Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1429

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
09/925579-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:CA2312, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook BH1428. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere malen op aangever heeft geschoten en dat zij hem daarbij in het been en in de lies heeft geraakt. Bij de bepaling van de strafmaat is van belang dat de rechtbank er niet van overtuigd is geraakt dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad aangever van het leven te beroven. Nadat verdachte het pistool in handen had gekregen, wilde aangever er vandoor gaan en verdachte heeft getracht dit te beletten door op zijn benen te schieten. De voor een bewezenverklaring vereiste opzet is daarmee gelegen in het feit dat verdachte zich er daarbij naar objectieve maatstaven van bewust moet zijn geweest dat zij aangever ook wel eens fataal zou kunnen raken. Het handelen van verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank voorts worden bezien in het licht van hetgeen daaraan vooraf is gegaan. Gevangenisstraf van twee jaren met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

parketnummer: 09/925579-08

datum uitspraak: 30 januari 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, zitting houdend te Rotterdam, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

(naam verdachte),

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

wonende te (adresgegevens),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (detentieadres).

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 januari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.A.C. Banning en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam, alsmede door verdachte naar voren is gebracht.

Tevens is de raadsvrouwe van verdachte, mr. A.K. Tiggelaar, advocaat te Rotterdam, ter terechtzitting aanwezig.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 25 juli 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een vuurwapen een of meer kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van het lichaam van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op of omstreeks 25 juli 2008 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Glock, type Austria 9x19) en/of munitie van categorie III, te weten een of meerdere kogelpatro(o)n(en) (merk S&B Luger, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met haar vriend (en medeverdachte) {medeverdachte} heeft getracht [aangever] van het leven te beroven, door met een pistool meerdere malen op die [aangever] te schieten. Tevens wordt haar verweten dat zij samen met {medeverdachte} dit pistool en de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Onder verwijzing naar de voorhanden bewijsmiddelen heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting, onder overlegging van pleitnotities, betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, subsidiair dat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat zij ook van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Naar de mening van de raadsman is feit 1 niet gepleegd na kalm beraad en rustig overleg en had verdachte evenmin het (voorwaardelijk) opzet om [aangever] te doden. Verdachte heeft op de benen van [aangever] gericht en uit de medische informatie blijkt ook dat hij alleen in zijn benen is geraakt.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het wapen weliswaar vanaf het moment dat zij dat uit de broeksband van [aangever] pakte voorhanden heeft gehad, maar dat dit, gelet op de psychische overmacht waarin zij op dat moment verkeerde, haar niet kan worden verweten, zodat zij met betrekking tot dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van het volgende(1).

Op 25 juli 2008, om 21:58:55 uur, komt bij de centrale meldkamer van de politie Haaglanden een melding binnen van een schietpartij in de woning aan de (adres 1) te (plaats 1). De meldster, naar later blijkt verdachte, meldt dat zij zojuist op haar verkrachter heeft geschoten. Tijdens het telefoongesprek hoort de medewerkster van de meldkamer een aantal schoten (2). De politie gaat direct ter plaatse en treft voor de woning de medeverdachte {medeverdachte} aan. (medeverdachte} wijst op de woning en zegt dat 'ze' heeft geschoten. In de woning houdt de politie verdachte aan. Zij verklaart dat zij iemand die haar wilde verkrachten in zijn benen heeft geschoten en dat zij het vuurwapen in de achtertuin heeft gegooid. Ook {medeverdachte} wordt aangehouden. Hij verklaart eveneens dat verdachte heeft geschoten(3). Even later wordt [aangever] hevig bloedend aan de achterzijde van het perceel (adres 2) te (plaats 1) aangetroffen. Hij heeft een schotwond in zijn linker lies en een schotwond in zijn linker bovenbeen(4).

Bij het onderzoeken van de plaats delict treft de politie in de achtertuin van de woning een pistool aan van het merk Glock, type Austria 9x19(5). Voorts wordt geconstateerd dat de ruit van de tuindeur kapot is en worden in de woonkamer drie en in de tuin drie patroonhulzen aangetroffen(6). Verdachte en {medeverdachte} worden na hun aanhouding onderzocht op zogeheten 'schiethanden'. Beiden blijken schotresten op hun handen te hebben(7).

