Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1402

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
09/757831-08; 09/410747-06 (22.006262-06) (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een onbenullige ruzie in een koffiehuis twee dagen later beslecht door het slachtoffer op te wachten en hem tweemaal met een mes in de rug te snijden. Deze poging tot zware mishandeling vond plaats op de openbare weg nabij een druk bezochte horecagelegenheid, ten gevolge waarvan velen huns ondanks van dit onverkwikkelijke incident getuige zijn geweest. Gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bijzondere voorwaarde: dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, Regio Den Haag, ook als dat inhoudt dat hij zal deelnemen aan een behandeling bij het Centrum voor Ambulante Forensische Psychiatrie "De Waag" of soortgelijke instelling en deelname aan het programma van Stichting Exodus, zolang die instelling zulks nodig acht. TUL afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/757831-08; 09/410747-06 (22.006262-06) (tul)

Datum uitspraak: 27 januari 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1971,

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland - HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 oktober 2008 en 13 januari 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.M. van Dam, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [A] van

het leven te beroven,

opzettelijk met een (vlinder)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

(meermalen) heeft gestoken en/of gesneden in de rug, althans het lichaam van

die [A], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2008 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (twee (grote) snijwonden (25

hechtingen)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een (vlinder)mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in de rug, althans het

lichaam, te steken en/of te snijden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) in de rug, althans

het lichaam van die [A] heeft gestoken en/of gesneden, en/of

(meerdere) zwaaiende en/of stekende bewegingen in de richting van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [A] heeft gemaakt, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juni 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te

weten [A]), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

(meermalen) in de rug, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden

en/of tegen het been heeft geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 juni 2008 in Den Haag [A] met een mes in zijn rug heeft gestoken of gesneden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal vrijspreken en dat zij wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft primair betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste is gelegd.

De raadsman stelt zich in dit verband op het standpunt dat verdachte op 19 juni 2008 niet in Den Haag was en hij niet degene was die de bij de aangever vastgestelde snijwonden heeft toegebracht.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is geweest van een poging tot doodslag, noch van zware mishandeling, noch van poging daartoe. Indien het feit bewezen wordt verklaard, kan dat slechts in de meest subsidiaire variant, dus als eenvoudige mishandeling, geschieden. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen kan worden verklaard dat het letsel is toegebracht met behulp van een mes.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Op 19 juni 2008 omstreeks 22.30 uur werd de politie ervan in kennis gesteld dat in het [X] Ziekenhuis een man was binnengebracht die in zijn linkerschouder zou zijn gestoken. Van deze persoon, [A], werd op diezelfde avond in het ziekenhuis een aangifte opgenomen. [A] verklaarde daarbij dat hij eerder die avond rond 20.45 uur op de Hoefkade nabij de Koningsstraat in Den Haag een persoon bijgenaamd '[bijnaam verdachte]' had ontmoet. Deze [bijnaam verdachte] had een mes getrokken en stekende bewegingen in zijn richting gemaakt. Aangever trachtte [bijnaam verdachte] vervolgens te slaan en raakte hem op zijn linkeroog, waar hij een wondje opliep. Nadat [bijnaam verdachte] was weggerend, merkte aangever dat hij bloedde aan zijn linkerschouder. Verder verklaarde [A] dat hij de avond tevoren (18 juni 2008) met dezelfde persoon ruzie had gehad, waarbij deze gedreigd had hem in zijn rug te zullen steken met een mes.(1) In een nadere aangifte, gedaan op 20 juni 2008, heeft [A] hieromtrent nog verklaard dat de ruzie op 17 juni zou zijn begonnen in koffiehuis [koffiehuis] ([adres]). Aangever weet niet hoe de man hem met het mes in zijn rug heeft kunnen raken.

Aangever [A] heeft aan de politie een mobiele telefoon overhandigd; deze zou hem na het gevecht door een omstander zijn aangereikt. Aanvankelijk meende hij dat het om zijn eigen telefoon ging, maar later ontdekte hij dat hij twee qua merk en type op elkaar gelijkende telefoons bij zich droeg.(2)

Zowel op de avond van 17 juni als op de avond van 19 juni 2008 was [A] in het gezelschap van [B]. Deze heeft op 5 juli 2008 bij de politie als getuige een verklaring afgelegd, waarin hij heeft verklaard over de ruzie in het koffiehuis op 17 juni en over het gevecht op 19 juni. Hij heeft verteld dat hij zag dat de man plotseling een mes trok, daarmee in de richting van zijn vriend zwaaide en hem rakelings miste. Later zag hij hoe het mes achter de rug van aangever verdween. Nadat de man was weggerend klaagde [A] over nattigheid op zijn schouder; daarop zag deze getuige dat hij twee behoorlijk grote sneeën in zijn rug had.(3)

Zowel [A] als [B] heeft als getuige - de een ter terechtzitting van 16 oktober 2008, de ander enige tijd later ten overstaan van de rechter-commissaris - zijn bij de politie afgelegde verklaring omtrent het incident in grote lijnen bevestigd.

