Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1164

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
767707/08-15613
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanpassing pensioenreglement naar aanleiding van Barber-arrest. Vormde de “Verklaring als bedoeld in artikel 57 van Reglement III”, in samenhang met de door het pensioenfonds gestuurde brieven, wel of niet een voor beide partijen bindende overeenkomst die slechts met wederzijds goedvinden gewijzigd kon worden, of dienden die “Verklaring” en voormelde brieven slechts ter uitvoering van artikel 57 van Reglement III, welk Reglement eenzijdig door het pensioenfonds gewijzigd kon worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 52
AR-Updates.nl 2009-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie 's-Gravenhage

ISP

Rolnr.: 767707/08-15613

28 januari 2009

Vonnis in de zaak [X],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. O.F. Blom, advocaat te Nieuwegein,

tegen

1. de besloten vennootschap Shell Nederland Chemie B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam, en

2. de stichting Stichting Shell Pensioenfonds,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk,

gedaagde partij,

gemachtigde: prof.mr. J.M. van Slooten.

Partijen worden aangeduid als "[X]", "Shell" en "SSPF".

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken, waaruit tevens het procesverloop blijkt:

- de dagvaarding van 19 juni 2008;

- de conclusie van antwoord;

- de door partijen in het geding gebrachte producties.

2. De kantonrechter heeft op 19 november 2008 om 9.30 uur een comparitie na antwoord gehouden. [X] is ter comparitie verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. S. Boer-Koeberg. Shell en SSFP werden ter zitting vertegenwoordigd door mr. [A] (adviseur pensioenfonds), mr. [B] (werkzaam bij het centraal kantoor) en de heer [C] (directeur en hoofd van de juridische afdeling pensioenorganisatie), bijgestaan door hun gemachtigde. Ter zitting hebben partijen hun standpunten door hun gemachtigden doen toelichten (door middel van nadien overgelegde pleitnotities) en inlichtingen verstrekt. Door de griffier zijn zakelijke aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

Feiten

3. Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en blijkt uit overgelegde stukken, een en ander voorzover niet of onvoldoende weersproken, kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan:

a. [X] is geboren op [geboortedatum] 1951.

b. Zij is op 1 september 1976 bij één van de groepsmaatschappijen van Shell in Nederland in dienst getreden.

c. Op 1 april 1999 is zij in dienst getreden van Shell Nederland Chemie B.V, locatie Pernis, dat een onderdeel is van het Shell-concern en vanaf 1 juni 2008 is zij in dienst bij Shell Nederland Raffinaderij B.V.

d. Zij is uit hoofde van haar dienstbetrekking deelneemster aan de pensioenregeling van Shell, die wordt uitgevoerd door SSPF.

e. Bij Shell gold tot 1985 voor vrouwen een reglementaire pensioenleeftijd van 55 jaar, voor mannen van 60 jaar. In 1985 is het Reglement van SSPF gewijzigd in die zin dat de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijkgetrokken werd: voor zowel mannelijke als vrouwelijke fondsleden gold vanaf dat moment een pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar, zij het dat vrouwen die voor de reglementswijziging reeds deelnemer waren bij SSPF er voor konden kiezen met 55 jaar met pensioen te gaan. [X] heeft hier toentertijd voor gekozen.

f. Op 17 mei 1990 wees het Europese Hof van Justitie een arrest in de zogeheten "Barberzaak" (hierna het Barber-arrest), waarin onder meer het volgende werd overwogen:

"dat art. 119 van het EEG-Verdrag elke discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers op het gebied van de beloning verbiedt, ongeacht het stelsel waarvan deze ongelijkheid het gevolg is. Derhalve is de vaststelling van een naar geslacht verschillende leeftijd voor pensioenen die worden betaald in het kader van een vervangende regeling, in strijd met art. 119, zelfs indien het verschil in pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen is gebaseerd op het in de nationale wettelijke regeling voorziene verschil".

g. In reactie op het Barber-arrest heeft SSPF haar pensioenregeling per 1 juni 1991 met terugwerkende kracht tot 17 mei 1990 gewijzigd (hierna: Pensioenreglement III), waardoor per 17 mei 1990 voor alle mannelijke en vrouwelijke fondsleden de pensioenleeftijd van 60 jaar is gaan gelden.

