Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH0999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
FA RK 08-5080 + FA RK 08-5096 314342 + 314378
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezag en kinderbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummers: FA RK 08-5080 + FA RK 08-5096

Zaaknummers: 314342 + 314378

Datum beschikking: 7 januari 2009

Gezag + Kinderbijdrage

Beschikking op de op 25 juni 2008 ingekomen verzoeken van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [plaats],

advocaat: mr. F. Yildiz te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen, ingeschreven onder rekestnummer FA RK 08- 5080;

- het verweerschrift hiertegen;

- het verzoekschrift, met bijlagen, ingeschreven onder rekestnummer FA RK 08- 5096;

- het verweerschrift hiertegen;

- de brief van 19 november 2008 van de moeder, met bijlagen, in beide zaken.

Op 3 december 2008 zijn de zaken ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, haar advocaat, de vader en zijn advocaat.

Van de zijde van de moeder is een pleitnotitie overgelegd.

Feiten

Partijen zijn op [datum] 1999 gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

- [minderjarige 1], op [datum] 2001 te [plaats];

- [minderjarige 2], op [datum] 2005 te [plaats].

Bij beschikking van 2 mei 2007 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 1 juni 2007 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Partijen zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast. De minderjarigen verblijven bij de moeder.

Verzoek en verweer

in de zaak met rekestnummer FA RK 08-5080 (kinderbijdrage)

De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het bedrag aan kinderalimentatie per datum verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling door de vader te voldoen, wordt vastgesteld op € 250,-- per maand per kind, althans op een bedrag dat de rechtbank redelijk acht.

De vader voert verweer en verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen, kosten rechtens.

in de zaak met rekestnummer FA RK 08-5096 (gezag)

De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de gezamenlijke gezagsuitoefening te wijzigen in die zin dat de moeder alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast.

De vader voert verweer en verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen, kosten rechtens.

Beoordeling

in de zaak met rekestnummer FA RK 08-5096 (gezag)

Ingevolge artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van de ouders het gezamenlijk gezag, als bedoeld in artikel 1:251 lid 2 BW, beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan in het belang van het kind het gezag over de minderjarige toekomt.

De ontvankelijkheid.

Uit het verzoek van de moeder blijkt niet met zoveel woorden dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de echtscheiding. Integendeel, zij stelt dat ook ten tijde van de echtscheiding de communicatie tussen partijen ernstig was verstoord. Hoewel niet uitdrukkelijk gesteld, zal de rechtbank de stelling van de moeder dat thans in het geheel geen communicatie mogelijk is aanmerken als een wijziging van omstandigheden. De moeder is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

De moeder voert aan dat tussen partijen geen communicatie mogelijk is. De vader stelt de belangen van de minderjarigen nooit voorop, hij reageert niet op verzoeken van de moeder en hij is pas bereid - na dreigingen van de moeder met een rechtszaak - om ten aanzien van de minderjarigen zijn toestemming te geven. Daarnaast heeft de vader geen omgang met de minderjarigen, omdat de omgangscontacten moeizaam verlopen. Hij drinkt teveel alcohol in het bijzijn van de minderjarigen en hij gebruikt niet de hem voorgeschreven medicijnen. De moeder verwacht niet dat het gedrag, het handelen en de houding van de vader in de toekomst zal veranderen, zodat dit voor haar tot problemen zal leiden met betrekking tot reisdocumenten, schoolkeuzes en andere gezagskwesties. De minderjarigen komen volgens haar hierdoor klem te zitten tussen de ouders.

De vader betwist dat hij de belangen van de minderjarigen niet voorop zou stellen en dat hij teveel zou drinken in het bijzijn van de minderjarigen. Daarnaast erkent hij dat de verhouding tussen partijen is verstoord, maar hij is van mening dat dit niet zodanig is dat geen enkele communicatie tussen partijen meer mogelijk zou zijn. Volgens de vader belet de moeder dat zij onderling contact met elkaar hebben en belemmert zij de omgangscontacten tussen hem en de minderjarigen. Hij is bereid om de communicatie te herstellen en hij zal beslissingen ten aanzien van de minderjarigen niet tegenwerken. Volgens hem zitten de minderjarigen niet klem tussen de ouders en zullen zij in de toekomst ook niet klem komen te zitten. Hij stelt dat er geen enkele reden is om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag tussen de ouders.

