Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BN4178

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
09/862538-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zie ook BN4159 en BN4191

Verdachte heeft feitelijk leidinggegeven aan een bedrijf dat een ambtenaar van het Ministerie van Defensie heeft omgekocht om ervoor te zorgen dat dit bedrijf de opdracht werd gegund om laptops en onderhoudscontracten daarvoor aan Defensie te leveren. De laptops werden tegen te hoge prijzen geleverd en de tegen niet-marktconforme prijzen afgesloten onderhoudscontracten waren deels overbodig en hadden deels betrekking op niet bestaande laptops. Op deze wijze hebben de verdachte en zijn mededaders Defensie opgelicht en grote geldbedragen afhandig gemaakt. Ook heeft de verdachte een aantal laptops verduisterd en samen met een mededader meerdere malen valsheid in geschrift gepleegd.

Aldus handelende hebben de verdachte en zijn mededaders het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen, geschaad en is de integriteit van de overheid aangetast. De verdachte en zijn mededaders hebben aanzienlijke financiële schade aan Defensie berokkend. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij overheidsgeld heeft aangewend om er zelf beter van te worden.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten dat hij kostwinner is voor een gezin met minderjarige kinderen en dat hij niet eerder is veroordeeld, ziet de rechtbank aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en zal zij aan verdachte een werkstraf van 240 uur opleggen. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/862538-07

Datum uitspraak: 30 december 2008

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1963,

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 maart 2008, 15 december 2008 en

16 december 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr A. Greve, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr J.J. Beliën heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts met betrekking tot de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen gevorderd dat de vier onder verdachte in zijn woning inbeslaggenomen laptops van het merk Asus worden teruggegeven aan het Ministerie van Defensie.

De officier van justitie heeft tevens medegedeeld dat hij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

(zaaksdossier 1)

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004

te Zoetermeer en/of Den Haag en/of Woerden en/of Utrecht, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans

alleen, (telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of zijn mededader(s)

wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse

identiteit en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Ministerie

van Defensie heeft/hebben bewogen tot afgifte van (een) geldbedrag(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens)

met vorenomschreven oogmerk (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- facturen opgesteld en/of laten opstellen voor te leveren en/of geleverde

laptops terwijl een of meer van de gefactureerde laptops niet werden en/of

zijn geleverd en/of

- facturen opgesteld en/of laten opstellen voor onderhoudscontracten voor

laptops terwijl een of meer van bedoelde laptops niet in het bezit van het

Ministerie van Defensie was/waren en/of terwijl voor een of meer van de

bedoelde laptops reeds onderhoudscontracten was/waren afgesloten en/of

waarvoor reeds fabrieksgarantie was afgegeven en/of

- facturen opgesteld en/of laten opstellen voor het in service nemen van

laptops geleverd door derden terwijl het Ministerie van Defensie geen laptops

geleverd door derden, zoals omschreven in de facturen, in bezit had

waardoor het Ministerie van Defensie werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(zaaksdossier 2)

hij op of omstreeks 8 februari 2004, te Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen,

althans eenmaal (telkens) een of meer geschrift(en), te weten

- vier facturen met de factuurnummers 04510 en/of 04511 en/of 04512 en/of

04513 (d.d. 8 februari 2004)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen-, (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of

valselijk heeft/hebben doen opmaken en/of heeft/hebben doen vervalsen, immers

heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens)

valselijk -immers opzettelijk in strijd met de waarheid- in/op voornoemd(e)

factu(u)r(en) werkzaamheden vermeld en/of doen vermelden -zakelijk

weergegeven-, dat verdachte, en/of zijn mededader(s),

- laptop systemen geleverd door derde in service heeft genomen (te weten in

totaal 325 stuks)

en/of heeft/hebben verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) dat/die

factu(u)r(en) uit naam van het bedrijf [bedrijf 3] opgemaakt

en/of doen opmaken, zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of die ander dat/die factu(u)r(en) vervolgens

ingeleverd/doen inleveren bij het Ministerie van Defensie;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