h. SSPF heeft [X] bij brief van 25 maart 1991 bericht dat als gevolg van het Barber-arrest de reglementaire pensioendatum moest worden verhoogd tot 60 jaar, en dat voor alle betrokken zogenoemde "Barbervrouwen" (d.w.z. de vrouwelijke werknemers voor wie dit gold) op individuele basis compenserende rechten zouden worden vastgesteld, gebaseerd op een financiële waardering van de pensioenrechten die zij op basis van hun diensttijd vóór 17 mei 1990 genoten zouden hebben in de tijd tussen hun aanvankelijke pensioenleeftijd van 55 jaar en de nieuwe pensioenleeftijd van 60 jaar. Deze compenserende rechten werden in beginsel uitgedrukt in een hoger pensioenrecht op de nieuwe pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar, maar konden desgewenst ook worden uitgekeerd in de vorm van een volledig pensioen dat in zou gaan op individueel bepaalde "Bijzondere Datum", eerder dan op bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar .

i. [X] heeft op 25 november 1991 een verklaring als bedoeld in artikel 57 van Reglement III (hierna: de Verklaring) ondertekend, waarin zij verklaart dat zij gebruik wenst te maken van de optie om met Bijzonder Vervroegd Pensioen te gaan op 1 april 2008, zijnde de voor haar vastgestelde Bijzondere Datum, en jegens haar werkgever afstand doet van de mogelijkheid het dienstverband na die Bijzondere Datum te continueren tot de reglementaire pensioendatum.

j. Bij brief van 3 december 1991 heeft SSPF aan [X] de ontvangst van voormelde verklaring bevestigd.

k. Per 1 januari 2006 is een nieuw pensioenreglement in werking getreden (hierna: Pensioenreglement V). Voor alle deelnemers, waar onder Barber-vrouwen, betekende dit dat hun tot 1 januari 2006 opgebouwde rechten werden geconverteerd in actuarieel gelijkwaardige aanspraken onder de nieuwe regeling. Voor Barber-vrouwen omvatte die conversie de extra rechten die al voor 17 mei 1990 waren opgebouwd om op de Bijzondere Datum met bijzonder vervroegd pensioen te gaan. Voortaan was de pensioenleeftijd voor iedereen 65 jaar. Daarnaast werd het voor iedereen mogelijk om te kiezen op welke leeftijd tussen 55 en 65 jaar men met pensioen wilde gaan.

l. Voor [X] betekende de invoering van Reglement V dat zij vijf maanden later dan op de voor haar vastgestelde Bijzondere Datum, dus eerst per 1 september 2008, met pensioen diende te gaan indien zij hetzelfde pensioen wilde ontvangen als zij vóór invoering van Reglement V zou hebben ontvangen per 1 april 2008.

m. [X] heeft bij brief van 24 oktober 2005 tegen deze wijziging van het pensioenreglement protest aangetekend bij zowel Shell als bij SSPF.

n. In antwoord daarop heeft Shell in haar brief van 31 oktober 2005 gesteld dat de Bijzondere Datum een erkenning vormt van de tot 17 mei 1990 opgebouwde aanspraken en een verwachting weergeeft over de toekomstige pensioendatum bij gelijkblijvende opbouw vanaf die datum, maar dat deze bijzondere regeling nadrukkelijk niet is bedoeld om de Barbervrouwen bij een mogelijk toekomstige wijziging van het Pensioenreglement in een uitzonderingspositie te plaatsen, omdat uit het oogpunt van gelijke behandeling een dergelijke uitgangspositie niet is toegestaan.

o. De gemachtigde van [X] heeft namens de Vakvereniging van Middelbaar en Hoger Personeel van Shell Nederland N.V. en haar dochterondernemingen (hierna: VHP-Shell), [X] en nog twee Barbervrouwen de kwestie per brief van 1 november 2006 nogmaals aan Shell en SSPF voorgelegd en verzocht de overeengekomen Bijzondere Datum na te komen.

p. SSPF heeft bij brief van 22 november 2006 afwijzend op dit verzoek gereageerd.

q. Vervolgens heeft tussen partijen en VHP-Shell overleg plaatsgevonden, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing voor de situatie van [X] en de overige Barbervrouwen.

r. Per brief van 19 maart 2007 heeft SSPF aan [X] medegedeeld dat er actuarieel gezien geen rechten verloren zijn gegaan bij verschuiving van de Bijzondere Datum.

s. VHP heeft door Piacana Pensioenadvies B.V. een actuarieel advies laten opstellen omtrent de conversie van pensioenrechten bij de verschillende reglementswijzigingen. In dit advies wordt bevestigd dat er actuarieel gezien geen reserves verloren zijn gegaan.

t. Per brief van 3 december 2007 heeft de gemachtigde van [X] en VHP-Shell nogmaals aan SSPF verzocht de overeenkomst met de Barbervrouwen met betrekking tot de Bijzondere Datum te handhaven, dan wel de ontstane schade te compenseren.

u. SSPF heeft hierop afwijzend gereageerd in haar brief van 23 januari 2008.

v. Per brief van 22 april 2008 heeft de gemachtigde van [X] en VPH-Shell, onder toevoeging van een concept-dagvaarding, aan SSPF verzocht om aan de daarin vervatte vordering te voldoen.

w. Per brief van 16 mei 2008 heeft SSPF laten weten haar standpunt in deze kwestie echter niet te herzien.