In het ziekenhuis is geconstateerd dat bij aangever twee snijwonden op de linkerzijde van de rug ter hoogte van het schouderblad zijn waargenomen.(4) Op 10 juli 2008 heeft een opsporingsambtenaar telefonisch contact gehad met dr. Peterson van de afdeling chirurgie van het ziekenhuis. De arts verklaarde dat aangever twee snijwonden had met een lengte van 10 en 15 centimeter en dat deze snijwonden niet door alle huidlagen heen waren. Mogelijk was het mes afgeketst op het schouderblad.(5)

Op 26 juni vervoegde aangever [A] zich aan de balie van het politiebureau [adres] en deelde mede dat hij van een kennis die anoniem wenste te blijven de naam van degene die hem gestoken had te weten was gekomen. Het zou gaan om [verdachte]. Deze persoon zou enkele weken eerder uit zijn woning zijn gezet en vermoedelijk bij een vriendin in Rotterdam verblijven.(6) Uit een onderzoek in de politiesystemen bleek dat hiermee vermoedelijk verdachte bedoeld werd. Uit onderzoek naar de door aangever aan de politie overhandigde, ter plaatse van het delict aangetroffen mobiele telefoon bleek daarnaast dat deze telefoon vermoedelijk aan verdachte toebehoorde, iets dat verdachte - na aanvankelijke ontkenning - later heeft bevestigd.(7)

Zowel de aangever als de getuige [B] heeft verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie herkend.(8)

Op grond van de hiervoor genoemde wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat het verdachte is geweest die - na een eerdere confrontatie in koffiehuis [koffiehuis] en een ruzie op straat - op 19 juni 2008 betrokken is geweest bij het incident waarbij aangever [A] met een mes toegebrachte verwondingen heeft opgelopen. Verdachte heeft weliswaar zijn betrokkenheid bij het eerdere conflict toegegeven, maar heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting volgehouden op de avond van 19 juni 2008 niet in Den Haag maar in Rotterdam - en wel bij een vriendin - te zijn geweest.

De rechtbank acht dit alibi ongeloofwaardig. Zij stelt vast dat verdachte geweigerd heeft de naam te noemen van de vriendin bij wie hij zou hebben verbleven, ja zelfs van de straat waarin zij woonachtig is. Deze vriendin zou namelijk, aldus verdachte, moeilijkheden kunnen krijgen met haar ex-vriend wanneer haar naam bekend zou worden. De rechtbank acht deze verklaring onwaarschijnlijk, mede in het licht van de hierna te noemen resultaten van het onderzoek naar verdachtes verblijfplaats ten tijde van het delict.

In de tweede plaats stelt de rechtbank vast dat verdachte geen redelijke verklaring heeft kunnen of willen geven voor het feit dat een, en wel (ook volgens zijn verklaring:) zijn eigen, mobiele telefoon op de plaats van het delict is aangetroffen.(9) Verdachte heeft over die telefoon sterk wisselende verklaringen afgelegd. Aanvankelijk zou verdachte nooit over een mobiele telefoon beschikt hebben, doch slechts over een simkaart.(10) In een volgend verhoor heeft verdachte omtrent de op de plaats van het delict aangetroffen telefoon verklaard dat die niet de zijne was.(11) In datzelfde verhoor verklaart verdachte, na met belastende onderzoeksresultaten met betrekking tot die telefoon te zijn geconfronteerd, dat het misschien de telefoon van een vriend is, die hij geleend heeft.(12) Weer later in dat verhoor stelt verdachte soms wel drie keer per week een telefoon kwijt te raken.(13) In zijn verhoor van 6 juli 2008 ten slotte verklaart verdachte dat de gevonden telefoon wel de zijne is, maar dat hij die in het weekend (de rechtbank verstaat: vóór het steekincident, dus op 14 of 15 juni 2008) zou zijn kwijtgeraakt.(14) Ter terechtzitting van 16 oktober 2008 heeft verdachte ontkend gedraaid te hebben in zijn verklaringen over de telefoon; de politie zou hem niet goed verhoord hebben. Hij zou, aldus verdachte ter zitting, de telefoon op woensdag 18 juni 2008 zijn kwijtgeraakt.

