Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BN4191

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09/862539-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook BN4159 en BN4178

De verdachte heeft feitelijk leidinggegeven aan een bedrijf dat een ambtenaar van het Ministerie van Defensie heeft omgekocht om ervoor te zorgen dat dit bedrijf de opdracht werd gegund om laptops en onderhoudscontracten daarvoor aan Defensie te leveren. Verdachte en zijn mededaders hebben aldus Defensie opgelicht en grote geldbedragen afhandig gemaakt. Ook heeft de verdachte een aantal laptops die aan Defensie toebehoorden, verduisterd.

De verdachte en zijn mededaders hebben aanzienlijke financiële schade aan Defensie berokkend. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij overheidsgeld heeft aangewend om er zelf beter van te worden.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten dat hij kostwinner is van een gezin met minderjarige kinderen en dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, ziet de rechtbank evenwel aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en zal zij aan verdachte een werkstraf van 240 uur opleggen. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/862539-07

Datum uitspraak: 30 december 2008

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1963,

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 maart 2008, 15 december 2008 en

16 december 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr A.M. de Koning, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr J.J. Beliën heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen gevorderd dat de onder de verdachte in zijn woning inbeslaggenomen laptops van het merk Asus worden teruggegeven aan het Ministerie van Defensie en de overige aldaar inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan de verdachte.

De officier van justitie heeft tevens medegedeeld dat hij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

(zaaksdossier 1)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004

te Zoetermeer en/of Den Haag en/of Woerden en/of Utrecht, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of zijn mededader(s)

wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse

identiteit en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Ministerie

van Defensie heeft/hebben bewogen tot afgifte van (een) geldbedrag(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens)

met vorenomschreven oogmerk (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- facturen opgesteld en/of laten opstellen voor te leveren en/of geleverde

laptops terwijl een of meer van de gefactureerde laptops niet werden en/of

zijn geleverd en/of

- facturen opgesteld en/of laten opstellen voor onderhoudscontracten voor

laptops terwijl een of meer van bedoelde laptops niet in het bezit van het

Ministerie van Defensie was/waren en/of terwijl voor een of meer van de

bedoelde laptops reeds onderhoudscontracten was/waren afgesloten en/of

waarvoor reeds fabrieksgarantie was afgegeven en/of

- facturen opgesteld en/of laten opstellen voor het in service nemen van

laptops geleverd door derden terwijl het Ministerie van Defensie geen laptops

geleverd door derden, zoals omschreven in de facturen, in bezit had

waardoor het Ministerie van Defensie werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(zaaksdossier 6)

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 1 maart 2007 te

Zoetermeer en/of Mijdrecht en/of Utrecht en/of Woerden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk 117 laptops (van het merk Asus), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren)

verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door het

afsluiten van een koopovereenkomst tussen het Ministerie van Defensie en [bedrijf 3] onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

Art. 321 Wetboek van Strafrecht

Art. 47 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 1 maart 2007

te Zoetermeer en/of Mijdrecht en/of Utrecht en/of Woerden, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft/hebben

weggenomen 117 laptops (van het merk Asus), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3.

(zaaksdossier 7)

[bedrijf 3] in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot

en met 31 december 2004 te Woerden en/of Utrecht en/of Den Haag en/of

Zoetermeer, in elk geval in Nederland,

(telkens) een ambtenaar, te weten [medeverdachte 3], hoofd verwerving bij het

Personeelscommando van de Koninklijke Landmacht, een gift of belofte heeft

verleend of aangeboden, bestaande die gift of belofte uit het een

(geldelijke) tegemoetkoming ter hoogte van (ongeveer) 785.000,- euro, in elk

geval een (groot) geldbedrag,

teneinde [medeverdachte 3] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn

plicht, (telkens) iets te doen of na te laten,

bestaande uit;

de/het bedrij(f)(ven) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] (om andere dan

zakelijke redenen) te begunstigen ten opzichte van (een) ander(e)

bedrij(f)(ven), en/of (meer in het bijzonder) voornoemd(e) bedrij(f)(ven) de

opdracht te geven tot het leveren van een of meerdere laptops en/of (een)

onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een) andere laptop(s)

en/of

het (tegen meer kosten dan noodzakelijk) geven van (een) opdracht(en) aan

[bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] tot het leveren van een of meerdere

laptops en/of (een) onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een)

andere laptop(s)