(zaaksdossier 5)

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 1 maart 2007 te

Zoetermeer en/of Mijdrecht en/of Utrecht en/of Woerden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk 117 laptops (van het merk Asus), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren)

verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door het

afsluiten van een koopovereenkomst tussen het Ministerie van Defensie en [bedrijf 3] onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

Art. 321 Wetboek van Strafrecht

Art. 47 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 1 maart 2007

te Zoetermeer en/of Mijdrecht en/of Utrecht en/of Woerden, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft/hebben

weggenomen 117 laptops (van het merk Asus), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

4.

(zaaksdossier 7)

[bedrijf 3] in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot

en met 31 december 2004 te Woerden en/of Utrecht en/of Den Haag en/of

Zoetermeer, in elk geval in Nederland,

(telkens) een ambtenaar, te weten [medeverdachte 3], hoofd verwerving bij het

Personeelscommando van de Koninklijke Landmacht, een gift of belofte heeft

verleend of aangeboden, bestaande die gift of belofte uit het een

(geldelijke) tegemoetkoming ter hoogte van (ongeveer) 785.000,- euro, in elk

geval een (groot) geldbedrag,

teneinde [medeverdachte 3] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn

plicht, (telkens) iets te doen of na te laten,

bestaande uit;

de/het bedrij(f)(ven) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] (om andere dan

zakelijke redenen) te begunstigen ten opzichte van (een) ander(e)

bedrij(f)(ven), en/of (meer in het bijzonder) voornoemd(e) bedrij(f)(ven) de

opdracht te geven tot het leveren van een of meerdere laptops en/of (een)

onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een) andere laptop(s)

en/of

het (tegen meer kosten dan noodzakelijk) geven van (een) opdracht(en) aan

[bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] tot het leveren van een of meerdere

laptops en/of (een) onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een)

andere laptop(s)

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte,

(telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

art. 177 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 51 Wetboek van Strafrecht

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004

te Woerden en/of Utrecht en/of Den Haag en/of Zoetermeer, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) een ambtenaar, te weten [medeverdachte 3], hoofd verwerving bij het

Personeelscommando van de Koninklijke Landmacht, een gift of belofte

heeft/hebben verleend of aangeboden, bestaande die gift of belofte uit het

een (geldelijke) tegemoetkoming ter hoogte van (ongeveer) 785.000,- euro, in

elk geval een (groot) geldbedrag,

teneinde [medeverdachte 3] (telkens) te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn

plicht, (telkens) iets te doen of na te laten

bestaande uit;

de/het bedrij(f)(ven) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] (om andere dan

zakelijke redenen) te begunstigen ten opzichte van (een) ander(e)

bedrij(f)(ven), en/of (meer in het bijzonder) voornoemd(e) bedrij(f)(ven) de

opdracht te geven tot het leveren van een of meerdere laptops en/of (een)

onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een) andere laptop(s)

en/of

het (tegen meer kosten dan noodzakelijk) geven van (een) opdracht(en) aan

[bedrijf 3] en/of [bedrijf 6] tot het leveren van een of meerdere

laptops en/of (een) onderhoudscontract(en) ten behoeve van die en/of (een)

andere laptop(s);

art. 177 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

art. 47 lid 1 sub 1Wetboek van Strafrecht

art 363 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Overweging ten aanzien van de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de verdachte onder druk is gezet tijdens het afleggen van zijn verklaringen. Hem zou zijn gezegd dat hij naar huis zou mogen als hij een verklaring af zou leggen.

