alleenstaande minderjarigen reeds in het verblijf van de vreemdeling berust indien na drie jaar bezit van een vergunning met als verblijfsdoel “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” nog immer wordt voldaan aan de voorwaarden voor verblijf. Nu eiser elf jaar in Angola heeft gewoond, tegenover zeven jaar in Nederland, kan er niet van worden uitgegaan dat alle banden met Angola verbroken zijn. Mede gelet op zijn leeftijd kan eiser in staat worden geacht zich in het land van herkomst te handhaven.

Voor zover de situatie in Angola minder gunstig is dan de situatie in Nederland, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een sociaal vangnet, verschilt eiser hierin niet van vele van zijn landgenoten aan wie evenmin om die reden verblijf wordt toegestaan. Daarom zijn de omstandigheden dat hij al zeven jaar in Nederland woont en dat aan zijn zussen in het kader van de generaal pardonregeling een verblijfsvergunning is toegekend, voor een geslaagd beroep op artikel 3.52 van het Vb onvoldoende.

2.10 Met inachtneming van de verweerder terzake toekomende beoordelingsruimte overweegt de rechtbank dat verweerder met het vorenstaande tot deze conclusie heeft kunnen komen. Tevens heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom voormelde omstandigheden ontoereikend zijn voor afwijking van de beleidsregels in de zin van artikel 4:84 Awb.

2.11 Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit terzake nagenoeg uitsluitend heeft getoetst aan het door dit artikel beschermde privé-leven. Niet of nauwelijks is echter getoetst aan de vraag of, nu aan eisers zussen wèl een verblijfsvergunning is verleend, de weigering van een verblijfsvergunning aan eiser een inbreuk vormt op zijn gezinsleven met deze zussen. In dat verband stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld dat er geen sprake is van dit gezinsleven omdat daartoe het enkele op hetzelfde adres verblijven onvoldoende is en niet gebleken is dat eiser moreel of financieel afhankelijk is van zijn zussen, zodat geen sprake is van “more than normal emotional ties”. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder echter gesteld dat van een dergelijk gezinsleven wel sprake is maar dat de inmenging die met de afwijzing van eisers aanvraag gepaard gaat gerechtvaardigd is. Bovendien kan eisers oudste zus met eiser terugkeren naar Angola. De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten de wijziging in grondslag en motivering, verweerder de stelling dat geen sprake is van inmenging onvoldoende heeft gemotiveerd en overweegt daartoe het volgende.

2.12 Reeds op grond van het door hem zelf in zijn beleid (B2/10.2.4) vastgelegde toetsingskader dient verweerder bij de toets aan artikel 8 EVRM de belangen van familie- en gezinsleven in samenhang te toetsen, waarbij ook de banden met Nederland ten aanzien van onder meer familie, sociaal leven, genoten opleiding en beheersing van de taal ten opzichte van de banden in het land van herkomst van belang zijn. Uit het bestreden besluit blijkt daarvan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende, als hierna in 2.14 nader te overwegen.

2.13 Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder geen melding maakt van een in deze zaak voor de belangenafweging terzake van de inmenging centrale omstandigheid: het door eiser in 2005 gepleegde strafbare feit, waardoor aan hem in het kader van de Generaal Pardonregeling niet en aan zijn zussen wèl een verblijfsvergunning is verleend. Eiser heeft naar deze omstandigheid in de hoorzitting van 10 maart 2008 gedetailleerd verwezen. Daarmee is voor de zussen een, hierna juridisch in te kaderen, dilemma ontstaan. Door uitsluitend aan eisers privé-leven te toetsen lijkt verweerder dit dilemma te willen omzeilen. Wat hier verder van zij, in de belangenafweging met betrekking tot de vraag of de inmenging in het gezinsleven een gerechtvaardigde inbreuk vormt op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven van eiser, mag het belang van de Nederlandse staat zwaar wegen. Dan klemt echter te meer dat in het bestreden besluit van (de rechtsgevolgen van) dit strafbare feit als rechtens relevant element in die belangenafweging niet is gebleken. Door dit, als onzorgvuldig aan te merken, handelen van verweerder wordt de rechtbank niet in staat gesteld te toetsen of deze belangenafweging juist is geweest, en met name niet of deze in overeenstemming is met de, naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak mutatis mutandis aan de orde zijnde criteria - in r.o. 48 - van het arrest Boultif, JV 2001, 254. Aan de hand van deze criteria moet worden getoetst of de inmenging in het gezinsleven van eiser proportioneel is met het te bereiken doel. Daarbij weegt naar het oordeel van de rechtbank met name het laatste criterium van r.o. 48 van “Boultif” zwaar, te weten of, wederom mutatis mutandis, van de zussen kan worden gevergd dat zij met eiser mee terugkeren naar Angola. Voor deze vraag kunnen ook aanknopingspunten worden gevonden in de zaak Amrollahi, JV 2002, 289.

Verweerder lijkt er van uit te gaan dat de zussen niet mee zullen terugkeren, althans dat het achterblijven van de jongste zus geen inmenging vormt in bovenbedoelde zin. Verweerder acht immers de inmenging gerechtvaardigd. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet kenbaar gemotiveerd hoe hij voormeld “Boultif”- criterium in de belangenafweging heeft gewaardeerd. In het nieuw te nemen besluit dient verweerder derhalve kenbaar te motiveren in welke verhouding tot dit criterium - alsook tot de overige “Boultif”criteria - het door eiser gepleegde strafbare feit staat.

