Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BN7759

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
AWB 07/1737 BELGW
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een vergunning voor het gebruik van grondwater voor het verwarmen van haar appartmentencomplex. In de jaren 2001 tot en met 2004 heeft eiseres meer dan de in de vergunning genoemde hoeveelheid grondwater onttrokken en weer teruggevoerd. Hierover is eiseres grondwaterbelasting verschuldigd, een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1737 BELGW

Uitspraakdatum: 18 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de belastingdienst [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 26 oktober 2006 heeft verweerder aan eiseres over het jaar 2001 een naheffings-aanslag grondwaterbelasting van € 25.218 en een verzuimboete van € 2.521 opgelegd (hierna: ´de naheffingsaanslag´ respectievelijk ´de boete´).

1.2. Op 23 januari 2007 heeft verweerder bij in één geschrift vervatte uitspraken op het op 14 november 2006 ontvangen bezwaarschrift van eiseres, de naheffingsaanslag verminderd met € 819 en de boete met € 82.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij faxbericht van 5 maart 2007, ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door mr. [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [C] en [D].

1.7. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiseres gebruikt grondwater voor de verwarming van het appartementencomplex "[complex]" aan de [adres]. Daartoe hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: Gedeputeerde Staten) op 25 maart 1998 krachtens de Grondwaterwet een vergunning verleend aan [E] voor - kort gezegd - het onttrekken en weer terugvoeren in de bodem van 69.000 kubieke meter grondwater per jaar en het jaarlijks spuien van 1.200 kubieke meter grondwater.

2.2. In de jaren 2001 tot en met 2004 heeft eiseres meer dan de in de vergunning genoemde hoeveelheid grondwater onttrokken en weer teruggevoerd. Deze overschrijding wordt hierna ook aangeduid als: de overschrijding.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2. Eiseres heeft gesteld dat:

- de overschrijding binnen de reikwijdte valt van de in artikel 8, aanhef en onder g, Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) bedoelde vrijstelling (hierna ook: de vrijstelling),

- uit het aangiftebiljet blijkt dat het verweerder bij retourbemaling alleen maar gaat om het verschil tussen onttrekking en terugvoer,

- Gedeputeerde Staten en het openbaar ministerie nooit handhavend hebben opgetreden tegen de voor hen kenbare overschrijding.

3.3. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd bestreden.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 4 Wbm wordt onder de naam grondwaterbelasting een belasting geheven ter zake van het onttrekken van grondwater. De belasting wordt ingevolge artikel 5 Wbm geheven van de houder van een inrichting.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, Wbm wordt grondwaterbelasting berekend over de onttrokken hoeveelheid grondwater, gemeten in kubieke meters. Ingevolge artikel 7 Wbm is grondwaterbelasting verschuldigd op het tijdstip van de onttrekking.

Artikel 8, aanhef en onder g, Wbm (tekst tot 20 december 2007, thans artikel 10, eerste lid, aanhef en onder g, Wbm) bevat een vrijstelling voor grondwaterbelasting voor onttrekkingen ten behoeve van koude- en warmteopslag door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggevoerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken en terugvoeren van water is verleend ingevolge de Grondwaterwet.

4.2. Terecht niet in geschil is dat eiseres in de jaren 2001 tot en met 2004 gold als de belastingplichtige houder van de inrichting waarmee grondwater is onttrokken.

4.3. De vrijstelling ziet op grondwateronttrekkingen op grond van een ingevolge de Grondwaterwet verleende vergunning, niet op onttrekkingen waar geen vergunning voor is gegeven. De overschrijding betreft zonder vergunning onttrokken en teruggevoerd grondwater en valt reeds daarom buiten de reikwijdte van de vrijstelling.