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte,

(telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

art. 177 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 51 Wetboek van Strafrecht

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004

te Woerden en/of Utrecht en/of Den Haag en/of Zoetermeer, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) een ambtenaar, te weten [medeverdachte 3], hoofd verwerving bij het

Personeelscommando van de Koninklijke Landmacht, een gift of belofte

heeft/hebben verleend of aangeboden, bestaande die gift of belofte uit het

een (geldelijke) tegemoetkoming ter hoogte van (ongeveer) 785.000,- euro, in

elk geval een (groot) geldbedrag,

teneinde [medeverdachte 3] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn

plicht, (telkens) iets te doen of na te laten

bestaande uit;

de/het bedrij(f)(ven) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] (om andere dan

zakelijke redenen) te begunstigen ten opzichte van (een) ander(e)

bedrij(f)(ven), en/of (meer in het bijzonder) voornoemd(e) bedrij(f)(ven) de

opdracht te geven tot het leveren van een of meerdere laptops en/of (een)

onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een) andere laptop(s)

en/of

het (tegen meer kosten dan noodzakelijk) geven van (een) opdracht(en) aan

[bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] tot het leveren van een of meerdere

laptops en/of (een) onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een)

andere laptop(s);

art. 177 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 sub 1Wetboek van Strafrecht

art 363 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat de dagvaarding op het punt van het derde gedachtestreepje van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig moet worden verklaard nu de omstandigheid in dat derde gedachtestreepje onbegrijpelijk is. Niet duidelijk is wie de genoemde ‘derden’ zijn, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat uit het dossier blijkt waarop de in het derde gedachtestreepje genoemde omstandigheid doelt. In het dossier zijn vier facturen aanwezig van [bedrijf 3] aan het Ministerie van Defensie (verder Defensie) waarin vermeld staat: “In Service genomen laptop systemen geleverd door derde” (dossierpagina 323 e.v. en 383). In het dossier is voorts uitgebreid ingegaan op de vraag wie deze “derden” zouden kunnen zijn. Het is naar het oordeel van de rechtbank dus volstrekt duidelijk waarop het derde gedachtestreepje van het onder 1 tenlastegelegde doelt. De verdachte heeft er op ter terechtzitting van 15 en 16 december 2008 overigens ook blijk van gegeven dat voor hem helder was waar hij - ook op dit punt - van werd verdacht.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Overweging ten aanzien van de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2]

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die door de verdachte en zijn [medeverdachte 2] bij de Koninklijke Marechaussee zijn afgelegd kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Uit de processen-verbaal van verhoor van de verdachten, met name gelezen in verband en samenhang met het nader opgemaakt proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee ten aanzien van [medeverdachte 2] met nummer [nummer] blijkt niet dat sprake was van een ongeoorloofde sturende wijze van ondervragen of dat de verdachten dermate onder druk zijn gezet dat zij niet meer in vrijheid konden verklaren. [medeverdachte 2] heeft zijn verklaring bovendien bij de rechter-commissaris bevestigd. Deze verklaringen vinden ook steun in de overige door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd en die op belangrijke punten afwijkt van de verklaringen zoals verdachte die bij de Marechaussee heeft afgelegd zal de rechtbank terzijde stellen, nu zij, anders dan de verklaringen bij de Marechaussee, niet wordt ondersteund door de stukken van het dossier.

Overwegingen ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat vrijspraak moet volgen voor het onder 1 tenlastegelegde nu er geen sprake is van (medeplegen van) oplichting van Defensie. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

De verdachte heeft zich niet wederrechtelijk bevoordeeld, maar enkel via zijn bedrijven winst gemaakt. Voorts heeft de verdachte geen oplichtingshandelingen verricht. De niet geleverde laptops stonden op afroep klaar voor Defensie, de onderhoudscontracten werden op de gebruikelijke wijze afgesloten en laptops die door derden zijn geleverd konden door een andere partij, in casu [bedrijf 3], in service worden genomen.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte en zijn mededaders wederrechtelijk voordeel hebben genoten van de handelingen zoals tenlastegelegd onder het eerste onder feit 1 vermelde gedachtestreepje. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat het in het bedrijfsleven gebruikelijk is om naast fabrieksgarantie extra servicegarantie in te kopen.

