Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:BH0076

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
AWB 08/45356 & 08/45355
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Noord-Irak / Centraal-Irak / art. 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn / reëel risico op ernstige schade als gevolg van binnenlands gewapende conflict gesteld noch gebleken

Verzoeker is afkomstig uit [woonplaats], Noord-Irak. Zijn asielaanvraag is in het kader van de AC-procedure afgewezen. Tegen dit besluit heeft hij beroep ingesteld en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft een beroep gedaan op artikel 15, onder c, van Richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn).

De voorzieningenrechter heeft als volgt overwogen:

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder enkel de vraag beantwoord of in Noord-Irak, waar verzoeker tot zijn vertrek woonachtig was, sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Verweerder heeft geen overweging gewijd aan verzoekers standpunt dat in Centraal-Irak sprake is van een dergelijk conflict en is ook niet zichtbaar ingegaan op de door verzoeker bij brief van 28 december 2008 overgelegde stukken. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd medegedeeld dat de documenten wel bij de besluitvorming zijn betrokken, maar dat dit niet zichtbaar in het besluit is weergegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Zonder kenbare motivering is het voor de voorzieningenrechter immers niet mogelijk het besluit te toetsen aan de daarop van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb. De voorzieningenrechter zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter ingevolge artikel 8:72, derde lid, Awb, in stand laten om de hierna te noemen reden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover al uit de door verzoeker overgelegde, dan wel aangehaalde documenten zou blijken dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Noord-Irak dan wel in Centraal-Irak, is gesteld noch gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit als gevolg van dit door verzoeker gestelde conflict sprake was van een reëel risico voor hem op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Verzoekers enkele stelling dat hij woonachtig was in [woonplaats], Noord-Irak en voorts dat de gebeurtenissen in Centraal-Irak gevolgen kunnen hebben voor inwoners van [woonplaats] is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter concludeert derhalve dat verzoeker niet valt onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, zodat zijn beroep daarop faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers:

AWB 08 / 45356 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 45355 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2009

in de zaak van:

[verzoeker],

[geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, verblijvende op de [verblijfplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.D. Efstratiades, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 24 december 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 29 december 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 30 december 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 30 december 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 6 januari 2009. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 procesuren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Een aantal maanden voor zijn aankomst in Nederland is verzoeker uit Irak vertrokken. Hij is naar Nederland gekomen om zijn rechten op te eisen. Een achterneef van verzoeker, genaamd Germijan, heeft onder de naam van verzoeker asiel aangevraagd in Nederland en een vergunning gekregen. Dit wil hij nu rechtzetten. Toen de vader van deze achterneef erachter kwam dat hij naar Nederland wilde gaan, heeft hij hem bedreigd. De andere reden dat verzoeker Irak heeft verlaten is dat hij getrouwd is met een Iranese vrouw. Zijn vrouw woonde illegaal in Irak en kon niet over identiteitsdocumenten beschikken. Tenslotte heeft verzoeker Irak verlaten omdat zijn oom hem in de periode 2001 tot 2003 wilde uithuwelijken aan verzoekers nicht. De vrouw van deze oom, verzoekers tante, heeft een valse aangifte tegen hem gedaan. Verzoeker zou zijn nichtje hebben bedreigd met een mes en hij zou haar hebben gedwongen met hem te trouwen. Voor deze zaak is een arrestatiebevel tegen verzoeker uitgevaardigd, maar de politie heeft verzoeker nooit te pakken gekregen.

2.6 Verweerder heeft zich op de volgende standpunten gesteld. De 48-uursprocedure kon op verzoeker worden toegepast nu de 48-uurstermijn is gaan lopen op het moment dat verzoeker aankwam in het aanmeldcentrum en niet op het moment dat verzoeker een beroep deed op bescherming. Verzoeker heeft toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit overgelegd. Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute. De geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker is hiermee op voorhand aangetast. Nu van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat, wordt het niet geloofwaardig bevonden. Daarom komt verzoeker niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het beroep op artikel 15, onder c, van Richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) kan niet slagen omdat de bescherming op grond van dit artikel niet ruimer is dan artikel 29, onder b, Vw en het relaas van verzoeker niet geloofwaardig is. Voorts is niet gebleken dat in Noord-Irak sprake is van een binnenlands gewapend conflict.