Vordering

4. [X] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd - samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

* te verklaren voor recht dat de Bijzondere Datum (met bijbehorend pensioenniveau) jegens [X] door Shell en SSPF behoort te worden nagekomen en dat deze niet eenzijdig door hen kan worden gewijzigd;

* Shell en SSPF primair hoofdelijk te veroordelen de pensioenrechten van [X] per 1 april 2008 in overeenstemming te brengen met het pensioenniveau behorende bij de overeengekomen Bijzondere Datum, actuarieel verhoogd tot aan de datum daadwerkelijke pensionering;

* Shell en SSPF subsidiair hoofdelijk te veroordelen aan [X] te betalen een bedrag ter zake de door haar als gevolg van het handelen van Shell en SSPF geleden en nog te lijden schade, zonodig op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;

* Shell en SSPF hoofdelijk te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten, nader te begroten volgens de staffel kantonrechters;

* Shell en SSPF hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5. Naast voormelde feiten legt [X] aan haar vordering ten grondslag dat zij de Bijzondere Datum als bedoeld in artikel 57 van Reglement III onherroepelijk en onvoorwaardelijk met Shell en SSPF is overeengekomen en dat die Bijzondere Datum is vastgesteld op 1 april 2008. [X] stelt zich op het standpunt dat Shell niet het recht heeft de overeengekomen Bijzondere Datum eenzijdig te wijzigen. Het niet nakomen van de overeengekomen Bijzondere Datum levert schade op voor [X], omdat zij daardoor vijf maanden langer moet doorwerken om hetzelfde pensioenbedrag te bereiken.

Verweer

6. Shell en SSPF hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Zakelijk weergegeven komt hun verweer neer op de volgende vier hoofdpunten:

1. Shell Nederland Chemie B.V. is sinds 1 juni 2008 niet meer de werkgever van [X] en is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de "verklaring als bedoeld in artikel 57 Reglement III" (hierna: de verklaring), zoals verzonden aan [X]. Shell Nederland Chemie B.V. is dan ook ten onrechte gedagvaard.

2. De verklaring vormt geen overeenkomst, maar is een uitvloeisel van het per 1 juni 1991 in werking getreden artikel 57 van Reglement III.

3. SSPF was op grond van artikel 26 van haar statuten gerechtigd het pensioenreglement met ingang van 1 januari 2006 eenzijdig te wijzigen.

4. Uitsluitend voor zover komt vast te staan dat er met betrekking tot de Bijzondere Datum sprake is van een rechtens afdwingbare overeenkomst en het besluit om het pensioenreglement per 1 januari 2006 te wijzigen die overeenkomst niet heeft gewijzigd, geldt subsidiair dat die overeenkomst in strijd is met (inter)nationale regels op het gebied van gelijke behandeling en daarmee nietig, meer subsidiair dat het "bijbehorend pensioenniveau" al is bereikt door [X] en dat geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade en nog meer subsidiair dat nakoming van de overeenkomst in strijd is met de artikelen 6:248, 6:258 en 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Beoordeling

7. Shell heeft ten eerste aangevoerd dat Shell Nederland Chemie B.V. ten onrechte is gedagvaard, omdat zij sinds 1 juni 2008 niet meer de werkgever van [X] is en op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de "verklaring als bedoeld in artikel 57 Reglement III", zoals verzonden aan [X]. De arbeidsovereenkomst van [X] is volgens Shell, hetgeen door [X] niet is weersproken, op grond van artikel 7:622 BW met ingang van die datum overgegaan naar Shell Nederland Raffinaderij B.V., welke overgang [X] per brief van 20 mei 2008- en aldus voor dagvaarding - is medegedeeld. Nu Shell Nederland Chemie B.V. niet alleen nu niet (meer) de werkgever van [X] is, maar ook niet ten tijde van de reglementswijziging per 1 juni 1991 (met terugwerkende kracht tot 17 mei 1990) en gesteld noch gebleken is op welke wijze Shell Nederland Chemie B.V. betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de door [X] gestelde overeenkomst, dient [X] in haar vordering jegens Shell Nederland Chemie B.V. dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

8. In essentie draait de zaak om de vraag of de "Verklaring als bedoeld in artikel 57 van Reglement III", in samenhang met de brieven van SSPF d.d. 17 juni 1991 en 3 december 1991, wel of niet een voor beide partijen bindende overeenkomst vormde die slechts met wederzijds goedvinden gewijzigd kon worden (= standpunt [X]), of dat die "Verklaring" en voormelde brieven slechts dienden ter uitvoering van artikel 57 van Reglement III, welk Reglement eenzijdig door SSPF gewijzigd kon worden en nadien ook gewijzigd is, namelijk per 1april 2004 en per 1 januari 2006 (= standpunt van SSPF).