Uit het dossier leidt de rechtbank daarnaast het volgende af:

Tussen Defensie en [bedrijf 3] is op 26 september 2003 een raamovereenkomst afgesloten voor het leveren van laptops voor opleidingen door [bedrijf 3] aan Defensie (p. 145 e.v.). De verdachte was tot 1 oktober 2003 samen met [medeverdachte 2] eigenaar/directeur van [bedrijf 3] en hij heeft zich als directeur en later als aandeelhouder inhoudelijk beziggehouden met de onderhandelingen over de levering van laptops aan Defensie door [bedrijf 3]. In een later stadium is [medeverdachte 2] op de hoogte gebracht. Hij heeft bovenvermelde raamovereenkomst ondertekend namens [bedrijf 3]. [medeverdachte 3] heeft de overeenkomst getekend namens Defensie (o.a. p. 1175, 1236, 1258 e.v.). In deze raamovereenkomst is mede opgenomen dat de helpdesk- en servicediensten door onderaannemer [bedrijf 6] zullen worden uitgevoerd. Als directeur en aandeelhouder van [bedrijf 6] was de verdachte direct betrokken bij de levering van onderhoudscontracten. [medeverdachte 2] heeft de facturen namens [bedrijf 3] opgemaakt.

In totaal zijn er 866 laptops en voorts 2073 onderhoudscontracten à € 249,-- door [bedrijf 3] aan Defensie gefactureerd (p. 184 en 336). Bij [bedrijf 6] zijn door [bedrijf 3] evenwel maar 1094 onderhoudscontracten ingekocht voor € 20,-- per stuk (p. 276 en 341).

Aan Defensie zijn in totaal 748 laptops geleverd (p. 188). In een zeecontainer bij [bedrijf 6] en in een loods van [bedrijf 7] te Amsterdam stonden nog 100 laptops opgeslagen die bestemd waren voor Defensie (p. 2537, 2587 e.v.). Voor deze opgeslagen laptops zijn door [bedrijf 3] onderhoudscontracten afgesloten en aan Defensie gefactureerd voor de duur van twee jaar (p. 217, 278 en 308). Deze onderhoudscontracten zijn dus afgesloten en betaald door Defensie voor laptops die Defensie (nog) niet in bezit had.

In mei 2004 zijn er voorts facturen opgesteld en verzonden aan Defensie voor verlengingen van onderhoudscontracten à € 249,-- voor laptops voor de duur van één jaar (p. 311 e.v.). [medeverdachte 3] heeft namens Defensie aan [bedrijf 3] brieven verzonden met de bestelling voor deze verlengingen (p. 312 e.v.). In 2003 waren op de door [bedrijf 3] aan Defensie in rekening gebrachte laptops echter al onderhoudscontracten afgesloten voor de duur van twee jaar (p. 217, 278 en 308). Deze contracten waren derhalve nog lang niet verlopen toen er nieuwe contracten werden gefactureerd aan Defensie.

In het dossier zijn tevens vier facturen aanwezig van [bedrijf 3] aan Defensie inhoudende kosten voor onderhoudscontracten voor laptops geleverd door derden (p. 323 e.v. en 383). Ook voor deze bestellingen zijn door [medeverdachte 3] brieven geschreven (p. 324 e.v. en 384). In totaal zijn er 325 contracten door [bedrijf 3] gefactureerd. Uit het dossier blijkt dat er slechts 74 door derden geleverde laptops bij de regionale opleidingscentra aanwezig waren (p. 332 e.v.). De overige contracten zijn dus afgesloten voor laptops die niet in het bezit waren van Defensie.

Uit het bovenstaande volgt dat er door de verdachte en zijn mededaders meermalen facturen zijn opgesteld voor Defensie zonder dat daar daadwerkelijke diensten tegenover stonden. Dat zijn oplichtingshandelingen en Defensie is door het betalen van die valselijk opgemaakte facturen bewogen tot de afgifte van geld. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben als respectievelijk aandeelhouder/directeur en directeur van [bedrijf 3] geld verdiend aan de overeenkomst met Defensie en dus ook aan de levering van bovengenoemde onnodige onderhoudscontracten. [medeverdachte 3] heeft, door via zijn bedrijven een beloning van [bedrijf 3] te incasseren, ook aan de overeenkomst geld verdiend (o.a. p. 1236, 1258 e.v.). Aldus hebben verdachte en zijn medeverdachten zich wederrechtelijk bevoordeeld.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd.

