Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2009:21163

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
AWB-08_6989 IB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser exploiteert sinds ongeveer december 2001 onder de naam ‘X' een taxibedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

Eiser heeft voor de jaren 2002 en 2003 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 2.169 respectievelijk € 4.957 negatief. In de aangiften heeft eiser een winst uit onderneming van € 23.219 respectievelijk € 7.337 aangegeven. Bij de aanslagregeling zijn de aangiften zonder nader onderzoek gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummers: AWB 08/6989 en 08/7000 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 oktober 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

08/6989

IPROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2002 en 2003 navorderingsaanslagen (aanslagnummers [aanslagnummer 1] en - [aanslagnummer 2] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.691 respectievelijk € 36.844, alsmede bij beschikking vergrijpboetes van 50% van de nagevorderde belasting.

1.2 Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 19 augustus 2008 de navorderingsaanslagen gehandhaafd en de boetebeschikkingen verminderd tot 25% van de nagevorderde belasting.

1.3 Eiser heeft daartegen bij brieven van 22 september 2008, ontvangen bij de rechtbank op 23 september 2008, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009.

Namens eiser is verschenen mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam. Namens verweerder is verschenen mr. G. Vrauwdeunt.

1.6 Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

1.7 Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. Eiser heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de door verweerder ter zitting ingebrachte stukken.

IIFeiten

Op grond van de stukken van de gedingen en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiser exploiteert sinds ongeveer december 2001 onder de naam ‘ [naam taxibedrijf] ’ een taxibedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

2.2 Eiser heeft voor de jaren 2002 en 2003 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 2.169 respectievelijk € 4.957 negatief. In de aangiften heeft eiser een winst uit onderneming van € 23.219 respectievelijk € 7.337 aangegeven. Bij de aanslagregeling zijn de aangiften zonder nader onderzoek gevolgd.

2.3 In 2002 en 2003 zijn met betrekking tot een aantal taxi’s van eiser zeven respectievelijk acht bekeuringen uitgeschreven. Voorts zijn in november 2003 door onder meer de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat (hierna: IVW) en de Taxipolitie diverse waarnemingen gedaan.

2.4 Op 4 november 2004 is verweerder begonnen met een boekenonderzoek bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003. Van het boekenonderzoek is met dagtekening 28 december 2005 een rapport (hierna: het controlerapport) uitgebracht, dat in kopie tot de gedingstukken behoort.

In het controlerapport is onder meer het volgende vermeld:

“4.1Ontvangstverantwoording

Per taxi worden dagelijks rittenstaten bijgehouden. Op het eerst gezicht zien deze staten er goed uit. Ze zijn voorzien van alle verplicht in te vullen gegevens en sluiten op elkaar aan qua kilometerstanden. Indien echter waarnemingen of andere externe ijkpunten worden getoetst blijken de rittenstaten regelmatig niet te kloppen. Er is gereden op dagen waarop en of plaatsen waar op papier niet is gereden. De vermelde kilometerstanden en aansluitingen zijn in die gevallen onjuist. Zie verder het hoofdstuk waarnemingen (4.2).

In het door belastingplichtige bijgehouden kasboek ontbreken veel mutaties. Leningen werden niet vermeld hierin. Tevens werd over de gecontroleerde periode geen saldo getrokken. Het kasboek is daarom eigenlijk meer een samenvatting van de rittenstaten waarin de ontvangsten per taxi zijn vermeld.

(···)

4.2 Waarnemingen / steekproeven

Diverse bekeuringen (met datum, tijd en kenteken)werden door mij getoetst op de aanwezige rittenstaten.

(···)

Toets kilometerstaten m.b.v. Nationale Auto Pas (NAP) gegevens:

(···)

(···)

4.4 Waarnemingen

Door IVW , Belastingdienst en Taxipolitie zijn in 2003 vele waarnemingen gedaan. Deze zijn vastgelegd in bestanden, welke werden getoetst met de door de taxiondernemer bewaarde rittenstaten.

Terzake van de auto’s van [naam taxibedrijf] van [eiser] , waren 145 waarnemingen beschikbaar. Van deze 145 waarnemingen waren er 51 niet terug te vinden in de ritstaten. Dat is ruim 35%.