2.7 Verzoeker heeft hiertegen, samengevat, het volgende aangevoerd. De 48-uurstermijn is reeds op 18 december 2008 gaan lopen omdat verzoeker op die datum een vormloos beroep op internationale bescherming heeft gedaan en dit een asielverzoek in de zin van Richtlijn 2005/85/EG (Procedurerichtlijn) betreft. De aanvraag is derhalve niet binnen de 48-uurs termijn afgedaan. De aanvraag kon vanwege gecompliceerde familiaire omstandigheden niet binnen de AC-procedure worden afgedaan. Daarnaast meent verzoeker dat hem buiten de 48-uurstermijn de mogelijkheid moet worden geboden nadere bescheiden te overleggen die betrekking hebben op zijn identiteit en nationaliteit. Er bestaan voorts geen objectieve aanknopingspunten te twijfelen aan de identiteit of nationaliteit van verzoeker. Daarnaast heeft hij wel degelijk meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute. Zijn relaas is geloofwaardig en verzoeker dient in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op de b-, c-, dan wel d-grond van artikel 29 Vw. Het besluit kan op formele gronden geen stand houden omdat de d-grond niet eerder dan in het bestreden besluit is getoetst. Voorts doet verzoeker een beroep op artikel 15, onder c, Definitierichtlijn omdat in het gebied waaruit hij afkomstig is sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Dit binnenlands gewapend conflict speelt zich af in Noord-Irak, waar verzoeker woonachtig is, maar ook in Centraal Irak, waarvan verzoeker de gevolgen ondervindt, doordat hij in de aangrenzende provincie vlak over de grens woont. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de stukken die verzoeker in dit kader heeft overgelegd zodat het besluit op dit punt dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb. Voor een geslaagd beroep op artikel 15, onder c, Definitierichtlijn is niet vereist dat het relaas geloofwaardig wordt bevonden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ten aanzien van verzoekers stelling dat de 48-uurstermijn reeds op 18 december 2008 is aangevangen omdat verzoeker op die datum een vormloos beroep op internationale bescherming heeft gedaan en dit beroep een asielverzoek in de zin van artikel 2, onder b, van de Procedurerichtlijn betreft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.9 Deze stelling wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. De Procedurerichtlijn bevat zelf geen bepalingen omtrent de wijze waarop of de vorm waarin een asielverzoek zou moeten worden ingediend. Artikel 6 Procedurerichtlijn bepaalt slechts dat de lidstaten kunnen voorschrijven dat asielverzoeken persoonlijk en/of op een aangewezen plaats moeten worden ingediend. Hieruit kan worden afgeleid dat het de lidstaten in beginsel vrij staat de organisatie van de indiening van asielaanvragen naar eigen inzicht in te richten. Volgens Nederlands recht dient een asielaanvraag te worden ingediend in het aanmeldcentrum op Schiphol, Ter Apel of Zevenaar (artikel 37, onder a, Vw in samenhang met de artikelen 3.108 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en 3.42 Vreemdelingenvoorschrift 2000 (Vv)). Bovendien dient de aanvraag middels een speciaal formulier te worden ingediend (artikel 3.38 Vv). Voor zover al op enige wijze zou zijn gebleken dat verzoeker een (vormloos) beroep op internationale bescherming heeft gedaan op 18 december 2008, is de melding dat hij een asielverzoek wenst in te dienen daarmee nog geen asielaanvraag.