De rechtbank overweegt dat uit de processen-verbaal van verhoor van de verdachte en [medeverdachte 1] met name gelezen in verband en samenhang met het nader opgemaakt proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee ten aanzien van de verdachte met [nummer], in het geheel niet blijkt dat sprake was van een ongeoorloofde sturende wijze van ondervragen of dat verdachte en zijn medeverdachte dermate onder druk zijn gezet dat zij niet meer in vrijheid konden verklaren. De verdachte heeft zijn verklaring bovendien bij de rechter-commissaris bevestigd. Deze verklaringen vinden daarnaast steun in de overige door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die door de verdachte, alsmede de verklaringen die door medeverdachte [medeverdachte 1] bij de Koninklijke Marechaussee zijn afgelegd derhalve kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd en die op belangrijke punten afwijkt van de verklaringen zoals verdachte die bij de Marechaussee heeft afgelegd zal de rechtbank terzijde stellen, nu zij, anders dan de verklaringen bij de Marechaussee, geen steun vindt in de stukken van het dossier. De feiten en omstandigheden zoals ter terechtzitting door de verdachte naar voren zijn gebracht zijn ook overigens niet aannemelijk geworden.

Overwegingen ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat vrijspraak moet volgen voor het onder 1 tenlastegelegde nu er geen sprake is van (medeplegen van) oplichting van het Ministerie van Defensie (verder Defensie). Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich niet wederrechtelijk bevoordeeld, maar enkel via zijn bedrijf winst heeft gemaakt. De verdachte heeft namens [bedrijf 3] gehandeld op verzoek van Defensie en de leveringen en onderhoudscontracten zijn op de door Defensie voorgeschreven wijze uitgevoerd. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de oplichting omdat hij niet betrokken was bij de voorfase en hij slechts uitvoerder was.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte en zijn mededaders wederrechtelijk voordeel hebben genoten van de handelingen zoals tenlastegelegd onder het eerste onder feit 1 vermelde gedachtestreepje. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat het in het bedrijfsleven gebruikelijk is om naast fabrieksgarantie extra servicegarantie in te kopen.

Uit het dossier leidt de rechtbank daarnaast het volgende af:

Tussen Defensie en [bedrijf 3] is op 26 september 2003 een raamovereenkomst afgesloten voor het leveren van laptops voor opleidingen door [bedrijf 3] aan Defensie (p. 145 e.v.). De verdachte is eigenaar/directeur van [bedrijf 3]. [medeverdachte 1] heeft zich eerst als directeur en later (vanaf 1 oktober 2003) als aandeelhouder inhoudelijk beziggehouden met [bedrijf 3]. [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 3] hebben de eerste onderhandelingen gevoerd voor de overeenkomst tussen Defensie en [bedrijf 3]. De verdachte, die toen met vakantie was, is kort nadien van de inhoud van die gesprekken op de hoogte gesteld. Hij heeft als directeur van [bedrijf 3] genoemde overeenkomst ondertekend. [medeverdachte 3] heeft de overeenkomst getekend namens Defensie (o.a. p. 1175, 1236, 1258 e.v.). In deze raamovereenkomst is mede opgenomen dat de helpdesk- en servicediensten door onderaannemer [bedrijf 6] zullen worden uitgevoerd. Als directeur en aandeelhouder van [bedrijf 6] was [medeverdachte 1] direct betrokken bij de levering van onderhoudscontracten. De verdachte heeft de facturen namens [bedrijf 3] opgemaakt.

In totaal zijn er 866 laptops en voorts 2073 onderhoudscontracten à € 249,-- door [bedrijf 3] aan Defensie gefactureerd (p. 184 en 336). Bij [bedrijf 6] zijn door [bedrijf 3] evenwel maar 1094 onderhoudscontracten ingekocht voor € 20,-- per stuk (p. 276 en 341).

Aan Defensie zijn 748 laptops geleverd (p. 188). In een zeecontainer bij [bedrijf 6] en in een loods van [bedrijf 7] te Amsterdam stonden nog 100 laptops opgeslagen die bestemd waren voor Defensie (p. 2537, 2587 e.v.). Voor deze opgeslagen laptops zijn door [bedrijf 3] onderhouds-contracten afgesloten en aan Defensie gefactureerd voor de duur van twee jaar (p. 217, 278 en 308). Deze onderhoudscontracten zijn dus afgesloten en betaald door Defensie voor laptops die Defensie (nog) niet in bezit had.