Overwegingen ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken nu hij zich de laptops niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij heeft de laptops uitsluitend voor Defensie opgeslagen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Zoals reeds hierboven overwogen zijn er in totaal 866 laptops door [bedrijf 3] - krachtens overeenkomst - aan Defensie gefactureerd; 748 daarvan zijn daadwerkelijk geleverd. In een zeecontainer bij [bedrijf 6] en in een loods van [bedrijf 7] te Amsterdam stonden in maart 2007 nog 100 laptops opgeslagen die bestemd waren voor Defensie. Op verzoek van [medeverdachte 3] zouden de laptops in opslag blijven (p. 1263).

De rechtbank is met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie van oordeel dat de verdachte zich de laptops die in de zeecontainer bij [bedrijf 6], alsook de laptops die bij [bedrijf 7] in Amsterdam waren opgeslagen niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Deze laptops stonden gereed voor levering aan Defensie. De enkele mededeling van een medewerker van [bedrijf 6] dat de zeecontainer “de privé-container” van de verdachte was, is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte zich deze laptops had toegeëigend, temeer omdat de laptops waren ingepakt en er drie jaar niets mee is gedaan.

Ten aanzien van de 5 laptops die bij de verdachte thuis, alsook de 3 uitgepakte laptops die in zijn bedrijf [bedrijf 6] zijn aangetroffen is de rechtbank evenwel van oordeel dat de verdachte zich deze laptops wederrechtelijk heeft toegeëigend. Deze laptops behoorden – mede gelet op de serienummers – tot de partij die bestemd was voor Defensie, waarvoor een factuur aan Defensie was verzonden en waarvoor Defensie had betaald. De laptops behoorden derhalve toe aan Defensie, al had de fysieke levering van de laptops nog niet plaatsgevonden. De verdachte heeft deze laptops uit die partij gehaald, uitgepakt en in zijn woning en in zijn bedrijf gebruikt. De rechtbank volgt de stelling van de verdediging dat deze laptops afkomstig waren uit de servicevoorraad niet, nu verdachte ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard dat de laptops mogelijk tot de partij van Defensie behoorden en hij geen toestemming van Defensie had om deze goederen te gebruiken (p. 661 en 666). Het vorenstaande in aanmerking genomen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Overwegingen ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte feitelijk leiding aan dan wel opdracht heeft gegeven tot - kort gezegd - de omkoping door [bedrijf 3] van [medeverdachte 3], dan wel dat hij, al dan niet met [medeverdachte 2], zelf [medeverdachte 3] heeft omgekocht, zodat vrijspraak voor het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde moet volgen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat aan de verdachte niet kan worden verweten dat [medeverdachte 3] de regels heeft overtreden, dat [medeverdachte 3] niet ergens toe is bewogen nu hijzelf contact heeft gezocht met de verdachte en dat [medeverdachte 3] betaald is voor werkzaamheden die hij heeft verricht.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Zoals reeds overwogen was de verdachte samen met [medeverdachte 2] eigenaar/directeur van [bedrijf 3] en heeft hij zich eerst als directeur/aandeelhouder en later alleen als aandeelhouder intensief beziggehouden met [bedrijf 3]. De verdachte heeft de inleidende gesprekken met [medeverdachte 3] gevoerd over de totstandkoming van de overeenkomst tussen [bedrijf 3] en Defensie. [medeverdachte 3] heeft in zijn functie als hoofd verwerving (senior medewerker verwerving) bij het Personeelscommando van de Koninklijke landmacht aan [bedrijf 3] opdrachten tot de levering aan Defensie van laptops en onderhoudscontracten gegund terwijl [bedrijf 3] nagenoeg geen ervaring had met het leveren van laptops en de prijzen van de laptops en de onderhoudscontracten hoger lagen dan die van andere bedrijven (o.a. p. 28, 217, 2675 e.v.) .

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat in de voorbespreking tussen de verdachte, namens [bedrijf 3], en [medeverdachte 3] is gesproken over een tegemoetkoming voor [medeverdachte 3] voor het gunnen van de opdracht aan [bedrijf 3] en dat het grootste deel van de facturen die door [bedrijf 2] en [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] werden gestuurd facturen betrof die door [medeverdachte 3] werden opgemaakt voor het incasseren van deze beloning. Ook de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 3] facturen op naam van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] in zou sturen met bedragen die aanzienlijk hoger lagen dan gebruikelijk was in de markt (p. 217 en 244 e.v.). [bedrijf 1] en [bedrijf 3] waren eigendom van [medeverdachte 3], die van die bedrijven eveneens directeur was.

