Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BN9435

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
AWB 05/9293 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft aanslag IB/PVV 2003. In geschil is of een bedrag van € 5.837 aan hypotheekrente en kosten betreffende de woning A-straat nr. x aftrekbaar is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres gedurende het jaar 2003 deze woning als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 bewoonde. Met de door haar overgelegde stukken is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de woning A-straat nr. x haar in het jaar 2003 tot hoofdverblijf heeft gediend. Ook de verklaringen van haar echtgenoot en kennis kunnen eiseres niet baten. De rechtbank laat daarbij wegen dat deze verklaringen niet afkomstig zijn uit een objectieve bron.

De rechtbank overweegt ten slotte dat eiseres ter onderbouwing van haar stelling dat zij door de gemeente op het adres A-straat nr. x is uitgeschreven geen stukken heeft overgelegd. Aan het vorenstaande kan het ter zitting overgelegde uittreksel uit de gba niet afdoen, nu daaruit slechts kan worden opgemaakt dat eiseres vanaf 17 maart 2000 staat ingeschreven op het adres B-straat nr. y.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2467

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/9293 IB/PVV

Uitspraakdatum: 28 maart 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.695 (aanslagnummer [nummer]).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006 te 's-Gravenhage. Eiseres is daar in persoon verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [Y]. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].

1.6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen met stukken aan te tonen dat zij in 2003 woonachtig was op het adres [adres 1] te [plaats] en dat zij door de gemeente op voornoemd adres is uitgeschreven. Eiseres heeft bij brief met bijlagen van 6 februari 2007 nadere stukken aan de rechtbank toegezonden. Verweerder heeft daarop bij brief van 1 maart 2007 gereageerd.

1.7. De behandeling van het onderzoek ter zitting is voortgezet op 15 februari 2008. Eiseres is daar in persoon verschenen, vergezeld door [Y]. Namens verweerder is verschenen [A].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiseres heeft voor het jaar 2003 aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan naar een inkomen uit werk en woning van € 27.198. Eiseres heeft daarbij een bedrag van € 5.837 als aftrekbare hypotheekrente en kosten op het inkomen in mindering gebracht.

2.2. Met dagtekening 12 juni 2004 is aan eiseres voor het jaar 2003, conform de door haar ingediende aangifte, een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.198. De verschuldigde IB/PVV, vóór verrekening van loonheffing en voor aftrek van heffingskortingen, is vastgesteld op € 9.637. Nadat de loonheffing en de heffingskortingen in aanmerking waren genomen, resulteerde een aan eiseres uit te betalen bedrag van € 2.666, met inbegrip van € 42 aan heffingsrente.

2.3. Bij de aanslagregeling heeft verweerder twee correcties aangebracht. Verweerder heeft een bedrag van € 5.837 aan door eiseres betaalde hypotheekrente en kosten niet in aftrek toegelaten. Verweerder heeft voorts het eigen woningforfait met € 340 verminderd tot nihil. Het door eiseres aangegeven inkomen uit werk en woning heeft verweerder dienovereenkomstig verhoogd tot € 32.695.

2.4. Met inachtneming van de zo-even vermelde correcties is de aanslag, vóór verrekening van de voorlopige aanslag, berekend op een terug te geven bedrag van € 371. Als gevolg van de reeds aan eiseres uitbetaalde voorlopige aanslag heeft eiseres derhalve een bedrag van € 2.253 te veel ontvangen. De aanslag is daarop, met inbegrip van een bedrag van € 162 aan heffingsrente, vastgesteld op een door eiseres terug te betalen bedrag van € 2.415.

2.5. Het tegen de aanslag gerichte bezwaar van eiseres is bij de bestreden uitspraak afgewezen. Eiseres is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank.

3. Geschil

3.1. In geschil is of een bedrag van € 5.837 aan hypotheekrente en kosten betreffende de woning [adres 1] aftrekbaar is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres gedurende het jaar 2003 deze woning als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bewoonde. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend.