9. De kantonrechter is van oordeel dat het standpunt van SSPF juist is en overweegt daartoe het volgende.

10. Niet weersproken is dat SSPF al in 1985, dus reeds vóór het Barber-arrest, haar pensioenreglement heeft gewijzigd in die zin dat de pensioenleeftijd van haar mannelijke en vrouwelijke fondsleden werd gelijkgetrokken en dat vanaf dat moment voor beiden een pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaar gold. Voor vrouwen die voor deze reglementwijziging al deelnemer waren bij SSPF werd daarbij een uitzondering gemaakt in die zin dat zij er voor konden kiezen om toch met 55 jaar met pensioen te gaan. [X] heeft toentertijd voor deze optie gekozen.

11. Naar aanleiding van het Barber-arrest heeft SSPF haar reglement in 1991 met terugwerkende kracht tot 17 mei 1990 opnieuw aangepast om elk onderscheid in de pensioenleeftijd van mannen en vrouwen uit te bannen. Vanaf 17 mei 1990 gold voor zowel mannelijke als vrouwelijke fondsleden een pensioenleeftijd van 60 jaar. Om aan het Barber-arrest te voldoen had SSPF hiermee kunnen volstaan, maar zonder overgangsregeling zou dat tot gevolg hebben gehad dat de pensioenleeftijd van vrouwen die in 1985 hadden geopteerd voor continuering van een pensioenleeftijd van 55 jaar, ineens vijf jaar vooruit zou zijn verschoven, omdat het reglement (toen) niet de mogelijkheid tot vervroeging van de pensioendatum kende.

12. Om deze groep vrouwen tegemoet te komen en hen de mogelijkheid te bieden om desgewenst - onder gebruikmaking van hun extra opbouw - zoveel mogelijk in de buurt van hun oorspronkelijke pensioenleeftijd van 55 jaar met pensioen te kunnen gaan, is voor hen in artikel 57 van Reglement III een bijzondere regeling opgenomen, die voorzag in een alternatief voor pensionering op 60-jarige leeftijd, namelijk om de geaccumuleerde extra opbouw van pensioenrechten in de periode vóór 19 mei 1990 te gebruiken om het volledige pensioen te laten ingaan op een voor elk van hen individueel bepaalde Bijzondere Datum, gelegen vóór het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.

13. Voor [X] betekende dit dat zij op basis van Reglement III twee jaar en twee maanden na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, te weten op 1 april 2008 met pensioen zou kunnen gaan, waarbij zij op die datum hetzelfde pensioen zou ontvangen als zij op grond van het eerdere reglement zou hebben ontvangen bij de pensioenleeftijd van 55 jaar. [X] is per brief van 17 juni 1991, die door haar als productie 4 bij dagvaarding in het geding is gebracht, over de reglementswijziging geïnformeerd. De Verklaring was bij deze brief gevoegd. In de tekst van voormelde brief staat letterlijk:

"Aan de verklaring is gehecht de tekst van artikel 57 van reglement III zoals deze thans luidt. Voor de goede orde wijzen wij erop dat alleen aan het reglement rechten kunnen worden ontleend".

In dit licht bezien moet het [X] duidelijk zijn geweest, althans had het [X] duidelijk kunnen en behoren te zijn, dat de brief van 17 juni 1991 en de daarbij gevoegde Verklaring niet, zoals zij stelt, een aanbod tot het aangaan van een voor beide partijen bindende overeenkomst betrof welke zij door invulling van de Verklaring heeft aanvaard, maar slechts dienden ter uitvoering van artikel 57 van Reglement III, welk Reglement - zoals door [X] niet is weersproken - eenzijdig door SSPF gewijzigd kon worden.

14. Aangezien [X] haar vorderingen jegens SSPF stoelt op een overeenkomst, welke grondslag blijkens het vorenstaande naar het oordeel van de kantonrechter ondeugdelijk is, dienen deze te worden afgewezen. Al hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en behoeft hier dan ook geen nadere bespreking.

15. [X] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure zoals hierna vermeld.

Beslissing

De kantonrechter:

1. verklaart [X] in haar vordering jegens Shell Nederland Chemie B.V. niet ontvankelijk;

2. wijst de vordering tegen SSPF af;

3. veroordeelt [X] in de proceskosten aan de kant van Shell en SSPF, tot op deze uitspraak vastgesteld op € 1.000,-- wegens salaris voor hun gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. H.S. Wiarda en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2009.