In mei 2004 zijn er voorts facturen opgesteld en verzonden aan Defensie voor verlenging van onderhoudscontracten à € 249,-- voor laptops voor de duur van één jaar (p. 311 e.v.). [medeverdachte 3] heeft namens Defensie aan [bedrijf 3] brieven (overigens van latere datum) verzonden met de bestelling voor deze verlengingen (p. 312 e.v.). In 2003 waren op de door [bedrijf 3] aan Defensie in rekening gebrachte laptops echter onderhoudscontracten afgesloten voor de duur van twee jaar (p. 217, 278 en 308). Deze contracten waren derhalve nog lang niet verlopen toen er nieuwe contracten werden gefactureerd aan Defensie.

In het dossier zijn tevens vier facturen aanwezig van [bedrijf 3] aan Defensie inhoudende kosten voor onderhoudscontracten voor laptops geleverd door derden (p. 323 e.v. en 383). Ook voor deze bestellingen zijn door [medeverdachte 3] brieven geschreven (p. 324 e.v. en 384). In totaal zijn er 325 contracten door [bedrijf 3] gefactureerd. Uit het dossier blijkt dat er slechts 74 door derden geleverde laptops bij de regionale opleidingscentra aanwezig waren (p. 332 e.v.). De overige contracten zijn dus afgesloten voor laptops die niet in het bezit waren van Defensie.

Uit het bovenstaande volgt dat er door de verdachte en zijn mededaders meermalen facturen zijn opgesteld voor Defensie zonder dat daar daadwerkelijke diensten tegenover stonden. Dat zijn oplichtingshandelingen en Defensie is door het betalen van die valselijk opgemaakte facturen bewogen tot de afgifte van geld. De verdachte is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als medepleger van dit feit. Hij heeft weliswaar niet deelgenomen aan de eerste gesprekken, maar hij heeft zich daarna op geen enkele manier van het geheel gedistantieerd. Integendeel, hij is er blijkens zijn eigen verklaring "vol voor gegaan" en heeft nadere gesprekken gevoerd, de raamovereenkomst getekend en de facturen namens [bedrijf 3] opgesteld.

De verdachte en [medeverdachte 1] hebben als respectievelijk directeur en aandeelhouder/directeur van [bedrijf 3] geld verdiend aan de overeenkomst met Defensie en dus ook aan de levering van bovengenoemde onnodige onderhoudscontracten. [medeverdachte 3] heeft, door via zijn bedrijven een beloning van [bedrijf 3] te incasseren, ook aan de overeenkomst geld verdiend (o.a. p. 1236, 1258 e.v.). Aldus hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich wederrechtelijk bevoordeeld.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd.

Overweging ten aanzien van de slotzinsnede van feit 2

De rechtbank constateert dat de steller van de tenlastelegging hier het oog heeft gehad op het in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde misdrijf, kort gezegd het gebruik maken van vervalste geschriften. Nagelaten is echter ten laste te leggen, zoals in de genoemde delictsomschrijving is opgenomen, dat verdachte de verweten handelingen opzettelijk zou hebben gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft deze omstandigheid in dit geval echter niet tot vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging aanleiding te geven, nu uit de gekozen bewoordingen ('inleveren', 'doen inleveren') blijkt dat de steller van de tenlastelegging onmiskenbaar het oog heeft gehad op opzettelijk handelen. Met andere woorden, niet-opzettelijk (doen) inleveren is niet goed voorstelbaar.