De inhoudelijke beoordeling.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de ouders na de echtscheiding gezamenlijk met het ouderlijk gezag over hun kinderen belast blijven. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders, in het bijzonder in de periode waarin de echtscheiding en de daarmee verband houdende kwesties nog niet zijn afgewikkeld, brengt niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Niettemin kan worden beslist dat het eenhoofdig gezag aan één van de ouders wordt toegewezen, onder meer indien er een zodanig gebrek aan communicatie bestaat dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

Vast staat dat partijen thans niet dan wel nauwelijks communiceren over de minderjarigen. De vader heeft echter uitdrukkelijk gesteld dat hij bereid is om met de moeder in contact te treden om de communicatie tussen partijen te herstellen. Ter terechtzitting is gebleken dat de moeder dit niet wil. Hoewel duidelijk is dat er tussen partijen incidenten zijn voorgevallen waardoor de communicatie thans is verstoord, is de rechtbank van oordeel dat deze incidenten moeten worden gekoppeld aan de crisis die onvermijdelijk is verbonden aan de echtscheiding tussen partijen en het daarmee gepaard gaande proces. Van partijen kan, mag en moet worden gevergd dat zij zich als ouders met elkaar verstaan inzake de minderjarigen en de rechtbank acht partijen daartoe in staat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat het belang van de minderjarigen gediend is met eenhoofdig gezag van de moeder, zodat het gezamenlijk gezag over de minderjarigen gehandhaafd zal blijven. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de moeder afwijzen.

in de zaak met rekestnummer FA RK 08-5080 (kinderbijdrage)

Behoefte van de minderjarigen

De behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding staat als niet weersproken vast.

De moeder stelt de hoogte van de behoefte van de minderjarigen op € 250,-- per maand per kind. De man heeft dit betwist. Hij voert aan dat de behoefte van de minderjarigen - op basis van het netto gezinsinkomen van partijen - moet worden gesteld op € 300,-- per maand, derhalve op € 150,-- per maand per kind.

Nu de vader de ongemotiveerde stelling van de moeder ten aanzien van de hoogte van de behoefte gemotiveerd heeft weersproken en de moeder hiertegen geen verweer heeft gevoerd, gaat de rechtbank uit van een behoefte van de minderjarigen van € 150,-- per maand per kind. De rechtbank zal in navolging van het Tremarapport de behoefte van de minderjarigen verdelen naar rato van de draagkracht van partijen.

Draagkracht van de moeder

Inkomen

De rechtbank neemt bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder de door haar als productie 5 overgelegde draagkrachtberekening als uitgangspunt, rekening houdend met de door haar gestelde aanvullingen ter terechtzitting, nu de vader deze berekening slechts ten aanzien van haar woonlast heeft betwist. De rechtbank gaat uit van een inkomen van € 2.550,-- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld, nu de moeder ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld dat zij dit inkomen met haar nieuwe baan genereert.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

- de pensioenpremie;

- de WW-premie;

- de bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW).

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting;

- de combinatiekorting;

- de aanvullende combinatiekorting;

- de alleenstaande ouderkorting;

- de aanvullende alleenstaande ouderkorting;

alsmede met de kindertoeslag ad € 829,--.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de moeder op € 2.240,-- per maand.

Lasten

De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste, maandelijkse lasten in aanmerking:

- nominale premie basisverzekering ZVW van € 87,40;

- premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 32,--;

- de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van

€ 151,--;

- kosten kinderopvang van € 500,--;

- aflossing schulden van € 173,20--.

Voorts corrigeert de rechtbank het door de moeder opgevoerde bedrag van de nominale premie basisverzekering ZVW met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van € 54,-- en houdt zij rekening met de zorgtoeslag van € 46,-- per maand.

De vader heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

- huur van € 750,--.

Huur:

De vader stelt dat de opgevoerde woonlasten van € 750,-- per maand onredelijk hoog zijn en dat hij zich afvraagt hoe hoog de toekomstige woonlasten van de moeder zullen zijn.

De rechtbank zal rekening houden met een woonlast van de moeder van € 631,72 per maand, nu zij ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld dat zij - na haar verhuizing naar een andere woning - een huur zal hebben ter hoogte van dit bedrag.