2.10 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 28 oktober 2003 (200304447/1), volgt dat uit artikel 69, tweede lid, Vw valt af te leiden dat de 48-uurs-termijn in ieder geval aanvangt op het moment waarop de aanvraag feitelijk is ingediend. Wanneer enig onderzoek gericht op de in te dienen aanvraag heeft plaatsgevonden voordat de aanvraag is ingediend, moet worden aangenomen dat de 48-uurs-termijn met de aanvang van dat onderzoek is gaan lopen. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken dat voorafgaande aan de aanvraag dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, is de 48-uurs-termijn gaan lopen op het moment dat de aanvraag is ingediend. Blijkens het dossier is de aanvraag ingediend op 24 december 2008 om 16:30 uur. De 48-uurs-termijn eindigde daarmee op 29 december 2008, om 14:30 uur. Nu het bestreden besluit op 29 december 2008, om 14:23 uur aan verzoeker is uitgereikt, heeft verweerder de 48-uurs-termijn niet overschreden.

2.11 Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw heeft kunnen betrekken.

2.12 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.13 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.14 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.15 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas kunnen betrekken dat verzoeker geen documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat door verzoeker onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij niet in staat zou zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. In dit verband heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker wisselende verklaringen heeft afgelegd over de manier waarop hij zijn Iraakse paspoort is kwijtgeraakt. In het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee (Kmar) van 12 december 2008 staat dat verzoeker heeft verklaard dat hij zijn paspoort in Turkije verplicht moest weggooien. In het eerste gehoor van 25 december 2008 staat te lezen dat verzoeker zijn paspoort onderweg heeft verloren. De verklaring die verzoeker voor deze tegenstrijdigheid heeft gegeven, namelijk dat hij bij de Kmar uit vermoeidheid iets anders heeft gezegd, heeft verweerder niet verschoonbaar kunnen achten.

2.16 Daarnaast heeft verweerder verzoekers verklaring dat hij geen tijd heeft gehad zijn S-paspoort, zijn identiteitskaart en zijn nationaliteitsverklaring mee te nemen naar Nederland onvoldoende kunnen vinden om het ontbreken van deze documenten verschoonbaar te achten. Verzoeker heeft immers verklaard dat hij tot aan zijn vertrek heeft gewerkt, maar minder dan normaal omdat hij bezig was met het regelen van zijn paspoort en dergelijke. Hieruit volgt niet dat verzoeker zich in een acute vluchtsituatie bevond en daarom deze documenten niet mee had kunnen nemen. Dit klemt te meer nu verzoeker heeft verklaard dat de voornaamste reden voor zijn vertrek zou zijn geweest dat hij in Nederland zijn rechten als de ware [naam] wilde opeisen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat onder deze omstandigheden het voor de hand had gelegen dat verzoeker alle documenten ter onderbouwing van zijn identiteit mee zou nemen teneinde bij de Nederlandse autoriteiten zijn identiteit aan te tonen.

2.17 Dat verzoeker inmiddels (onvertaalde) kopieën heeft overgelegd van zijn identiteits- en nationaliteitsdocumenten maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt kunnen stellen dat de authenticiteit van deze documenten niet kan worden vastgesteld. De enkele stelling dat de originelen nog overgelegd zullen worden, leidt niet tot een andere conclusie. Immers, het is ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw in samenhang gelezen met artikel 3.114 Vb aan eiser uit eigen beweging alle voor de beoordeling van zijn aanvraag mogelijk relevante gegevens, waaronder in elk geval originele documenten met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit, te verstrekken, op basis waarvan beoordeeld kan worden of een rechtsgrond voor verlening bestaat. De stelling van verzoeker dat hij buiten de 48-uurstermijn in de gelegenheid moet worden gesteld de originele documenten te overleggen wordt gelet op het voorgaande dan ook niet gevolgd.

2.18 Reeds op grond van het voorgaande heeft verweerder de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw bij de beoordeling van het asielrelaas kunnen betrekken. De vraag of eveneens aan verzoeker is toe te rekenen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn asielrelaas en reisroute dat wel geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring omtrent zijn reisroute heeft afgelegd, behoeft hierdoor geen beantwoording meer.