Er zijn in de periode dat [bedrijf 3] de laptops en de onderhoudscontracten aan Defensie leverde grote sommen gelds door [bedrijf 3] aan voornoemde bedrijven van [medeverdachte 3] overgemaakt (p. 404 e.v.). De rechtbank is van oordeel dat tegenover slechts een gering deel daarvan daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, namelijk het ‘inspoelen’ van de door [bedrijf 3] aan Defensie te leveren laptops, stonden. De rechtbank merkt daarbij ook op dat de bedongen bedragen voor deze werkzaamheden zeer hoog en niet marktconform waren. Het overige deel van het geld was blijkens de facturen een vergoeding voor geleverde juridische en bedrijfseconomische adviezen. Gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] en de verdachte bij de Marechaussee en het feit dat noch de verdachte, noch zijn medeverdachten op enigerlei wijze aannemelijk hebben kunnen maken dat deze adviezen ooit gegeven zijn of hebben onderbouwd wat deze adviezen inhielden, is de rechtbank van oordeel dat het bij deze bedragen veeleer om een beloning aan [medeverdachte 3] via diens bedrijven voor het gunnen van de order gaat.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [medeverdachte 3] door de belofte dat hij geld zou krijgen en door het ook daadwerkelijk ontvangen van geld voornoemde opdrachten aan [bedrijf 3] heeft gegund. Dat [medeverdachte 3] zelf contact heeft gezocht met de verdachte doet daar niet aan af. Nu de verdachte zich als directeur en aandeelhouder intensief heeft beziggehouden met [bedrijf 3] en bovendien de vooronderhandelingen in persoon heeft gevoerd, heeft hij - naar het oordeel van de rechtbank - in die rol feitelijk leidinggegeven aan de omkoping van [medeverdachte 3].

Vorenstaande in aanmerking genomen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Den Haag en Woerden en Utrecht tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zichzelf en zijn mededaders wederrechtelijk te bevoordelen telkens door listige kunstgrepen het Ministerie van Defensie heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk telkens opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid,

- facturen opgesteld voor onderhoudscontracten voor laptops terwijl sommige van de bedoelde laptops niet in het bezit van het Ministerie van Defensie waren en terwijl voor andere van de bedoelde laptops reeds onderhoudscontracten waren afgesloten en

- facturen opgesteld voor het in service nemen van laptops geleverd door derden terwijl het Ministerie van Defensie geen laptops geleverd door derden, zoals omschreven in de facturen, in bezit had, waardoor het Ministerie van Defensie werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2.

hij in de periode van 1 september 2003 tot en met 1 maart 2007 te Utrecht en/of Woerden, opzettelijk 8 laptops (van het merk Asus), toebehorende aan het Ministerie van Defensie welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten door het

afsluiten van een koopovereenkomst tussen het Ministerie van Defensie en [bedrijf 3] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3.

[bedrijf 3] in de periode van 1 januari 2003 tot en met

1 november 2004 te Woerden en/of Utrecht en/of Den Haag en/of Zoetermeer, een ambtenaar, te weten [medeverdachte 3], hoofd verwerving bij het Personeelscommando van de Koninklijke Landmacht, een gift en belofte heeft verleend en aangeboden, bestaande die gift en belofte uit een geldelijke tegemoetkoming in de vorm van een groot geldbedrag,

teneinde [medeverdachte 3] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten,

bestaande uit;

het bedrijf [bedrijf 3] te begunstigen ten opzichte van andere bedrijven, en meer in het bijzonder voornoemd bedrijf de opdracht te geven tot het leveren van laptops en onderhoudscontracten ten behoeve van die en andere laptops

en

het tegen meer kosten dan noodzakelijk geven van opdrachten aan [bedrijf 3] tot het leveren van laptops en onderhoudscontracten ten behoeve van die en andere laptops