Verdachte verklaart dat zij in de nacht van 24 op 25 juli 2008 door [aangever], die sinds enige weken bij haar een kamer huurt, is verkracht. Op 25 juli vertelt zij dit onder meer aan (getuige 1), een goede vriend van haar en {medeverdachte}. Zij spreekt (getuige 1) aan het begin van de middag in de manege en later in de middag in diens sportschool. Ze is erg overstuur. Op aanraden van (getuige 1) stuurt verdachte rond 16.00 uur een sms naar {medeverdachte} met de mededeling dat zij hem iets wil vertellen. Rond 19.00 uur treft verdachte (getuige 1) weer in de manege. Ze wordt kort daarna door {medeverdachte} gebeld, die haar sms heeft gelezen. Verdachte vertelt hem dat zij met hem wil praten, maar niet via de telefoon, en dat het over [aangever] gaat. Ze spreken af dat verdachte naar {medeverdachte} toe gaat. Verdachte rijdt samen met (getuige 1) in haar auto naar (plaats 2), waar zij {medeverdachte} treffen(8). Verdachte gaat achterin de auto zitten en {medeverdachte} op de bestuurdersstoel. (getuige 1) vertelt {medeverdachte} wat er de voorgaande nacht tussen verdachte en [aangever] is voorgevallen. {medeverdachte} wordt verschrikkelijk boos en rijdt als een dolle terug naar de manege. Hij maakt verdachte allerlei verwijten en uit dreigende taal in de richting van [aangever]. Bij de manege wordt {medeverdachte} weer wat rustiger(9).

Rond 21.00 uur stuurt verdachte [aangever] een sms. Zij wil [aangever] aanspreken op hetgeen de voorgaande nacht is voorgevallen en hem zeggen dat hij haar huis onmiddellijk moet verlaten(10). [aangever] belt haar direct en ze spreken af elkaar die avond omstreeks 23.00 uur bij verdachte thuis te ontmoeten(11). {medeverdachte} zegt tegen verdachte dat zij ervoor moet zorgen dat [aangever] ergens op de bank gaat zitten(12). Hij wil [aangever] te grazen nemen omdat hij verdachte zou hebben verkracht. Hij wil "zijn zakie eraf trekken" en hem slaan met een knuppel. Omdat {medeverdachte} niet tot 23.00 uur kan wachten, vertrekken verdachte en hij rond 21.30 uur naar de (adres 1). Verdachte gaat de woning in, {medeverdachte} blijft buiten wachten(13).

Verdachte en {medeverdachte} weten op dat moment niet dat [aangever] al vrijwel meteen na het hiervoor genoemde telefoongesprek met verdachte naar de woning is gegaan en zich daar in de schuur in de tuin heeft verborgen.(14)

Over het vervolg van de gebeurtenissen lopen de verklaringen uiteen.

Verdachte heeft verklaard dat zij op een gegeven moment via een spiegel in de woonkamer zag dat iemand voorzichtig de deur van de schuur opende en dat zij [aangever] tevoorschijn zag komen. [aangever] zag haar ook en kwam naar de woning gelopen. Verdachte was boos omdat de achterdeur op slot was en zij [aangever] ervan verdacht dat hij de sleutel had meegenomen. Volgens verdachte deed [aangever] de achterdeur open. Hij pakte haar handen, plaatste die op zijn heupen en zei: "Denk niet dat ik alleen ben, voel". Verdachte voelde een pistool aan de rechterkant. Zij heeft vervolgens in een reflex dit pistool gepakt, waarop [aangever] terugdeinsde naar buiten en de tuindeur probeerde dicht te duwen. Verdachte heeft toen vanuit de woonkamer door de ruit van de deur op [aangever] geschoten. Aansluitend heeft zij in de tuin nog een aantal schoten op de vluchtende [aangever] gelost. [aangever] klom op dat moment over de schutting. Toen [aangever] uit het zicht was, heeft zij tot slot nog een paar keer in de lucht geschoten, aldus verdachte(15).