2.19 Verweerder heeft in C14/3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) beleidsregels neergelegd over zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen van asielzoekers. In C14/3.3 Vc heeft verweerder het volgende toetsingskader opgenomen:

Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.20 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas een positieve overtuigingskracht ontbeert en dat het daarom niet geloofwaardig is. Hiervoor is het volgende redengevend.

2.21 Verweerder heeft in redelijkheid kunnen overwegen dat verzoeker wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn voornaamste reisdoel, namelijk zijn identiteit opeisen bij de Nederlandse autoriteiten. Zo heeft verzoeker verklaard dat hij voor zijn aanhouding op 12 december 2008 reeds drie maanden in Nederland verbleef en dat hij medelijden had gekregen met zijn oom en achterneef omdat die zouden worden gedupeerd wanneer hun bedrog aan het licht zou komen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat deze verklaring niet is te rijmen met zijn eerdere verklaring dat hij naar Nederland is gekomen om zijn identiteit op te eisen. In dit kader heeft verweerder het tegenstrijdig kunnen vinden dat verzoeker in zijn eerste gehoor heeft verklaard dat Nederland niet zijn eindbestemming was, maar Noorwegen. Dit terwijl hij heeft verklaard dat zijn achterneef en oom in Nederland woonachtig zijn.

2.22 Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker wisselende verklaringen heeft afgelegd over het doen van aangifte tegen zijn persoon door zijn oma dan wel zijn tante. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker niet heeft kunnen aangeven wanneer de problemen met zijn familie precies hebben plaatsgevonden, hetgeen verweerder ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De enkele, niet nader gepreciseerde stelling dat verzoeker wel consistent heeft verklaard en dat hij in het nader gehoor alle tegenstrijdigheden dan wel onduidelijkheden heeft gecorrigeerd, leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert.

2.23 Op grond van het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert en heeft verweerder het relaas ongeloofwaardig kunnen vinden.

2.24 Ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.25 Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn wordt onder "persoon die voor de subsidiaire-beschermingsstatus in aanmerking komt" verstaan: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.26 Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.27 Verweerders standpunt dat verzoeker geen geslaagd beroep kan doen op deze bepaling omdat zijn asielrelaas niet geloofwaardig is, ontbeert een deugdelijke motivering. Hiervoor acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Uit rechtsoverweging 2.5 van de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2007 (JV 2007, 531) waarin de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de uitleg van artikel 15, onder c, Definitierichtlijn, valt allereerst af te leiden dat de zaak die de Afdeling reden heeft gegeven om bedoelde vragen aan het Europese Hof van Justitie voor te leggen eveneens een ongeloofwaardig bevonden asielrelaas betrof. Verder ziet de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn het element ernstige en individuele bedreiging bevat geen reden om te oordelen dat een ongeloofwaardig relaas reeds aan verkrijging van bescherming op grond van dat artikel in de weg staat. Die ernstige en individuele bedreiging staat blijkens de bewoordingen van het artikel immers in causaal verband met willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt dit met zich dat ook een ongeloofwaardig relaas binnen de reikwijdte van dit artikel kan vallen, indien dat ongeloofwaardig bevonden relaas niet in de weg staat aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een betrokkene als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in (een deel van) zijn land van herkomst.

2.28 Verzoeker heeft gesteld dat er ten tijde van het bestreden besluit sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Noord-Irak; hij heeft hieromtrent geen onderbouwende stukken overgelegd. Voorts heeft verzoeker bij wege van brief van 28 december 2008 gesteld dat de gebeurtenissen in Diyala, Centraal Irak, kunnen worden gekwalificeerd als aanhoudende en samenhangende militaire operaties die ook gevolgen kunnen hebben voor inwoners van Kalar. Bij deze brief heeft hij de volgende documenten overgelegd:

- een drietal kaarten van Irak;

- een 24-tal internetberichten van de ‘factbox’ van persbureau Reuters betreffende incidenten in Centraal Irak in de periode februari tot oktober 2008.