Overwegingen ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken nu hij zich de laptops niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij heeft de laptops uitsluitend voor Defensie opgeslagen en de vier laptops die bij hem thuis zijn aangetroffen heeft hij geleend, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Zoals reeds hierboven overwogen zijn er in totaal 866 laptops door [bedrijf 3] - krachtens overeenkomst - aan Defensie gefactureerd; 748 daarvan zijn daadwerkelijk geleverd. In een zeecontainer bij [bedrijf 6] en in een loods van [bedrijf 7] te Amsterdam stonden in maart 2007 nog 100 laptops opgeslagen die bestemd waren voor Defensie. Op verzoek van [medeverdachte 3] zouden de laptops in opslag blijven (p. 1263).

De rechtbank is met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie van oordeel dat de verdachte zich de laptops die in de zeecontainer bij [bedrijf 6], alsook de laptops die bij [bedrijf 7] in Amsterdam waren opgeslagen niet wederrechtelijk heeft toegeëigend. Deze laptops stonden gereed voor levering aan Defensie.

Ten aanzien van de 4 laptops die bij de verdachte thuis zijn aangetroffen is de rechtbank evenwel van oordeel dat de verdachte zich deze laptops wederrechtelijk heeft toegeëigend. Deze laptops behoorden - mede gelet op de serienummers - tot de partij die bestemd was voor Defensie, waarvoor een factuur aan Defensie was verzonden en waarvoor Defensie had betaald. De laptops behoorden derhalve toe aan Defensie, al had de fysieke levering van de laptops nog niet plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat de 4 laptops die bij hem thuis zijn aangetroffen uit die partij van Defensie afkomstig waren. Aangezien niet blijkt dat verdachte toestemming van Defensie had om de laptops te gebruiken, gaat de rechtbank niet mee in de stelling van verdachte dat hij de laptops slechts geleend had.

Het vorenstaande in aanmerking genomen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Overwegingen ten aanzien van feit 4

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte feitelijk leiding aan dan wel opdracht heeft gegeven tot - kort gezegd - de omkoping door [bedrijf 3] van [medeverdachte 3], dan wel dat hij, al dan niet met [medeverdachte 1], zelf [medeverdachte 3] heeft omgekocht, zodat vrijspraak voor het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde moet volgen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het initiatief tot de overeenkomst tussen Defensie en [bedrijf 3] van [medeverdachte 3] kwam, dat er een geoorloofde overeenkomst is gesloten en dat de bedrijven van [medeverdachte 3] werkzaamheden hebben verricht waarvoor [bedrijf 3] heeft betaald.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Zoals reeds overwogen was de verdachte samen met [medeverdachte 1] eigenaar/directeur van [bedrijf 3]. [medeverdachte 1] heeft de inleidende gesprekken met [medeverdachte 3] gevoerd over de totstandkoming van de overeenkomst tussen [bedrijf 3] en Defensie. De verdachte is van die bespreking op de hoogte gebracht en heeft daarnaar gehandeld. [medeverdachte 3] heeft in zijn functie als hoofd verwerving (senior medewerker verwerving) bij het Personeelscommando van de Koninklijke landmacht aan [bedrijf 3] opdrachten tot de levering aan Defensie van laptops en onderhoudscontracten gegund terwijl [bedrijf 3] nagenoeg geen ervaring had met het leveren van laptops en de prijzen van de laptops en de onderhoudscontracten hoger lagen dan die van andere bedrijven (o.a. p. 28, 217, 2675 e.v.) .

De verdachte heeft verklaard dat in de voorbespreking tussen [medeverdachte 1], namens [bedrijf 3], en [medeverdachte 3] is gesproken over een tegemoetkoming voor [medeverdachte 3] voor het gunnen van de opdracht aan [bedrijf 3] en dat het grootste deel van de facturen die door [bedrijf 2] en Secacom B.V. aan [bedrijf 3] werden gestuurd facturen betrof die door [medeverdachte 3] werden opgemaakt voor het incasseren van deze beloning. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] op naam van [bedrijf 2] en Secacom B.V. facturen in zou sturen met bedragen die aanzienlijk hoger lagen dan gebruikelijk was in de markt (p. 217 en 244 e.v.). Secacom B.V. en [bedrijf 2] waren eigendom van [medeverdachte 3], die van die bedrijven eveneens directeur was.