aan welke bovenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 3 primair tenlastegelegde moet worden ontslagen van rechtsvervolging omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De verdachte heeft namelijk verontschuldigbaar gedwaald omtrent het recht omdat [medeverdachte 3] zich voordeed als een betrouwbaar en kundige contractspartner van Defensie, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld bij de verdachte nu hij zelf namens [bedrijf 3] de belofte tot het betalen van de bedragen aan [medeverdachte 3] heeft gedaan en voorts wist dat [bedrijf 3] ook daadwerkelijk grote sommen geld aan [medeverdachte 3] overmaakte teneinde [bedrijf 3] de opdracht te gunnen. Voorts was de verdachte op de hoogte van de te hoge bedragen die door [bedrijf 3] voor de laptops en onderhoudscontracten aan Defensie in rekening werden gebracht. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat verdachte ten aanzien van het recht gedwaald zou hebben. Dat het een ambtenaar verboden is giften aan te nemen, mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd. Evenzeer mag het bestaan van het spiegelbeeld van deze bepaling, het verbod op het beloven en aanbieden van smeergeld aan een ambtenaar, als feit van algemene bekendheid worden beschouwd. Dat verdachte in deze zou zijn afgegaan op adviezen van [medeverdachte 3], zoals de verdediging gesteld heeft, blijkt overigens nergens uit. Onder deze omstandigheden komt verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe.

Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden, is de verdachte strafbaar.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft feitelijk leidinggegeven aan een bedrijf dat een ambtenaar van het Ministerie van Defensie - kort gezegd - heeft omgekocht om ervoor te zorgen dat dit bedrijf de opdracht werd gegund om laptops en onderhoudscontracten daarvoor aan Defensie te leveren. De laptops werden tegen te hoge prijzen geleverd en de tegen niet-marktconforme prijzen afgesloten onderhoudscontracten waren deels overbodig en hadden deels betrekking op niet bestaande laptops. Op deze wijze hebben de verdachte en zijn mededaders Defensie opgelicht en Defensie aldus grote geldbedragen afhandig gemaakt. Ook heeft de verdachte een aantal laptops die aan Defensie toebehoorden, verduisterd.

Aldus handelende hebben de verdachte en zijn mededaders het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen, geschaad en is de integriteit van de overheid aangetast. De burger moet er op kunnen vertrouwen dat beslissingen van de overheid op objectieve gronden worden genomen. De verdachte en zijn mededaders hebben aanzienlijke financiële schade aan Defensie berokkend. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij overheidsgeld heeft aangewend om er zelf beter van te worden. Hij heeft er ter terechtzitting niet of nauwelijks blijk van gegeven het laakbare van zijn gedrag in te zien.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijk strafbaar handelen in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten dat hij kostwinner is van een gezin met minderjarige kinderen en dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 februari 2008 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, ziet de rechtbank evenwel aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en zal zij aan verdachte een werkstraf van na te melden duur opleggen. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals na te melden opleggen.

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gelijk aan de straf die wordt opgelegd aan medeverdachte [medeverdachte 2], hoewel deze naast de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld tevens voor valsheid in geschrift en gebruikmaken van valse geschriften is veroordeeld. De rechtbank is tot deze beslissing gekomen nu de rol van de verdachte in het geheel - met name in het begin - groter is geweest dan die van [medeverdachte 2].

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank gelast teruggave aan het Ministerie van Defensie van de 5 onder de verdachte in zijn woning aan de Orkaden 31 te Utrecht inbeslaggenomen laptops van het merk Asus (met serienummers 45NP06591, 45NP060564, 45NP060555, 44NP072192 en 45NP060595) en teruggave aan de verdachte van de overige aldaar inbeslaggenomen goederen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 51, 57, 177, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

Verduistering;

ten aanzien van feit 3 primair:

Aan een ambtenaar een gift en belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 UREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de van de hem opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 236 uren resteren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 118 DAGEN;

in verzekering gesteld op : 27 maart 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 29 maart 2007,

veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 MAANDEN;

bepaalt, dat die straf, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

gelast de teruggave aan het Ministerie van Defensie van de 5 bij de verdachte inbeslaggenomen laptops van het merk Asus (met serienummers 45NP06591, 45NP060564, 45NP060555, 44NP072192 en 45NP060595) en teruggave aan de verdachte van de overige aldaar inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 3 stuks schriftelijke bescheiden

- 2 stuks Jaaropgave

- 1 stuks Salarisspecificatie

- 1 stuks Externe harde schijf

- 1 stuks Belastingpapieren

- 1 stuks Notebook Averatec

- 1 stuks PDA

- 5 stuks Visitekaartjes

- 1 stuks Notebook Laser.

Dit vonnis is gewezen door

mrs E. Rabbie, voorzitter,

A.J.M. Slot en C. Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E. Perquin, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2008.