De rechtbank komt op grond van het politieonderzoek naar de bedoelde telefoon tot de conclusie dat de op 19 juni 2008 op de plaats van het delict aangetroffen telefoon de telefoon van verdachte is. Dit blijkt onder meer uit zijn eigen verklaring, uit het feit dat verdachte met deze telefoon op 18 juni 2008 heeft gebeld met de [...] en daar op 6 juni 2008 dit nummer als het zijne heeft opgegeven(15) en uit de met deze telefoon gevoerde gesprekken, waaronder die met verdachtes zuster. Eveneens concludeert de rechtbank dat verdachte tot op de avond van 19 juni 2008 in het bezit van die telefoon is geweest. Dit leidt zij af uit het feit dat met die telefoon zowel op 18 juni 2008 om 22.17 uur als op 19 juni 2008 om 16:06 uur gesprekken van resp. 171 en 102 seconden zijn gevoerd met een nummer (06-[nummer]) dat kennelijk toebehoort aan verdachtes zuster.(16) Niet valt in te zien waarom die zuster tot tweemaal aan toe een gesprek van een dergelijke lengte met een onbekende derde zou voeren. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de gebruiker van het toestel zowel op 14 juni 2008 als op 19 juni 2008 uitbelt met het nummer 06-[nummer].(17) Hieruit kan worden afgeleid dat de gebruiker van het nummer op beide momenten dezelfde persoon is. De rechtbank komt tot de slotsom dat verdachte - ook op 18 en 19 juni 2008 - de gebruiker van de telefoon is geweest.

Tevens constateert de rechtbank dat uit de genoemde historische gegevens blijkt dat de telefoon gedurende de gehele periode waarop die gegevens betrekking hebben (5 t/m 19 juni 2008) zendmasten in de wijk rondom station Hollands Spoor aanstraalt, voor het laatst op 19 juni om 19.51 uur, derhalve minder dan een uur voor het steekincident. Daaruit volgt dat verdachte op genoemd tijdstip niet, zoals hij zelf verklaard heeft, in Rotterdam was, maar in de omgeving van de Waldorpstraat in Den Haag. Nu vast staat dat verdachte degene is geweest die de telefoon op de avond van 19 juni 2008 in zijn bezit had en deze dus op die avond op de [adres] heeft verloren, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het conflict met aangever [A] dat zich daar heeft afgespeeld.

Hoewel noch de aangever noch de getuige [B] heeft gezien dat verdachte de aangever daadwerkelijk met het mes geraakt heeft, acht de rechtbank ook dit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte was immers degene die aangever met een mes bedreigde door daarmee in zijn richting te zwaaien. Volgens de getuige [B] is het mes op een gegeven moment achter de rug van de aangever geweest. Meteen nadat verdachte was weggerend constateerden aangever en getuige dat de aangever aan zijn rug gewond was. Dit alles, in onderling verband en samenhang - ook met de medische gegevens - beschouwd, laat geen andere conclusie toe dan dat verdachte de verwondingen heeft toegebracht, en wel met het door hem gehanteerde mes.

Rest noch de vraag hoe deze verwondingen gekwalificeerd dienen te worden, met andere woorden of er bij het slachtoffer sprake is geweest van potentieel levensbedreigend letsel, zwaar letsel, middelzwaar letsel of lichte verwondingen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van middelzwaar letsel. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat de vrij oppervlakkige wonden met een mes in de schouder zijn toegebracht, waarbij het mes mogelijk op het schouderblad is afgeketst. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte, zoals onder meer subsidiair ten laste is gelegd, heeft gepoogd de aangever zwaar te mishandelen.

3.5 De bewezenverklaring

hij op 19 juni 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes meermalen in de rug van die [A] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde onder meer subsidiair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om - slechts in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een onbenullige ruzie in een koffiehuis twee dagen later beslecht door het slachtoffer [A] op te wachten en hem tweemaal met een mes in de rug te snijden. Deze poging tot zware mishandeling vond plaats op de openbare weg nabij een druk bezochte horecagelegenheid, ten gevolge waarvan velen huns ondanks van dit onverkwikkelijke incident getuige zijn geweest. Verdachte heeft geen oog gehad voor de eventuele psychische en lichamelijke schade die hij met zijn handelen bij het slachtoffer kon veroorzaken. Tevens worden door een dergelijk feit de gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt.

Het gebeuren heeft op het slachtoffer, gelet op zijn schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 14.10.08, een grote impact gehad.

De reclassering heeft op 28 augustus 2008 omtrent verdachte een rapport opgemaakt.