De rechtbank houdt geen rekening met de door de moeder opgevoerde kosten verplicht eigen risico van € 12,50 per maand, nu de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk gerealiseerd worden.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de huidige draagkrachtruimte van de moeder € 76,-- per maand bedraagt.

Draagkracht van de vader

Inkomen

De vader stelt dat hij nog geen stukken heeft van zijn resultaat uit onderneming over 2008, maar dat het jaar waarschijnlijk met verlies zal worden afgesloten. De moeder stelt dat de draagkracht van de vader in ieder geval toelaat dat hij € 250,-- per maand per kind betaalt. Zij verwijst hierbij naar de fiscale winst uit onderneming over het jaar 2007 van € 55.000,-- en de privé onttrekkingen in dat jaar van € 27.000,--.

Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de vader over 2005 een bedrijfsresultaat heeft gehaald van € 74.616,--, over 2006 van € 68.173,-- en over 2007 van € 55.600,--. Aangezien de moeder niet, althans onvoldoende de stelling van de vader heeft weersproken dat het in 2008 slechter met zijn bedrijf is gegaan, zal de rechtbank - bij gebrek aan recente financiële gegevens - de dalende lijn van de resultaten over 2005, 2006 en 2007 doortrekken. De rechtbank gaat dan ook over 2008 uit van een inkomen uit onderneming van € 45.000,--.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

- de zelfstandigenaftrek van € 6.968,--;

- de MKB vrijstelling.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vader op € 2.969,-- per maand.

Lasten

De rechtbank acht het - hoewel hiervan geen stukken in het geding zijn gebracht - redelijk aan de lastenzijde van de vader rekening te houden met een huurlast van € 400,-- per maand en een premie basisverzekering ZVW van € 100,-- per maand, nu de rechtbank het aannemelijk acht dat de vader met deze lasten daadwerkelijk wordt geconfronteerd. De rechtbank corrigeert de premie basisverzekering ZVW met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van € 54,--. Voorts houdt de rechtbank rekening met de door de vader - op aanslag door de Belastingdienst - te betalen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

De moeder betwist de door de vader ter terechtzitting gestelde hoogte van zijn schuldenlast aan de Belastingdienst en aan [A] B.V. en het feit dat hij hierop zou aflossen. Volgens haar gaat de onderhoudsplicht van de vader jegens de minderjarigen voor op de vermeende afbetaling van schulden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter terechtzitting is vast komen te staan dat zowel de moeder als de vader na de echtscheiding geconfronteerd is met de helft van hun totale gezamenlijke schuld van € 87.000,--. Gelet op de hoogte van deze schuld acht de rechtbank het redelijk om aan de lastenzijde van de vader met een bedrag van € 400,-- per maand aan aflossing schulden rekening te houden. Hierbij overweegt de rechtbank dat de stelling van de moeder dat de kinderbijdrage prioriteit heeft boven de aflossing van schulden geen steun vindt in het recht en dat het overigens niet vereist is dat daadwerkelijk wordt afgelost op deze schulden (vgl. HR 11 juli 2008, NJ 2008, 402).

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de huidige draagkrachtruimte van de vader € 1.320,-- per maand bedraagt.

Draagkrachtvergelijking

Vaststaat dat de behoefte van de minderjarigen € 300,-- per maand bedraagt. Gelet op de hiervoor vastgestelde draagkrachtruimte van de vader van € 1.320,-- per maand en van de moeder van € 76,-- per maand dient de vader naar rato met een bedrag van € 284,-- per maand in de behoefte van de minderjarigen te voorzien en de moeder met een bedrag van € 16,-- per maand. De rechtbank bepaalt derhalve het aandeel van de vader in de kosten van de minderjarigen op € 142,-- per maand per kind. De rechtbank acht deze bijdrage redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat zij dienovereenkomstig zal beslissen.

in de zaken met rekestnummers FA RK 08-5080 en FA RK 08-5096

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak met rekestnummer FA RK 08-5080 (kinderbijdrage)

bepaalt dat de vader, met ingang van 25 juni 2008, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [datum] 2001 te [plaats], en [minderjarige 2], geboren op [datum] 2005 te [plaats], aan de moeder, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 142,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met rekestnummer FA RK 08-5096 (gezag)

wijst het verzoek van de moeder af;

in de zaken met rekestnummers FA RK 08-5080 en FA RK 08-5096

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, tevens kinderrechter, bijgestaan door

mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2009.