Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BM6758

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2008
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
08/3083
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE, nevenzittingsplaats BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3083

Uitspraakdatum: 23 oktober 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Goes,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna belanghebbende en inspecteur genoemd.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 februari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2008 te Bergen op Zoom.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is geboren in 1943 en ontving in 2003 een WAO-uitkering. In zijn aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over 2003 heeft belanghebbende een bedrag van € 6.628 aan ziektekosten als buitengewone uitgaven in aftrek gebracht op zijn inkomen.

2.2.Een groot deel van deze ziektekosten is door de inspecteur uiteindelijk gecorrigeerd in de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar. Deze correctie zag op de door belanghebbende opgevoerde kosten voor de huur van een kamer/appartement bij Hotel-restaurant [X] (hierna: het hotel), van in totaal, met toepassing van de verhogingsfactor van 1,25, € 5.262 .

2.3.Belanghebbende is in het voorjaar van 2003 met ernstige rug- en buikklachten in het ziekenhuis opgenomen. Uit onderzoek bleek dat door een langdurige gasvergiftiging, welke zijn oorzaak vond in een gaslek in de woning van belanghebbende, zich bij belanghebbende osteoporose had ontwikkeld met diverse wervelbreuken en inzakkingen als gevolg. Na ontslag uit het ziekenhuis heeft belanghebbende gedurende een aantal maanden een deel van de dag doorgebracht in het hotel. Het andere deel van de dag was belanghebbende thuis.

2.4.In geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met het verblijf in het hotel, aangemerkt kunnen worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling in de zin van artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend.

2.5.Artikel 6.17 Wet IB 2001 geeft de volgende limitatieve opsomming voor uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling:

a. uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer;

b. uitgaven voor extra gezinshulp;

c. extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet indien zij meer bedragen dan € 113 tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

d. extra uitgaven voor kleding en beddengoed, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de de afstand tussen de woning of de verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer.

2.6.Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten die hij voor het hotel heeft gemaakt gezien moeten worden als uitgaven als genoemd hiervoor in 2.5 onder a. Het verblijf in het hotel moet, aldus belanghebbende, als een verlengstuk worden gezien van zijn behandeling in het ziekenhuis. Voorts kon belanghebbende naar eigen zeggen niet meer normaal functioneren in zijn woning.

2.7. Hetgeen belanghebbende betoogt neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg, dat de door belanghebbende gemaakte kosten in strikte zin geen uitgaven zijn voor genees-, heel- en verloskundige hulp, nu het huisvestingskosten betreft. Voorts heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat van een zodanig nauwe samenhang tussen medische behandeling in een ziekenhuis en het verblijf in het hotel sprake is, dat het verblijf geacht moet worden het verlengstuk te vormen van de medische behandeling in het ziekenhuis. Immers belanghebbende was reeds ontslagen uit het ziekenhuis. De enkele verklaring van een internist dat belanghebbende wegens medische redenen genoodzaakt was in een andere woning te verblijven, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

2.8.Voor zover belanghebbende betoogt dat het hotel gezien moeten worden als een AWBZ-instelling zoals bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder e, Wet IB 2001, is de rechtbank van oordeel dat het hotel niet aangemerkt kan worden als een instelling die is toegelaten om zorg te verlenen in de zin van de AWBZ.

2.9.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 23 oktober 2008 door mr A.A. den Hartog, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 oktober 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.