De rechtbank heeft kennis genomen van het hierin opgenomen advies alsmede van het plan van aanpak. Verdachte heeft ter zitting verklaard volledig te zullen meewerken aan voornoemd plan van aanpak.

Verdachte is - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het documentatieregister d.d. 7 juli 2008 - in het verleden herhaaldelijk met politie en justitie in aanraking gekomen en meerdere malen ter zake van onder meer geweldsdelicten veroordeeld. Die veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw aan een soortgelijk delict schuldig te maken. Verdachte liep bovendien in een proeftijd.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, hoewel zij vraagtekens plaatst bij verdachtes motivatie, van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en de daarbij gevorderde bijzondere voorwaarde passend en geboden is.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.040,--, subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A] onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu deze niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering ter zake van de gevorderde materiële schadevergoeding van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering is namens de verdachte niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder meer subsidiair bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 1.000,-- toewijzen, zoals gevorderd. Daarnaast zal de rechtbank de vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, toewijzen tot een bedrag van € 40,--.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.040,--.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder meer subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.040,-- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A].

8. De vordering tenuitvoerlegging

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen nu daarmee in het kader van de strafvordering geen redelijk doel gediend is.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank eveneens verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen nu daarmee geen redelijk doel gediend is.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij onder primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 4 juli 2008,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 7 juli 2008,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de bijzondere voorwaarde en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, Regio Den Haag, ook als dat inhoudt dat hij zal deelnemen aan een behandeling bij het Centrum voor Ambulante Forensische Psychiatrie "De Waag" of soortgelijke instelling en deelname aan het programma van Stichting Exodus, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van € 1.040,--;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.040,--, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E. Rabbie, voorzitter,

J.C. U-A-Sai en J.M. Ghrib, rechters,

in tegenwoordigheid van mr P.B. Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2009.

(1) Proces-verbaal van aangifte [A] d.d. 19 juni 2008, PL 1533/2008/33710-1, blz. 26 en 27, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(2) Proces-verbaal van aangifte [A] d.d. 20 juni 2008, PL 1533/2008/33710-8, blz. 35 t/m 37, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden. Zie omtrent het aantreffen van de mobiele telefoon tevens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2008, PL1533/2008/33710-4, p. 39, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden, en met name omtrent de daarin gerelateerde datum aanvullend het proces-verbaal PL 1533/2008/33710-60, p. 95.

(3) Proces-verbaal van verhoor getuige [B] d.d. 5 juli 2008, PL 1533/2008/33710-36, blz. 48 t/m 50, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(4) Aanvraag medische informatie, alsmede de ingevulde geneeskundige verklaring d.d. 20 juni 2008, PL 1533/2008/33710-7, blz. 85 en 86, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-4 van politie Haaglanden.

(5) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2008, PL 1533/2008/33710-44, blz. 87, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-4 van politie Haaglanden.

(6) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2008, PL 1533/2008/33710-14, blz. 40, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(7) Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 oktober 2008.

(8) Processen-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2008, PL 1533/2008/33710-48, blz. 88 en PL 1533/2008/33710-51, blz. 91, als bijlagen gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-4 van politie Haaglanden.

(9) De rechtbank beschouwt de zinsnede "bij de ruzie op woensdag 18 juni 2008" in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2008, PL 1533/2008/33710-4, blz. 39, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden, als een kennelijke verschrijving voor "donderdag 19 juni 2008" en overweegt daartoe dat de beschreven omstandigheden ("de dader had zijn mobiele telefoon laten vallen en was vervolgens weggegaan") wel sporen met de door aangever beschreven situatie op 19 juni, maar niet met die op 18 juni 2008 (zie p. 35-36). Daarnaast heeft aangever ter terechtzitting van 16 oktober 2008 als getuige verklaard dat hij de telefoon na de steekpartij in zijn bezit gekregen heeft.

(10) Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 juli 2008, PL 1533/2008/33710-29, blz. 56, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(11) Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 juli 2008, PL 1533/2008/33710-30, blz. 61, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(12) Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 juli 2008, PL 1533/2008/33710-30, blz. 62, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(13) Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 juli 2008, PL 1533/2008/33710-30, blz. 64, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(14) Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 juli 2008, PL 1533/2008/33710-40, blz. 69, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(15) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2008, PL 1533/2008/33710-34, met bijlagen, p. 44-46, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(16) Historische gegevens met betrekking tot mobiel nummer 06-[nummer], als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2008, PL 1533/2008/33710-59, p. 98, dat weer als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-6 van politie Haaglanden, juncto proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 juli 2008, PL 1533/2008/33710-40, p. 69, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal 1514/2008/35221-3 van politie Haaglanden.

(17) Historische gegevens als boven.