Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1181

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 43743
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Soedan / zicht op uitzetting

De rechtbank stelt voorop dat zij (vooralsnog) geen reden heeft te twijfelen aan verweerders stelling dat de Soedanese autoriteiten hun medewerking verlenen aan (de voorbereiding van) gedwongen uitzettingen van hier te lande verblijvende vreemdelingen naar Soedan. Aldus kan niet worden gezegd dat reeds bij gebreke aan iedere medewerking door de Soedanese autoriteiten, het zicht op uitzetting afwezig moet worden geoordeeld.

De vraag is evenwel of er ten aanzien van eiser, van wie vaststaat dat hij ongedocumenteerd is, zicht bestaat op een uitzetting van hem binnen een redelijke termijn naar Soedan.

Teneinde dat temporele aspect te kunnen beoordelen heeft de rechtbank verweerder verzocht diverse vragen te beantwoorden.

Uit het onbeantwoord blijven van een aantal van de gestelde vragen, maakt de rechtbank de gevolgtrekkingen die haar geraden voorkomen.

Deze gevolgtrekkingen zijn dat, nu geen inschatting kan worden gemaakt van het eerdergenoemde temporele aspect, in het licht van door verweerder overgelegd cijfermateriaal, onvoldoende is gebleken dat ten aanzien van eiser zicht bestaat op uitzetting van hem naar Soedan binnen een redelijke termijn.

Dat eiser, zoals nog door verweerder naar voren is gebracht, geen medewerking verleent aan zijn uitzetting, kan aan dit oordeel niet afdoen; verweerder heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het verlenen van medewerking door ongedocumenteerde vreemdelingen invloed heeft op de termijn waarbinnen op de ten behoeve van dergelijke vreemdelingen gedane lp-aanvragen wordt beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage,

zittinghoudend te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 08 / 43743 VRONTN

UITSPRAAK, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, juncto artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[eiser], thans verblijvend op de Detentieboot Dordrecht te Dordrecht, eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Kenmerk: 0009.27.8158.

V-nummer: 070.024.7453.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 augustus 2008 is eiser in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van 5 september, 29 september en 17 november 2008 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats de eerdere beroepen van eiser tegen de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 15 december 2008 wederom beroep ingesteld en hij heeft daarbij verzocht om toekenning van schadevergoeding.

Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder een voortgangsrapportage ingezonden. Eiser heeft hierop, via zijn gemachtigde L.M. Weber, advocaat te Amsterdam, gereageerd bij faxberichten van 18 en 19 december 2008.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft op 29 december 2008 plaatsgehad. Daarbij is eiser noch zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. Jans, ambtenaar ten departemente.

Daar de rechtbank het onderzoek niet volledig achtte, heeft zij het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder verzocht nadere informatie te verstrekken.

Bij faxbericht van 7 januari 2009 heeft verweerder deze informatie verstrekt. Bij faxbericht van dezelfde datum heef eiser hierop gereageerd.

Omdat, gelet op de door verweerder ingezonden informatie, naar het oordeel van de enkelvoudige kamer de zaak ongeschikt was voor behandeling door één rechter, heeft zij de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.

Daar verweerder vervolgens zijn toestemming voor het achterwege laten van de nadere zitting onthield, heeft er op 19 januari 2009 een nadere zitting door de meervoudige kamer plaatsgehad. Het onderzoek ter zitting is daarbij opnieuw aangevangen. Op deze zitting heeft eiser zich laten vertegenwoordigen door R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, die ter zitting heeft waargenomen voor de eerdergenoemde gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.H.W. van Heerebeek, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds is beslist bij haar uitspraak van 5 september 2008. Bij uitspraak van 17 november 2008 heeft de rechtbank de voortduring van de bewaring nog rechtmatig geacht. Thans ligt derhalve ter beoordeling voor of, gegeven de omstandigheden van het geval, de voortduring van de bewaring sedertdien rechtmatig is.

Eiser heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – de voortduring van zijn bewaring niet langer rechtmatig moet worden geacht, nu het zicht op zijn uitzetting binnen een redelijke termijn naar Soedan ontbreekt. Daarbij heeft eiser in het bijzonder verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 november 2008 (LJN: BG5065) (hierna: de Amsterdamse uitspraak).

In reactie hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat – in woorden en weergave van de rechtbank – niet kan worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting naar Soedan ontbreekt. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat de Soedanese autoriteiten meewerken aan (de voorbereiding van) gedwongen uitzettingen en dat er door de Soedanese autoriteiten nog immer vervangende reisdocumenten worden verstrekt. Ten aanzien van eiser geldt daarbij dat hij naar aanleiding van de ten behoeve van hem ingediende aanvraag tot het verstrekken van een laissez passer (hierna: lp) bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Soedan is gepresenteerd, dat bij die gelegenheid zijn Soedanese nationaliteit is vastgesteld, hetgeen geresulteerd heeft in de afgifte van een zogeheten statement, en dat thans in Soedan onderzoek wordt gedaan naar de identiteit van eiser. Zo eisers identiteit kan worden bevestigd of vastgesteld, zal, zo heeft verweerder als zijn verwachting uitgesproken, een lp worden afgegeven.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat zij (vooralsnog) geen reden heeft te twijfelen aan verweerders stelling dat de Soedanese autoriteiten hun medewerking verlenen aan (de voorbereiding van) gedwongen uitzettingen van hier te lande verblijvende vreemdelingen naar Soedan. Aldus kan niet worden gezegd dat reeds bij gebreke aan iedere medewerking door de Soedanese autoriteiten, het zicht op uitzetting afwezig moet worden geoordeeld.