Er zijn in de periode dat [bedrijf 3] de laptops en de onderhoudscontracten aan Defensie leverde grote sommen geld door [bedrijf 3] aan voornoemde bedrijven van [medeverdachte 3] overgemaakt (p. 404 e.v.). De rechtbank is van oordeel dat tegenover slechts een gering deel daarvan daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, namelijk het 'inspoelen' van de door [bedrijf 3] aan Defensie te leveren laptops, stonden. De rechtbank merkt daarbij ook op dat de bedongen bedragen voor deze werkzaamheden zeer hoog en niet marktconform waren. Het overige deel van het geld was blijkens de facturen een vergoeding voor geleverde juridische en bedrijfseconomische adviezen. Gelet op de verklaring van de verdachte en [medeverdachte 1] bij de Marechaussee en het feit dat noch de verdachte, noch zijn medeverdachten op enigerlei wijze aannemelijk hebben kunnen maken dat deze adviezen ooit gegeven zijn of hebben onderbouwd wat deze adviezen inhielden, is de rechtbank van oordeel dat het bij deze bedragen veeleer om een beloning aan [medeverdachte 3] via diens bedrijven voor het gunnen van de order gaat.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [medeverdachte 3] door de belofte dat hij geld zou krijgen en door het ook daadwerkelijk ontvangen van geld voornoemde opdrachten aan [bedrijf 3] heeft gegund. Dat [medeverdachte 3] zelf contact heeft gezocht met [bedrijf 3] doet daar niet aan af. De verdachte heeft als directeur en aandeelhouder van [bedrijf 3] feitelijk leidinggegeven aan de omkoping van [medeverdachte 3].

Het vorenstaande in aanmerking genomen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Den Haag en Woerden en Utrecht tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zichzelf en zijn mededaders wederrechtelijk te bevoordelen telkens door listige kunstgrepen het Ministerie van Defensie heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk telkens opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid,

- facturen opgesteld voor onderhoudscontracten voor laptops terwijl sommige van de bedoelde laptops niet in het bezit van het Ministerie van Defensie waren en terwijl voor andere van de bedoelde laptops reeds onderhoudscontracten waren afgesloten en

- facturen opgesteld voor het in service nemen van laptops geleverd door derden terwijl het Ministerie van Defensie geen laptops geleverd door derden, zoals omschreven in de facturen, in bezit had, waardoor het Ministerie van Defensie werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2

hij op 8 februari 2004, te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen,

telkens een geschrift, te weten

- vier facturen met de factuurnummers 04510 en 04511 en 04512 en 04513 (d.d. 8 februari 2004)

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader, toen en daar telkens valselijk -immers opzettelijk in strijd met de waarheid- in voornoemde

facturen werkzaamheden vermeld -zakelijk weergegeven-, dat verdachte,

- laptop systemen geleverd door derde in service heeft genomen (te weten in

totaal 325 stuks) en hebben verdachte en zijn mededader telkens die

facturen uit naam van het bedrijf [bedrijf 3] opgemaakt, zulks ter bevestiging van de juistheid van de inhoud,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken en hebben hij, verdachte en die ander die facturen vervolgens

ingeleverd/doen inleveren bij het Ministerie van Defensie.

3.

hij in de periode van 1 september 2003 tot en met 1 maart 2007 te Mijdrecht en/of Woerden, opzettelijk 4 laptops (van het merk Asus), toebehorende aan het Ministerie van Defensie welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten door het afsluiten van een koopovereenkomst tussen het Ministerie van Defensie en [bedrijf 3] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

4.