Voorts bieden noch de tekst van de vrijstelling noch de wetsgeschiedenis van de Wbm aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever heeft beoogd de term ´voorwaarden´ in de vrijstelling uit te leggen overeenkomstig de stelling van eiseres, die erop neerkomt dat de vrijstelling - ongeacht de in de vergunning genoemde hoeveelheid, ook bij overschrijding daarvan - dient te worden toepast indien en voor zover het ontrokken grondwater weer wordt teruggevoerd en (overigens) wordt gehandeld in overeenstemming met de bij vergunningverlening gestelde voorwaarden. Het voorgaande geldt ook voor de door eiseres in haar beroepschrift geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis over doel en strekking van de Wbm en over de vrijstelling - die kort gezegd inhouden dat de vrijstelling is ingegeven door het niet zozeer blijvend onttrekken als wel gebruik als medium van grondwater bij zogenaamde koudewarmte opslag en verder betrekking hebben op de algemene doelstelling van de Wbm.

Nu de vrijstelling geldt indien en voor zover op grond van een vergunning grondwater wordt onttrokken en teruggepompt, kan in het midden blijven of, zoals eiseres heeft gesteld, in (het stelsel van) de Grondwaterwet onderscheid wordt gemaakt tussen de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften. Hetzelfde geldt voor de op deze stelling gebaseerde stelling van eiseres dat de vergunde hoeveelheid te onttrekken en terug te pompen grondwater deel uit maakt van de vergunning en slechts de daarvan te onderscheiden voorschriften vallen binnen de reikwijdte van de vrijstelling.

4.4. Eiseres heeft gewezen op het door verweerder gehanteerde aangifteformulier, waar onder punt 3, met het opschrift Berekening grondwaterbelasting retourbemaling in vraag 3a wordt gevraagd naar de onttrokken hoeveelheid grondwater en in vraag 3b naar de teruggevoerde hoeveelheid grondwater, waarna onder 3c, waarbij vermeld staat Grondslag voor de berekening, moet worden aangegeven wat het verschil is. Bij deze vragen staat voorts: Let op! Bij retourbemaling gaat het om onttrekkingen waarbij het water in een gesloten systeem weer volledig wordt teruggevoerd in hetzelfde watervoerend pakket als waaraan het is onttrokken; voor de teruggevoerde hoeveelheid is het tarief nihil.

Deze stelling wordt opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vooropgesteld wordt dat, wanneer het gaat om uitlatingen die niet als een toezegging of goedkeuring zijn op te vatten doch waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet aan het beginsel dat de wet moet worden toegepast in zoverre meer gewicht moet worden toegekend dan aan het vertrouwensbeginsel, dat in de regel de belastingadministratie aan onjuistheden in de voorlichting niet wordt gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had hoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting enige handeling heeft verricht of nagelaten. (verg. HR 9 maart 1988, BNB 1988/148 en HR 3 januari 1990, BNB 1990/148).

Eiseres heeft er terecht op gewezen dat de nadruk in de vraagstelling ligt op het verschil tussen de hoeveelheid ontrokken en teruggevoerd grondwater. Dit wordt versterkt door de geciteerde toelichting. Daarmee behelst de voorlichting op het aangiftebiljet echter niet hetgeen eiseres daar kennelijk in wenst te lezen (namelijk dat geen grondwaterbelasting verschuldigd is voor zover het ontrokken grondwater weer werd teruggevoerd, ongeacht de hoeveelheid en ook bij overschrijding van de vergunde hoeveelheid).

Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt reeds bij gebreke van voorlichting op grond waarvan eiseres in redelijkheid de door haar voorgestane gevolgtrekking kon maken. Niet wordt toegekomen aan de beoordeling of ook overigens is voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.5. Eiseres heeft er voorts op gewezen dat Gedeputeerde Staten en openbaar ministerie op de hoogte waren van de overschrijding en daar niet handhavend tegen hebben opgetreden.

Deze stelling wordt eveneens opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Dit beroep faalt, aangezien geen sprake is van handelen of nalaten van verweerder, dat bij eiseres in redelijkheid de verwachting kon wekken dat zij niet (meer) zou worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag grondwaterbelasting voor de overschrijding, en Gedeputeerde Staten noch openbaar ministerie een bijzondere taak hebben bij de handhaving van de Wbm die kan leiden tot in redelijkheid bij eiseres opgewekt vertrouwen dat verweerder niet tot naheffing zou overgaan.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grondwaterbelasting is verschuldigd over de overschrijding. De naheffingsaanslag en ook de boete zijn terecht opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

4.7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L. de Loor-Alwin, mr. T. van Rij en mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Strik, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.