De vraag is evenwel of er ten aanzien van eiser, van wie vaststaat dat hij ongedocumenteerd is, zicht bestaat op een uitzetting van hem binnen een redelijke termijn naar Soedan.

Teneinde dat temporele aspect te kunnen beoordelen heeft de rechtbank verweerder verzocht informatie te verstrekken over – kort gezegd – de aantallen aan de Soedanese autoriteiten verzonden lp-aanvragen in 2007 en 2008 en de beslissingen daarop.

Aan de hand van de door verweerder verstrekte informatie stelt de rechtbank vast dat sedert de tweede helft van 2007 tussen de 105 en 110 aanvragen tot afgifte van een lp zijn ingediend bij de Soedanese autoriteiten. In circa 16 gevallen ging het daarbij om personen die (enigszins) gedocumenteerd waren. In de betreffende periode zijn 10 statements afgegeven en 20 non-statements.

Verweerder heeft daarbij nog opgemerkt dat in deze periode twee laissez passer zijn afgegeven. Ter zitting van 19 januari 2009 heeft verweerder desgevraagd te kennen gegeven dat er in het ene geval op basis van een origineel identiteitsdocument een laissez passer is vertrekt en dat in het andere geval de geldigheid van een door de betreffende vreemdeling overgelegd (verlopen) paspoort is verlengd, waarna een laissez passer niet meer nodig was en ook niet meer is verstrekt.

Verweerder heeft het antwoord schuldig moeten blijven op de vraag hoeveel tijd gemiddeld de diverse onderdelen van de lp-procedure in beslag nemen en heeft voorts het antwoord schuldig moeten blijven op de vraag hoe lang, zowel ten aanzien van (enigszins) gedocumenteerde als ten aanzien van ongedocumenteerde vreemdelingen, gemiddeld moet worden gewacht op de (eventuele) afgifte van een lp.

Uit het onbeantwoord blijven van deze vragen zal de rechtbank de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Deze gevolgtrekkingen zijn dat, nu geen inschatting kan worden gemaakt van het eerdergenoemde temporele aspect, thans, in het licht van het zo-even aangehaalde cijfermateriaal, onvoldoende is gebleken dat ten aanzien van eiser zicht bestaat op uitzetting van hem naar Soedan binnen een redelijke termijn.

Dat eiser, zoals nog door verweerder naar voren is gebracht, geen medewerking verleent aan zijn uitzetting, kan aan dit oordeel niet afdoen; verweerder heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het verlenen van medewerking door ongedocumenteerde vreemdelingen invloed heeft op de termijn waarbinnen op de ten behoeve van dergelijke vreemdelingen gedane lp-aanvragen wordt beslist.

Gelet op het voorgaande dient de bewaring in strijd met artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 te worden geoordeeld. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is vanaf 28 november 2008, de dag waarop verweerder het ten aanzien van eiser afgegeven statement heeft ontvangen, onrechtmatig te achten en deze dient met ingang van heden, donderdag 22 januari 2009 te worden opgeheven.

De rechtbank acht termen aanwezig om eisers verzoek tot toekenning van schadevergoeding toe te wijzen.

Daarbij overweegt de rechtbank als volgt.

Van degene die om schadevergoeding verzoekt mag worden verwacht dat hij het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de schade te beperken. Hieronder dient mede te worden begrepen het tijdig aanwenden van rechtsmiddelen.

Eiser heeft op 15 december 2008 beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn bewaring en zich bij zijn beroep beroepen op de Amsterdamse uitspraak van 11 november 2008. Als eiser echter zo spoedig mogelijk na deze uitspraak beroep had ingesteld, zou de bewaring eerder zijn opgeheven. Dientengevolge is de rechtbank van oordeel dat verweerder slechts aansprakelijk gesteld kan worden voor de schade die is ontstaan na de datum van indiening van het beroepschrift, te weten 15 december 2008.

Uitgangspunt bij de vaststelling van het bedrag aan schadevergoeding vormt de vaste jurisprudentie van deze rechtbank en de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Deze richtlijn gaat uit van een schadevergoeding van € 80,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

Vanaf 15 december 2008 tot heden heeft eiser 39 dagen in een huis van bewaring verbleven, hetgeen een schadevergoedingsbedrag van € 3.120,00 medebrengt.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt is toegekend voor het indienen van het beroepschrift, een half punt voor het geven van de schriftelijke reactie op de voortgangsrapportage en één punt voor het verschijnen ter zitting van 19 januari 2009 en waarbij het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden, donderdag 22 januari 2009;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe, groot € 3.120,00, ten laste van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 805,00, te betalen door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gedaan door M.B. Bax, als voorzitter en Y.J. Klik en E.V.L. Heuts, als leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van H.A.M. van de Ven als griffier en in het openbaar uitgesproken op: 22 januari 2009.

w.g. M. van de Ven

w.g. M.B. Bax

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemde voorzittier van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 3.120,00 (zegge: drieduizendéénhonderdtwintig euro)

Aldus gedaan op: 22 januari 2009 door M.B. Bax

Afschrift verzonden op: 22 januari 2009

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.