{medeverdachte} heeft verklaard dat hij, toen hij buiten stond te wachten, verdachte op een gegeven moment hoorde schreeuwen. Hij heeft daarop de voordeur geopend en is naar binnen gegaan. Toen hij de woonkamer in kwam, zag hij verdachte in de woonkamer staan en [aangever] in de tuin bij de achterdeur. Er gebeurde iets, waar [aangever] van schrok, {medeverdachte} wist niet precies wat dat was. Vlak daarna hoorde hij schoten. Hij zag [aangever] wegrennen en over de schutting klimmen en hij zag verdachte met een pistool staan. Ze stond op een tuinstoel en hij zag haar schieten. {medeverdachte} wilde het pistool afpakken, maar verdachte deed heel wild en bleef maar schieten. Hij zag dat zij een telefoon in haar handen had en hoorde haar zeggen dat zij aan het schieten was(16). {medeverdachte} raakte in paniek en is door de voordeur naar buiten gegaan, waar de politie hem heeft aangetroffen.

Tegenover deze verklaringen staat de verklaring van [aangever], die heeft verklaard dat niet verdachte, maar {medeverdachte} op hem heeft geschoten. Volgens [aangever] zag hij toen hij uit de schuur was gekomen en de achterdeur wilde openen {medeverdachte} vanuit de gang de woonkamer binnenkomen. Hij zag dat {medeverdachte} in zijn rechterhand een vuurwapen vasthield en dat hij het vuurwapen op hem richtte. Hij hoorde {medeverdachte} schreeuwen. Hij wist niet waar {medeverdachte} precies op richtte, maar hij richtte op hem. Toen hij dit zag, probeerde hij de achterdeur weer dicht te doen en op slot te draaien, maar verdachte probeerde dit te voorkomen. Toen hij schoten hoorde en zag dat het glas van de achterdeur brak, wist hij dat {medeverdachte} had geschoten. Hij heeft zich omgedraaid en is weggerend. Op het moment dat hij bloed zag aan zijn linkerbeen, wist hij dat hij was geraakt. Hij hoorde nog meer schoten. Toen hij over de schutting klom, voelde hij een hevige pijn in zijn lies. Daarna hoorde hij nog vier schoten(17).

De rechtbank acht deze door [aangever] beschreven gang van zaken om de volgende redenen evenwel niet aannemelijk.

Verdachte heeft consequent verklaard dat zij - als enige - op [aangever] heeft geschoten. Deze verklaring wordt gesteund door de verklaring van {medeverdachte}. Getuigen hebben verklaard dat zij verdachte met een pistool hebben gezien en haar in de lucht hebben zien schieten.(18) Voorts kan blijkens de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de schotrestendeskundige (deskundige) uit het aantreffen van schotresten op de handen van {medeverdachte} slechts worden afgeleid dat er een relatie is tussen hem en het schietincident. Die relatie kan er ook uit bestaan dat {medeverdachte} in de onmiddellijke nabijheid, op een afstand van maximaal 1,5 meter, van het schietproces aanwezig is geweest. Dit komt overeen met de verklaringen van verdachte en {medeverdachte}.

In de verklaring van [aangever] had {medeverdachte} bij binnenkomst een pistool bij zich. Verdachte en {medeverdachte} weerspreken dit en enig ondersteunend bewijs dat dit inderdaad zo was, ontbreekt. Er zijn geen verklaringen van getuigen die {medeverdachte} voor, tijdens of na de schietpartij met een pistool hebben gezien. [getuige 1] heeft in dit verband verklaard dat hij {medeverdachte}, voordat die met verdachte op weg ging naar de (adres 1), nog een knuffel heeft gegeven en dat hij toen geen vuurwapen bij hem heeft gevoeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat (getuige 1){medeverdachte} bij deze knuffel welbewust op wapens heeft gecontroleerd omdat hij niet wilde dat {medeverdachte} gekke dingen ging doen. Ook had (getuige 1) eerder op de dag al de auto van verdachte op een vuurwapen gecontroleerd, zij het niet uitvoerig(19). Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte met [aangever] wilde praten en dat {medeverdachte} hem wilde mishandelen. Uit niets blijkt dat zij een pistool hebben meegenomen.

