Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1431

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
AWB 07/2671 OB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7317, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting 1998. Omkering bewijslast. Verhuuropbrengsten bedrijfsruimten door inspecteur in redelijkheid geschat. Eiseres toont niet aan dat de naheffingsaanslag correctie te hoog is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2671 OB

Uitspraakdatum: 14 januari 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

B.V. [X], gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft op 26 november 2003 aan eiseres over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer]) van fl. 57.026 opgelegd.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 maart 2007 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 april 2007, op diezelfde dag per fax door de rechtbank ontvangen, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is daar verschenen drs. [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [B], mr. [C] en [D].

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. De ondernemingsactiviteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van een aantal onroerende zaken aan de [adres] te [plaats], en het verrichten van verbouwingswerkzaamheden voor derden. De onroerende zaken betreffen verschillende gebouwen waaronder een bedrijfsverzamelgebouw, dat is gesplitst in een aantal bedrijfsunits. Deze units worden verhuurd aan ondernemers en particulieren. In de units zijn onder andere handelsondernemingen in tweedehands auto's, een meubelhandel en een kabelwerkenbedrijf gevestigd.

2.2. Voor het geheel van de voornoemde activiteiten is eiseres ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna te noemen: de Wet).

2.3. Op 23 april 2004 is door verweerder een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 1998 tot 1 juli 2003. Het daarvan opgemaakte (definitieve) controlerapport is in afschrift als bijlage 9 bij het verweerschrift gevoegd. Uit het onderzoek is onder meer het volgende naar voren gekomen.

2.4. Voor de verhuur aan twee huurders, [E] B.V. en [F], zijn beschikkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, ten 5O, van de Wet (hierna ook: beschikkingen belaste verhuur) afgegeven met als ingangsdatum 1 mei 1993 onderscheidenlijk 1 februari 1997. Voor de verhuur aan andere huurders is niet geopteerd voor belaste verhuur.

2.5.1. In de administratie van eiseres zijn kwitanties en facturen aangetroffen volgens welke diverse (rechts)personen bedrijfsruimten aan de [adres] hebben gehuurd tegen een huurprijs, vermeerderd met omzetbelasting. Op basis van deze facturen en kwitanties heeft de controlerend ambtenaar berekend dat de onderstaande huurders in 1998 de daarachter vermelde bedragen aan huur (exclusief omzetbelasting) per maand betaalden:

- [G]: fl. 3.830;

- [H]: fl. 2.809;

- [I]: fl. 1.702;

- [J]: fl. 2.766;

- [K]: fl. 1.702;

- [L]: fl. 3.745;

- [M]: fl. 20.000;

- [N]: fl. 1.957;

- [O]: fl. 2.809.

2.5.2. De controlerend ambtenaar heeft uit gegevens van eiseres en van verweerder afgeleid dat de zeven eerstgenoemde huurders het gehele jaar 1998 gebruik hebben gemaakt van de door hen gehuurde bedrijfsruimten. Voor de twee laatstgenoemde huurders is de controlerend ambtenaar ervan uitgegaan dat zij in 1998 gedurende zes maanden gebruik hebben gemaakt van de door hen gehuurde bedrijfsruimten.

2.5.3. Op basis van deze gegevens heeft de controlerend ambtenaar de belaste huuropbrengsten over 1998 berekend op fl. 467.234.

2.6. Volgens de eigen gegevens van verweerder waren er in 1998 naast de hiervoor genoemde huurders nog meer (rechts)personen gevestigd in de gebouwen van eiseres aan de [adres]. De controlerend ambtenaar is ervan uitgegaan dat eventuele van deze (rechts)personen ontvangen huren zijn vrijgesteld van omzetbelasting en heeft terzake geen omzetbelasting nageheven.

2.7. In het kader van het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar bij brief van 26 april 2004 aan de boekhouder van eiseres verzocht om terbeschikkingstelling van het grootboek, de kolommenbalansen, de aansluiting met de jaarstukken, de cliëntenadministratie, de verkoopfacturen, kopieën van de aangiften omzetbelasting en/of opgaven van intracommunautaire leveringen, specificaties van de aangiften omzetbelasting en aansluitingsoverzichten tussen de aangiften en de financiële administratie en alle huur- en verhuurcontracten. De controlerend ambtenaar heeft dit verzoek herhaald bij brieven van

17 mei en 3 augustus 2004 en heeft daarbij gewezen op het bepaalde in de artikelen 47 en 25, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Op de verzoeken is geen reactie ontvangen.

2.8. Eiseres heeft één aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 1998 ingediend. In de aangifte is geen omzet of verschuldigde omzetbelasting vermeld. Evenmin is in aftrek te brengen omzetbelasting vermeld.

2.9. In het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag 1998 heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat de met omzetbelasting belaste omzet over 1998 fl. 399.066 bedraagt, de vrijgestelde omzet fl. 44.900 en de in aftrek te brengen voorbelasting fl. 90.462. Voor zover het bezwaar strekt tot teruggaaf van omzetbelasting heeft verweerder het bezwaarschrift aangemerkt als een teruggaafverzoek als bedoeld in artikel 17 van de Wet. Bij beschikking van 4 juli 2007 heeft verweerder dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard en daarbij overwogen dat er geen aanleiding is om ambtshalve een teruggaaf te verlenen.

2.10. De aan omzetbelasting onderworpen huuropbrengsten over 1997 bedroegen fl. 319.477. Ter behoud van rechten heeft verweerder in de loop van het boekenonderzoek op basis van deze omzet over het voorafgaande jaar de naheffingsaanslag opgelegd, welke is berekend op (fl. 319.477 x 1,02 % (inflatiecorrectie) x 17,5% =) fl. 57.026.