2.14. De hierna te melden omstandigheden, die alle te herleiden zijn tot een van de “Boultif”-criteria, dienen daarbij te worden meegenomen. Zij zijn alle door eiser in de bezwaarfase naar voren gebracht en dienen, als reeds overwogen, in onderlinge samenhang te worden bezien:

- Verweerder heeft in de omstandigheden van de zussen kennelijk aanleiding gezien om hen een verblijfsvergunning in het kader van het generaal pardon te verlenen. Deze houden in dat (ook) zij zich zeven jaar in Nederland bevonden, in een gelet op hun leeftijd (eveneens) kwetsbare fase van hun ontwikkeling. Het dilemma waarvoor de zussen vanuit hun lotsverbondenheid met eiser (in de gronden van beroep wordt dit treffend weergegeven als morele afhankelijkheid) zullen worden gesteld als zij besluiten niet met eiser terug te keren naar Angola, is hiervoor reeds besproken en als zwaarwegend criterium gekwalificeerd.

In dat verband overweegt de rechtbank nog dat zij als onderbouwing van genoemd dilemma/criterium ook de inhoud van de brief van de voormalig voogd als genoemd in 2.4 aanmerkt. Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat deze brief te laat is ingediend en gelet op de ex-tunc toetsing niet kan worden meegenomen bij de beoordeling van het beroep. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat, nog daargelaten dat deze wijze van toetsen op gespannen voet staat met de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voorgeschreven benadering, die immers het zwaartepunt legt bij de situatie op het moment van het rechterlijk oordeel, de brief kan worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van hetgeen eiser in bezwaar en tijdens de hoorzitting heeft gesteld en daarom bij de onderhavige belangenafweging kan worden betrokken.

Verweerder heeft zich subsidiair in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat voormeld stuk niet tot een ander oordeel leidt. Terzake overweegt de rechtbank dat de voormalige voogd onder meer aangeeft dat eiser en zijn zussen vanaf het begin van hun verblijf in Nederland de wens hebben uitgesproken om bij elkaar te blijven wonen en dat die wens ook altijd zoveel mogelijk is gehonoreerd, dat het gezin hecht is en dat zij veel steun aan elkaar hebben. Een gedwongen vertrek van eiser zou voor eisers jongste zus [naam] zeer traumatisch zijn.

- eiser is tezamen met zijn zussen op zeer jonge leeftijd, te weten respectievelijk bijna elf, veertien en zeven jaar, uit Angola weggegaan en kent daar niemand meer; hij woonde ten tijde van het bestreden besluit ruim zeven jaar in Nederland, in de vormende jaren van ontwikkeling naar volwassenheid. Verweerder heeft het onderhavige besluit genomen op 13 maart 2008, drie dagen na de hoorzitting en bijna vier jaar na de aanvraag. Ten tijde van die aanvraag, 13 april 2004, voldeed eiser reeds vier maanden niet aan de voorwaarden, zoals blijkt uit 2.7. Naar ter zitting is aangevuld heeft eiser zijn strafbare feit gepleegd in 2005, op vijftienjarige leeftijd, waarvoor hij door de kinderrechter tot een taakstraf is veroordeeld. Deze heeft hij in de jeugdinrichting Harreveld vervuld. Vervolgens heeft hij verbleven in een inrichting voor moeilijk opvoedbaren, alwaar hij met een driejarige koksopleiding is gestart die hij nog steeds volgt. Hij heeft geen nieuw strafbaar feit meer gepleegd. Hij woont samen met zijn twee zussen, die zijn enige familie zijn. Desgevraagd tijdens de hoorzitting heeft eiser verklaard dat zijn zussen met hem mee zullen gaan wanneer hij naar Angola moet terugkeren.

2.15 Verweerder dient, als reeds overwogen, in zijn nieuw te nemen besluit de hier vermelde omstandigheden kenbaar te wegen, waarbij de rechtbank nog aantekent dat daarbij ook verweerders stelling ter zitting dat de oudste zus met eiser terug kan keren naar Angola in het licht van de “Boultif”criteria dient te worden getoetst.

2.16 Het beroep op artikel 8 EVRM is gelet op hetgeen in 2.11 tot en met 2.15 is overwogen gegrond. De bestreden beschikking kan derhalve niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als vervat in artikel 3:2 en het motiveringsbeginsel als vervat in artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.17 Gegeven de beslissing inzake het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.18 Ten overvloede voegt de rechtbank daar het volgende aan toe. Na deze uitspraak treedt de fase van bezwaar opnieuw in. Ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag opgeschort indien bezwaar is gemaakt, totdat op het bezwaar is beslist. Nu eiser op 16 november 2007 bezwaar heeft ingesteld tegen de beschikking van 19 oktober 2007, wordt de werking van dit besluit ingevolge voornoemd artikel opgeschort totdat verweerder opnieuw een beschikking op dit bezwaar heeft genomen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

2.19 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

2.20 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 145,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,-.

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,-.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2009.

De griffier: De rechter:

mr. M.H. Boomsma mr. H. Gorter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voorzover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.