Zowel verdachte als {medeverdachte} hebben verklaard dat verdachte met het pistool van [aangever] heeft geschoten. {medeverdachte} heeft verklaard dat [aangever] dit pistool een aantal dagen voor de schietpartij aan hem had gegeven met het verzoek dit voor hem schoon te maken. Op woensdag 24 juli 2008 heeft [aangever] het pistool opgehaald bij {medeverdachte}, die toen verbleef bij (getuige 2), een zus van verdachte(20). (getuige 2) heeft verklaard dat zij heeft gezien dat {medeverdachte} het pistool op die dag aan [aangever] heeft gegeven(21). Hoewel [aangever] vervolgens heeft verklaard dat hij (getuige 2) niet kende, heeft zij hem zonder twijfel aangewezen tijdens een meervoudige foto-confrontatie.

Voorts hebben verdachte, {medeverdachte} en [aangever] allen verklaard dat verdachte en [aangever] bij de achterdeur stonden toen {medeverdachte} de woonkamer in kwam. Verdachte stond in de woonkamer en [aangever] in de tuin. De rechtbank acht niet aannemelijk dat {medeverdachte} door de achterdeur op [aangever] schiet, terwijl verdachte op datzelfde moment bij diezelfde achterdeur staat en tracht te voorkomen dat [aangever] die deur sluit. {medeverdachte} zou dan een wel zeer groot risico hebben genomen dat hij ook verdachte zou raken.

Ten slotte betrekt de rechtbank bij haar overwegingen dat [aangever] zeer tegenstrijdig en wisselend heeft verklaard over de sex die hij met verdachte in de dagen voorafgaand aan de schietpartij zou hebben gehad. [aangever] verklaart dat hij met wederzijds goedvinden sex heeft gehad met verdachte, maar plaatst dit de ene keer op de donderdag vóór het schietincident(22) en een andere keer op de dag(en) daarvoor, maar zeker niet op de donderdag(23). In het dossier zitten naar het oordeel van de rechtbank sterke aanwijzingen dat [aangever] verdachte de nacht vóór de schietpartij heeft verkracht. Zo verklaart verdachte gedetailleerd over wat er die nacht gebeurd is(24), welke verklaring wordt ondersteund door de in het dossier aanwezige telefoongegevens(25) en door de foto's van het letsel dat zij daarbij zou hebben opgelopen(26). Ook de verklaringen van getuigen die zij de dag erna van de verkrachting heeft verteld en de emotionele toestand van verdachte op die vrijdag ondersteunen haar verklaring(27). Voorts roept het gedrag van [aangever] vragen op. Voorafgaand aan de komst van verdachte naar de woning op de avond van de schietpartij houdt hij zich 30 à 45 minuten schuil in de schuur in de tuin, onder meer uit vrees dat verdachte {medeverdachte} had gebeld. En op de vraag waarom {medeverdachte} op hem zou hebben geschoten, antwoord [aangever] dat dat te maken moet hebben met de avond dat hij sex met verdachte heeft gehad.(28) Ten slotte geven ook de boosheid, het gedrag en de plannen van {medeverdachte} steun aan de gedachte dat er onvrijwillige sex heeft plaatsgevonden tussen [aangever] en verdachte. De rechtbank acht dit van belang omdat hiermee naar haar oordeel ook vraagtekens kunnen worden gezet bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever] omtrent de schietpartij.

De rechtbank gaat mitsdien uit van de juistheid van de verklaringen van verdachte en {medeverdachte} en op grond van deze verklaringen acht zij wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die op [aangever] heeft geschoten. Niet gebleken is dat verdachte daarbij in vereniging met {medeverdachte} heeft gehandeld en evenmin dat aan dit schieten een moment van kalm en rustig beraad vooraf is gegaan. Verdachte had om 23.00 uur met [aangever] in haar woning afgesproken om hem te vertellen dat hij haar huis diende te verlaten en {medeverdachte} wilde [aangever] hierna een lesje leren. In de woning werd verdachte verrast door [aangever] die al kort na 21.00 uur naar de woning was gekomen en zich daar in de schuur had verborgen. De ontmoeting met [aangever] verliep daardoor anders dan gedacht en verdachte heeft op hem geschoten omdat zij niet wilde dat hij zou ontkomen. Verdachte heeft verklaard dat zij aanvankelijk op de benen van [aangever] heeft gericht, hetgeen overeenkomt met het letsel van [aangever], maar zij heeft ook verklaard dat zij zonder specifiek op zijn benen te richten op [aangever] heeft geschoten terwijl hij wegliep en over de schutting klom. {medeverdachte} heeft verklaard dat verdachte erg van streek was en bleef schieten, ook nadat hij had geschreeuwd dat zij daarmee moest stoppen(29).

Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever] het leven zou laten, ook al was dat niet haar intentie. Daarmee is ook sprake van het voor een bewezenverklaring van feit 1 noodzakelijk (voorwaardelijk) opzet.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag, alsmede van het voorhanden hebben van een wapen en munitie.

3.4 De bewezenverklaring

ten aanzien van het onder 1. bewezenverklaarde feit :

zij op 25 juli 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde feit :

zij op 25 juli 2008 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een

pistool (merk Glock, type Austria 9x19) en munitie van categorie III, te

weten kogelpatronen (merk S&B Luger, kaliber 9mm) voorhanden heeft gehad;

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting meer subsidiair een beroep op psychische overmacht gedaan en op die grond bepleit dat verdachte niet strafbaar kan worden geacht en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zakelijk weergegeven heeft hij daartoe aangevoerd dat er niet aan kan worden getwijfeld dat verdachte de nacht voor de schietpartij door [aangever] is verkracht. Het handelen van verdachte ten tijde van de schietpartij kan hiervan niet los worden gezien. Verdachte had met [aangever] afgesproken om hem aan te spreken op dit incident en hem te vertellen dat hij haar huis diende te verlaten. Op het moment dat zij opnieuw tegenover haar verkrachter stond en deze bovendien duidelijk maakte dat hij een vuurwapen bij zich droeg, werd zij echter overvallen door dermate hevige emoties dat zij in haar wilsvrijheid werd aangetast en geen andere mogelijkheid zag dan het grijpen van een wapen en daarmee te schieten. De verdediging acht daarbij nog van belang dat {medeverdachte}, nadat hij over de verkrachting was geïnformeerd, ook aan verdachte allerlei verwijten maakte.

Zoals hiervoor reeds werd overwogen, zitten in het dossier sterke aanwijzingen dat verdachte de nacht voor de schietpartij door [aangever] is verkracht. Verdachte heeft daarvan niet direct aangifte gedaan. Wel heeft zij dat in de loop van de dag aan verschillende mensen, waaronder (getuige 1), verteld. Nadat verdachte en (getuige 1) met {medeverdachte} in de manege zijn aangekomen, heeft verdachte op initiatief van {medeverdachte} [aangever] een sms gestuurd en afgesproken hem om 23.00 bij haar thuis te ontmoeten. Zij heeft daarmee zelf de confrontatie met [aangever] gezocht. Toen verdachte thuis kwam, had zij het vermoeden dat [aangever] er al was en heeft zij in de woning naar [aangever] gezocht. Op een gegeven moment zag zij [aangever] uit de schuur komen. Ze was boos omdat ze hem ervan verdacht dat hij de sleutel van de achterdeur had meegenomen en schreeuwde tegen hem. Toen hij de achterdeur open deed en verdachte het pistool liet voelen, heeft verdachte het pistool gepakt. Volgens haar eigen verklaring heeft zij hierna - toen [aangever] probeerde de achterdeur dicht te doen - bewust op de benen van [aangever] geschoten omdat zij wilde voorkomen dat hij er vandoor ging. Een dergelijke weloverwogenheid strookt niet met de voor een succesvol beroep op psychische overmacht noodzakelijke geestesgesteldheid. Gelet op dit alles acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk dat verdachte op het moment van het begaan van het bewezenverklaarde feit geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat zij redelijkerwijs niet anders kon en ook niet anders behoefde te handelen dan zij toen heeft gedaan. Het moet er in tegendeel voor worden gehouden dat verdachte weliswaar heeft gehandeld uit woede, angst en wraak, maar dat zij zich er daarbij volledig van bewust was dat wat zij deed volstrekt ongeoorloofd was en dat er andere mogelijkheden waren om zich aan de hernieuwde confrontatie met [aangever] te onttrekken.

Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen. Nu ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten, moet de conclusie zijn dat verdachte strafbaar is.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van de onder 1. en 2. bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak/ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en zich verder onthouden van een meer subsidiair standpunt ten aanzien van de strafmaat. Wel heeft hij in dit kader een aantal omstandigheden aangestipt, die bij de bepaling van een eventuele straf zouden moeten meewegen. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en subsidiair heeft hij aangevoerd dat sprake is van een eendaadse samenloop omdat de gedraging meer dan een delictsomschrijving vervult.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en de raadsman van verdachte naar voren is gebracht overweegt de rechtbank ten aanzien van de op te leggen straf als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere malen op [aangever] heeft geschoten en dat zij hem daarbij in het been en in de lies heeft geraakt. Het mag een gelukkige omstandigheid heten dat de politie de ernstig gewonde [aangever] daarna snel heeft gevonden. Hierdoor heeft [aangever] tijdig medische zorg ontvangen. Het gaat hiermee om een ernstig feit, dat in beginsel een langdurige vrijheidsstraf rechtvaardigt.

Bij de bepaling van de strafmaat is van belang dat de rechtbank er niet van overtuigd is geraakt dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad [aangever] van het leven te beroven. Nadat verdachte het pistool in handen had gekregen, wilde [aangever] er vandoor gaan en verdachte heeft getracht dit te beletten door op zijn benen te schieten. De voor een bewezenverklaring vereiste opzet is daarmee gelegen in het feit dat verdachte zich er daarbij naar objectieve maatstaven van bewust moet zijn geweest dat zij [aangever] ook wel eens fataal zou kunnen raken.

Het handelen van verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank voorts worden bezien in het licht van hetgeen daaraan vooraf is gegaan. Zoals hiervoor overwogen, heeft de raadsman onder verwijzing naar die gebeurtenissen een beroep op psychische overmacht gedaan. Dit beroep slaagt weliswaar niet, maar dat neemt niet weg dat deze gebeurtenissen het handelen van verdachte sterk hebben beïnvloed. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat verdachte die dag overstuur was. Zij was bang voor de reactie van {medeverdachte} en voelde zich schuldig. Pas 's avonds kon zij {medeverdachte} vertellen wat er was gebeurd. Zoals verdachte vreesde, ontstak {medeverdachte} in grote woede. Hij heeft vervolgens ook haar voortdurend verwijten gemaakt. Tegen deze achtergrond zijn de gevoelens van woede, angst, schuld en frustratie, die verdachte aldus in de loop van de dag had opgebouwd bij de schietpartij naar buiten gekomen. Dit disculpeert verdachte niet, maar is wel een omstandigheid die het handelen van verdachte deels kan verklaren en aldus enig gewicht in de schaal legt bij de strafmaat.

Anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, is geen sprake van een eendaadse samenloop nu de strekking van de strafbepalingen die zijn overtreden niet vergelijkbaar is.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport van 30 oktober 2008. Omdat verdachte bij de reclassering heeft aangegeven dat zij geen hulpvraag heeft, heeft deze geen plan van aanpak gemaakt en zich onthouden van het geven van een strafadvies.

De rechtbank heeft er ten slotte rekening mee gehouden dat verdachte nog niet eerder terzake van geweldmisdrijven is veroordeeld.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur dient te worden opgelegd.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1. :

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2. :

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 26 juli 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 29 juli 2008;

Dit vonnis is gewezen door

mrs G.P. Verbeek, voorzitter,

J.A. van Dorp en B. Bastein, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Wagter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2009.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1514/(nummer proces-verbaal).

2 P. 49-50.

3 P. 25.

4 P. 54 en 315.

5 P. 56 en bijlage 3 bij proces-verbaal FTO.

6 P. 56 en 69.

7 NFI-rapport d.d. 8 augustus 2008, bijlage 19 bij proces-verbaal FTO

8 P. 84-85, p. 91-92, p. 96-97 en p. 127.

9 P. 127 en p. 185.

10 P. 92.

11 P.45.

12 P. 125.

13 P. 125.

14 P. 46.

15 P. 93 en p. 98.

16 P. 85 en p. 104-105.

17 P. 46 en p. 224.

18 Verklaringen (getuigen X en Y) bij de rechter-commissaris.

19 P. 183.

20 P. 337.

21 Verklaring (getuige 2) bij de rechter-commissaris.

22 P. 45

23 Verklaring d.d. 16 december 2008 bij de rechter-commissaris.

24 P. 121.

25 P.398-399.

26 P. 53 ev zedendossier van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1511/2008/39006.

27 Verklaringen (getuige 1) p. 127, (getuige A) p. 324, (getuige B) p. 327.

28 P. 46.

29 P. 105.