3 Geschil

3.1. In geschil is de omvang van de belaste huuropbrengsten en de omvang van de in aftrek te brengen voorbelasting. In dit verband is tevens in geschil of op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) of artikel 36 van de Wet de zogeheten omkering van de bewijslast moet worden toegepast.

3.2. Eiseres neemt de volgende standpunten in.

De belaste huuropbrengsten bedragen fl. 395.066, waarover fl. 69.977 aan omzetbelasting is verschuldigd. De vrijgestelde huuropbrengsten bedragen fl. 44.900. De in aftrek te brengen omzetbelasting bedraagt fl. 90.462. Een en ander resulteert in een teruggaaf van omzetbelasting, zodat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

In de door eiseres bij het boekenonderzoek ter beschikking gestelde administratie waren de berekeningen van de verschuldigde omzetbelasting en de primaire bescheiden, waarvan verweerder stelt dat zij niet zijn aangetroffen, wel aanwezig.

De door verweerder gemaakte theoretische berekening van de huuropbrengsten is onjuist.

Alle aan eiseres in rekening gebrachte omzetbelasting heeft betrekking op goederen en diensten die zijn aangewend voor belaste prestaties, zodat deze volledig aftrekbaar is.

3.3. Verweerder neemt de volgende standpunten in.

Eiseres heeft niet de vereiste aangifte gedaan en zij heeft evenmin voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 52 AWR en de artikelen 34 en 35 van de Wet. Op deze gronden dient de bewijslast te worden omgekeerd.

Volgens de bevindingen uit het boekenonderzoek bedragen de belaste huuropbrengsten fl. 467.234, waarover fl. 81.776 aan omzetbelasting is verschuldigd. Eiseres heeft niet aangetoond dat de belaste omzet lager is. Zij heeft evenmin aangetoond dat aan haar fl. 90.462 aan omzetbelasting in rekening is gebracht en dat dit bedrag betrekking heeft op goederen en diensten die uitsluitend zijn gebezigd voor belaste prestaties.

De berekening van de verschuldigde omzetbelasting berust op een redelijke schatting.

3.4. Voor de verdere onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3.5. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1. Volgens de onder 2.9 weergegeven feiten en de onder 3.2 omschreven standpunten van eiseres heeft zij in haar eigen visie in 1998 een aanzienlijk bedrag aan belaste omzet gerealiseerd en is aan haar eveneens een aanzienlijk bedrag aan in aftrek te brengen omzetbelasting in rekening gebracht. Door niettemin in de aangifte in het geheel geen omzet en verschuldigde of in aftrek te brengen omzetbelasting te vermelden, zonder daarvoor een bevredigende verklaring te geven, heeft eiseres niet de vereiste aangifte gedaan.

4.2. Blijkens de onder 2.7 vermelde feiten heeft eiseres de daar vermelde bescheiden, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van de controlerend ambtenaar, niet verstrekt. Eiseres heeft in het geheel niet gereageerd op die verzoeken en daarvoor geen verklaring gegeven. Aldus heeft eiseres niet voldaan aan het bepaalde in artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de AWR.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene en het bepaalde in artikel 27e, aanhef en onderdeel a en b, van de AWR, beroept verweerder zich terecht op omkering van de bewijslast. Dit brengt mee dat het beroep ongegrond moet worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.4. Eiseres heeft haar, door verweerder betwiste, stellingen omtrent het gemis aan huuropbrengsten wegens wanbetaling en verleende kortingen niet met enige vorm van bewijs onderbouwd maar slechts volstaan met blote stellingen. Voor het overige heeft zij de onder 2.5.1 tot en met 2.6 weergegeven bevindingen van de controlerend ambtenaar niet betwist. De rechtbank houdt de door de controlerend ambtenaar berekende belaste omzet van fl. 467.234 dan ook voor juist. Deze berekening is naar het oordeel van de rechtbank ook alleszins redelijk, omdat deze is gebaseerd op huurprijzen die afkomstig zijn uit de eigen administratie van eiseres en op gegevens omtrent de periode van gebruik die zijn ontleend aan de eigen administratie van eiseres en uit de bij verweerder overigens bekende gegevens.

4.5. Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de belaste omzet fl. 467.234. De daarover verschuldigde omzetbelasting bedraagt fl. 81.776 en de naheffingsaanslag beloopt fl. 57.026. Hieruit volgt dat het beroep slechts gegrond is indien eiseres aantoont dat zij recht heeft op een aftrek van voorbelasting van meer dan fl. 24.750. De rechtbank acht eiseres niet geslaagd in dat bewijs. Eiseres heeft haar, door verweerder betwiste, stellingen hieromtrent niet met enige vorm van bewijs onderbouwd maar slechts volstaan met blote stellingen. Gegeven de weigering van eiseres om de controlerend ambtenaar de door deze gevraagde bescheiden te verstrekken en de in onderdeel 6.6 van het controlerapport neergelegde bevindingen omtrent de gebreken in de administratie van eiseres, is een bedrag van fl. 24.750 aan aftrekbare voorbelasting, zonder dat vaststaat dat aan de vereisten voor aftrek is voldaan, redelijk.

4.6. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat niet is gebleken dat de uitspraak op bezwaar, en de daarbij gehandhaafde naheffingsaanslag, onjuist is. De naheffingsaanslag berust bovendien op een redelijke schatting. Het beroep is dus ongegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, mr. T. van Rij en mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.