3.2. Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege echtelijke ruzies in 1997 naar de woning [adres 1] is verhuisd. Haar echtgenoot is in de woning [adres 2] blijven wonen. Eiseres heeft zich op 31 juli 1997 op het adres [adres 1] ingeschreven. Vanwege problemen met de buren heeft de gemeente haar op 17 maart 2000 uit de gemeentelijke basisadministratie (gba) uitgeschreven. Eiseres verbleef regelmatig op de [adres 1], maar woonde soms ook bij haar ouders. Voorts verbleef zij af en toe bij haar echtgenoot. Er zijn mensen, onder wie haar echtgenoot en haar boekhouder, die kunnen verklaren dat zij in 2003 op [adres 1] woonde. Eiseres had in die woning twee kamers tot haar beschikking en een keuken, die zij met de overige bewoners van de woning - via de Stichting[...] in de woning geplaatste jongeren - deelde.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning [adres 1] niet als hoofdverblijf in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt. Niet aannemelijk is dat eiseres gedurende het jaar 2003 feitelijk in die woning heeft gewoond. Verweerder heeft daartoe erop gewezen dat eiseres sedert 17 maart 2000 in de gba staat ingeschreven op het adres [adres 2], alsmede dat voor eiseres bestemde post in 2003 naar dit adres is gestuurd. Voorts wordt de woning [adres 1] door meerdere derden bewoond.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onder a, Wet IB 2001 - voor zover hier van belang - wordt onder een eigen woning verstaan een gebouw, voor zover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom.

4.2. Op eiseres rust de last aan te tonen dat de woning [adres 1] haar in het jaar 2003 tot hoofdverblijf heeft gediend. Eiseres heeft naar aanleiding van de zitting van 22 november 2006 nadere stukken overgelegd. Het betreft hier vijf aan de politie Haaglanden gerichte brieven van eiseres van 17 december 1999, 6 september 2000, 5 mei 2001, 8 juli 2003 en 15 december 2004, een verzendbewijs van een op 25 januari 2007 aan de afdeling burgerzaken van de gemeente [plaats] gericht aangetekend schrijven, alsmede gelijkluidende brieven van 12 november 2006 en 30 januari 2007 waarin de echtgenoot van eiseres respectievelijk een kennis verklaren dat eiseres tot in het jaar 2004 de hele maand december woonachtig is geweest op [adres 1] te [plaats]. Naar aanleiding van de zitting van 15 februari 2008 heeft eiseres wederom nadere stukken overgelegd. Het betreft hierbij uitsluitend stukken die al eerder zijn overgelegd. Ten slotte heeft eiseres ter zitting van 15 februari 2008 een uittreksel uit de gba met dagtekening 15 februari 2008 overgelegd.

4.3. Met voornoemde nadere stukken is eiseres naar het oordeel van de rechtbank er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de woning [adres 1] haar in het jaar 2003 tot hoofdverblijf heeft gediend. Uit de inhoud van de aan de politie Haaglanden gerichte brieven, die overigens - met uitzondering van de brief van 8 juli 2003 - niet zien op het in geding zijnde belastingjaar 2003, kan niet worden geconcludeerd dat de woning [adres 1] eiseres in 2003 tot hoofdverblijf diende. Aan overlegging van het verzendbewijs van 25 januari 2007 komt geen bewijskracht toe, reeds omdat eiseres geen afschrift(en) heeft overgelegd van hetgeen zij aan de gemeente [plaats] heeft toegezonden. Ook de verklaringen van haar echtgenoot en kennis kunnen eiseres niet baten. De rechtbank laat daarbij wegen dat deze verklaringen niet afkomstig zijn uit een objectieve bron.

De rechtbank overweegt ten slotte dat eiseres ter onderbouwing van haar stelling dat zij door de gemeente op het adres [adres 1] is uitgeschreven geen stukken heeft overgelegd. Aan het vorenstaande kan het ter zitting overgelegde uittreksel uit de gba niet afdoen, nu daaruit slechts kan worden opgemaakt dat eiseres vanaf 17 maart 2000 staat ingeschreven op het adres [adres 2].

4.4. Gesteld noch gebleken is dat de woning [adres 1] op een van de overige in artikel 3.111 Wet IB 2001 genoemde gronden als eigen woning kan worden aangemerkt.

4.5. Verweerder heeft gezien hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen terecht een bedrag van € 5.837 aan hypotheekrente en kosten niet in aftrek toegelaten. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de aanslag op een onjuist bedrag is berekend, dient het beroep van eiseres ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Strik, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.