[bedrijf 3] in de periode van 1 januari 2003 tot en met

1 november 2004 te Woerden en/of Utrecht en/of Den Haag en/of Zoetermeer, een ambtenaar, te weten [medeverdachte 3], hoofd verwerving bij het Personeelscommando van de Koninklijke Landmacht, een gift en belofte heeft verleend en aangeboden, bestaande die gift en belofte uit een geldelijke tegemoetkoming in de vorm van een groot geldbedrag,

teneinde [medeverdachte 3] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten,

bestaande uit;

het bedrijf [bedrijf 3] te begunstigen ten opzichte van andere bedrijven, en meer in het bijzonder voornoemd bedrijf de opdracht te geven tot het leveren van laptops en onderhoudscontracten ten behoeve van die en andere laptops

en

het tegen meer kosten dan noodzakelijk geven van opdrachten aan [bedrijf 3] tot het leveren van laptops en onderhoudscontracten ten behoeve van die en andere laptops

aan welke bovenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft feitelijk leidinggegeven aan een bedrijf dat een ambtenaar van het Ministerie van Defensie - kort gezegd - heeft omgekocht om ervoor te zorgen dat dit bedrijf de opdracht werd gegund om laptops en onderhoudscontracten daarvoor aan Defensie te leveren. De laptops werden tegen te hoge prijzen geleverd en de tegen niet-marktconforme prijzen afgesloten onderhoudscontracten waren deels overbodig en hadden deels betrekking op niet bestaande laptops. Op deze wijze hebben de verdachte en zijn mededaders Defensie opgelicht en Defensie aldus grote geldbedragen afhandig gemaakt. Ook heeft de verdachte een aantal laptops die aan Defensie toebehoorden, verduisterd. Ook heeft de verdachte laptops die aan Defensie toebehoorden verduisterd en samen met een mededader meerdere malen valsheid in geschrift gepleegd en gebruik gemaakt van valse geschriften.

Aldus handelende hebben de verdachte en zijn mededaders het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen, geschaad en is de integriteit van de overheid aangetast. De burger moet er op kunnen vertrouwen dat beslissingen van de overheid op objectieve gronden worden genomen. De verdachte en zijn mededaders hebben aanzienlijke financiële schade aan Defensie berokkend. Hij heeft voorts misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij overheidsgeld heeft aangewend om er zelf beter van te worden. Hij heeft er ter terechtzitting niet of nauwelijks blijk van gegeven het laakbare van zijn gedrag in te zien.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijk strafbaar handelen in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten dat hij kostwinner is voor een gezin met minderjarige kinderen en dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 februari 2008 niet eerder is veroordeeld, ziet de rechtbank aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en zal zij aan verdachte een werkstraf van na te melden duur opleggen. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals na te melden opleggen.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal teruggave aan het Ministerie van Defensie gelasten van de onder de verdachte in zijn woning inbeslaggenomen laptops van het merk Asus (serienummers 45NP062195, 45NP0606566, 45NP059184 en 45NP060556) en teruggave aan de verdachte van de overige aldaar inbeslaggenomen goederen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 51, 57, 177, 225, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 primair:

Verduistering

ten aanzien van feit 4 primair

Aan een ambtenaar een gift en belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 UREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de van de hem opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 236 uren resteren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 118 DAGEN;

in verzekering gesteld op : 27 maart 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 29 maart 2007,

veroordeelt de verdachte voorts tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 MAANDEN;

bepaalt, dat die straf, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechtbank gelast teruggave aan het Ministerie van Defensie van de bij de verdachte in zijn woning inbeslaggenomen laptops van het merk Asus (serienummers 45NP062195, 45NP0606566, 45NP059184 en 45NP060556) en teruggave aan de verdachte van de overige aldaar inbeslaggenomen goederen .

Dit vonnis is gewezen door

mrs E. Rabbie, voorzitter,

A.J.M. Slot en C. Royakkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.E. Perquin, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 december 2008.