Het niet noteren van ritten leidt tot onbetrouwbare rittenstaten en onjuist aangifte(n).

(···)

4.8 Conclusie

Bij deze controle zijn diverse metingen gedaan om de betrouwbaarheid van de aangegeven cijfers te toetsen. Het resultaat van deze toetsingen leidt tot één conclusie: er is te weinig omzet aangegeven. De administratie zoals aangetroffen, kan niet dienen als basis voor de berekening van de winst.

Uit het bovenstaande volgt dat belastingplichtige niet volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De belastingplichtige is er op gewezen dat bij eventuele procedure deze tekortkomingen_omkering van de bewijslast_tot gevolg heeft op grond van artikel 25 of 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Er zal op basis van een door de Belastingdienst gemaakte schatting een omzet worden vastgesteld.

Zie hiervoor de theoretische omzet bij de jaar-kilometeroverzichten. Daarin is vastgesteld hoeveel kilometers alle auto’s bij elkaar hebben gereden.

Dit aantal kilometers zal worden vermenigvuldigd met een bepaalde opbrengst per kilometer.

In dit geval zal de correctie beperkt blijven tot de omzetcorrectie.

Omdat regelmatig is geconstateerd, dat de kilometerstanden op de rittenstaten onjuist zijn, kan het zo zijn, dat de theoretische omzet hoger moet zijn. Bij de vaststellingen wordt toch uitgegaan van de op de ritstaat vermelde standen.

(···).”

2.5 Naar aanleiding van de bevindingen bij het boekenonderzoek heeft verweerder met dagtekening 12 januari 2006 respectievelijk 13 januari 2006 de hier in geding zijnde navorderingsaanslagen aan eiser opgelegd. Voorts zijn vergrijpboetes van 50% opgelegd, welke in bezwaar zijn verminderd tot 25 % van de nagevorderde belasting.

IIIGeschil

3.1 In geschil is of de navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2 Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes, subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3.3 Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

IVOVERWEGINGEN

4.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de administratie van eiser zodanige gebreken vertoont, dat deze niet voldoet aan de daaraan in artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) gestelde eisen. Op grond hiervan heeft verweerder geconcludeerd tot omkering van de bewijslast.

4.2 Artikel 52, eerste lid, Awr bepaalt dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

4.3 Verweerder heeft zijn opvatting dat de rittenadministratie van eiser niet als basis kan dienen voor de omzet- en de winstberekening doen steunen op drie externe bronnen, te weten de onder punt 4.2 van het controlerapport genoemde bekeuringen en NAP-gegevens, alsmede de onder 4.4 genoemde waarnemingen welke zijn vervat in een lijst die als bijlage 17 bij de verweerschriften is gevoegd. Op deze lijst komen geen door verweerder verrichte waarnemingen voor.

4.4 De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft bestreden dat hem de genoemde bekeuringen zijn opgelegd. Deze bekeuringen zijn belopen op momenten in 2002 en 2003 waarop volgens de in de administratie van eiser aangetroffen rittenstaten niet met de betreffende taxi is gereden, dan wel waarop de taxi zich op een andere plaats bevond dan de plaats van de betreffende verkeersovertreding. Eiser heeft met betrekking tot twee van de in 2002 en twee van de in 2003 belopen bekeuringen betwist dat strijd met de rittenstaten bestaat. Van de overige elf bekeuringen is de door verweerder vastgestelde strijdigheid met de gegevens op de rittenstaten niet betwist.

Ter zitting heeft verweerder onweersproken gesteld dat de als bijlage 17 bij de verweerschriften opgenomen lijst met waarnemingen tijdens het boekenonderzoek met eiser is besproken en aldus een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de navorderingsaanslagen. De omstandigheid dat de gemachtigde van eiser eerst bij ontvangst van de verweerschriften van de lijst kennis heeft genomen maakt, anders dan eiser kennelijk meent, niet dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat de op de lijst vervatte informatie onjuist zou zijn.

Hetgeen eiser met betrekking tot voornoemde drie externe bronnen heeft aangevoerd is onvoldoende om de verschillen tussen de uit die bronnen voortvloeiende waarnemingen en hetgeen uit de rittenstaten blijkt te verklaren.