Ter zitting heeft verzoeker zich voorts nog beroepen op het rapport Oil for soil: toward a grand bargain on Iraq and the Kurds, van de International Crisis Group, gedateerd 29 oktober 2008, stellend dat hieruit blijkt dat de situatie in Noord-Irak een voedingsbodem is voor conflicten. Voorts heeft verzoeker gesteld dat uit het rapport Iraq Rhetoric and reality: the Iraqee refugee crisis, van Amnesty International, gedateerd 15 juni 2008, blijkt dat hij niet uitzetbaar is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Centraal Irak. Verder heeft verzoeker zich pas ter zitting beroepen op de aanwezigheid van een dergelijk conflict in Noord-Irak en daartoe voorts geen onderbouwende stukken overgelegd, aldus verweerder.

2.29 Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder enkel de vraag beantwoord of in Noord-Irak, waar verzoeker tot zijn vertrek woonachtig was, sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Verweerder heeft geen overweging gewijd aan verzoekers standpunt dat in Centraal-Irak sprake is van een dergelijk conflict en is ook niet zichtbaar ingegaan op de door verzoeker bij brief van 28 december 2008 overgelegde stukken. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd medegedeeld dat de documenten wel bij de besluitvorming zijn betrokken, maar dat dit niet zichtbaar in het besluit is weergegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Zonder kenbare motivering is het voor de voorzieningenrechter immers niet mogelijk het besluit te toetsen aan de daarop van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.

2.30 Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 Awb. De voorzieningenrechter zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit echter ingevolge artikel 8:72, derde lid Awb, in stand laten om de hierna te noemen reden.

2.31 In haar uitspraken van 20 juli 2007 (200608939/1) en 3 april 2008 (200701108/1) heeft de Afdeling overwogen dat op grond van bepalingen van internationaal humanitair recht geconcludeerd moet worden dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict, indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land dan wel van een andere groepering. Indien zich in het land van herkomst van een vreemdeling ten tijde van het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag geen binnenlands gewapend conflict voordeed, valt hij reeds daarom niet onder de reikwijdte van artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn en kan hij aan die bepaling geen bescherming ontlenen. Indien zich in het land van herkomst van een vreemdeling ten tijde van het besluit wel een dergelijk conflict voordeed, houdt dit echter niet zonder meer in dat hij reeds daarom onder de reikwijdte van artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn valt. Vastgesteld moet worden of de door hem gestelde schade in verband kan worden gebracht met dit conflict. Daarbij is van betekenis of dit conflict zich over alle delen van het land van herkomst uitstrekte, dan wel beperkt was tot duidelijk te onderscheiden deelgebieden. Indien, in dat laatste geval, een vreemdeling afkomstig is uit een deel, waar geen sprake was van een gewapend conflict en evenmin van gevolgen voor hem van een elders in het land bestaand gewapend conflict, kan hij bij terugkeer naar dat deel geen schade lijden die in verband kan worden gebracht met een zodanig conflict en daarom buiten de reikwijdte van artikel 15, onder c, van de Definitierichtlijn vallen.

2.32 De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover al uit de door verzoeker overgelegde, dan wel aangehaalde documenten zou blijken dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Noord-Irak dan wel in Centraal-Irak, is gesteld noch gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit als gevolg van dit door verzoeker gestelde conflict sprake was van een reëel risico voor hem op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Verzoekers enkele stelling dat hij woonachtig was in [woonplaats], Noord-Irak en voorts dat de gebeurtenissen in Centraal-Irak gevolgen kunnen hebben voor inwoners van [woonplaats] is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter concludeert derhalve dat verzoeker niet valt onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, zodat zijn beroep daarop faalt.

2.33 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.34 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan verzoeker in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 322,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M.A. Bataille, voorzieningenrechter, en op 13 januari 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S. Rabbering, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.