4.5 Het vorenstaande in aanmerking genomen leiden genoemde externe bronnen tot de conclusie dat de rittenstaten over 2002 en 2003 niet volledig en niet juist zijn. Nu voor een bedrijf als dat van eiser rittenstaten een essentieel onderdeel van de administratie vormen, brengt het vorenstaande met zich dat eisers administratie niet voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 52 van de Awr gestelde vereisten. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd tot omkering van de bewijslast.

4.6 Nu eiser niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan, brengt het bepaalde in artikel 27e, eerste volzin, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr met zich dat de beroepen van eiser ongegrond moeten worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Het ligt dan op de weg van eiser om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven. De rechtbank acht eiser daarin niet geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

4.7 De navorderingsaanslagen zien op winstcorrecties in verband met onjuiste rittenstaten. Verweerder is voor de berekening van de daarbij in aanmerking te nemen omzet uitgegaan van de in 2002 en 2003 verreden kilometers zoals deze blijken uit de administratie van eiser. Voor 2002 heeft verweerder een kilometerprijs van € 0,90 inclusief BTW in aanmerking genomen, voor 2003 een kilometerprijs van € 1 inclusief BTW.

Niet valt in te zien waarom voor de winstbepaling van een lager aantal kilometers zou moeten worden uitgegaan. Eiser heeft dienaangaande ook niets aangevoerd. Voorts heeft eiser ter zitting verklaard zijn opvatting dat van een kilometerprijs van maximaal € 0,80 dient te worden uitgegaan, niet langer te handhaven.

4.8 Het vorenstaande leidt de rechtbank voorts tot het oordeel dat de aan de navorderingsaanslagen ten grondslag gelegde correcties op een redelijke schatting zijn gebaseerd.

Vergrijpboetes

4.9 Op grond van artikel 67e van de Awr kan verweerder met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet, waaronder wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting is geheven of kan worden dan wel niet of niet tijdig is betaald.

4.10 De rechtbank overweegt dat de aangiften zijn gebaseerd op door eiser aangeleverde onjuiste stukken. Eiser moet zich - gezien onder meer de niet betwiste strijdigheid van de rittenstaten met door eiser in 2002 en 2003 ontvangen bekeuringen - van de onjuistheid van die stukken bewust zijn geweest. Gelet hierop heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser door het voeren van een ondeugdelijke administratie willens en wetens de reële kans heeft aanvaard dat onjuiste belastingaangiften zouden worden ingediend. Het is dan ook aan voorwaardelijk opzet van eiser te wijten dat te weinig belasting is geheven.

Nu sprake is van voorwaardelijk opzet aan de zijde van eiser heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 67e van de Awr, in samenhang bezien met § 25 en § 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, de vergrijpboetes in beginsel terecht vastgesteld op 50% van de nageheven belasting. De rechtbank acht een dergelijke boete passend en geboden.

4.11 Met betrekking tot de hoogte van de vergrijpboetes overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft de boetes van 50% bij de uitspraken op bezwaar gematigd tot 25% van de nagevorderde belasting vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Op grond van de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37 984 (BNB 2005/337) heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De boetes zijn aangekondigd in het controlerapport van 28 december 2005 waarbij eiser in kennis werd gesteld van verweerders voornemen navorderingsaanslagen en vergrijpboetes op te leggen. De rechtbank gaat dan ook uit van deze datum als moment waarop de redelijke termijn is aangevangen. De uitspraken op het bezwaar zijn gedaan op 19 augustus 2008. Op dat moment was de redelijke termijn bijna acht maanden verstreken. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar dan ook terecht een vermindering van de vergrijpboetes wegens overschrijding van de redelijke termijn toegepast. Ook in zoverre is het beroep derhalve ongegrond.

Tussen de uitspraken op bezwaar en deze uitspraak van de rechtbank liggen ruim veertien maanden. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn uiteindelijk met ruim bijna twee jaar overschreden. Gelet hierop en gezien het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, nr. 42 763, VN 2008/62.7, LJN: BD0191, vermindert de rechtbank de in bezwaar reeds verminderde vergrijpboetes met 10%.

4.12 Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

4.13 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

VBESLISSING

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    vermindert de boetes met 10%.

Aldus vastgesteld door mr.G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van de griffier mr.M.A.H. Strik.

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. -

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.