Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BL9895

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/379 IB/PVV, AWB 08/380 IB/PVV, AWB 08/381 IB/PVV en AWB 08/382 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser exploiteert een taxionderneming in de vorm van een eenmanszaak. Eiser had in de onderhavige jaren een wisselend aantal (2 tot 7 of 8) werknemers in dienst en had maximaal 7 à 8 auto’s tot zijn beschikking. Op de kopieën van de overgelegde ritstaten zijn de vakjes totaal gereden kilometers niet en de vakjes einde dienst en woon- werkverkeer in de meeste gevallen niet ingevuld. Als de ritstaten per auto op datum worden gelegd, onstaat er in samenhang met de vastgelegde begin- en eindstanden per dienst geen sluitende kilometeradministratie. Er zijn hiaten tussen de eindkilometerstanden van laatste ritten en eindkilometerstanden van de dag, tussen eindkilometerstanden van de ene dag en beginkilometerstanden van de volgende dag en tussen beginkilometerstanden van de dag en beginkilometerstanden van eerste ritten. De (kennelijk lege) terugritten van het einde van een rit naar een volgend beginpunt zijn evenmin verantwoord. Deze hiaten variëren van enkele kilometers tot honderden kilometers. Omdat de afstanden woon- werkverkeer in de regel niet zijn ingevuld, is niet na te gaan welke deel van de hiaten op dat verkeer ziet. Een aanziwnlijk aantal waarnemingen van de IVW zijn niet terug te vinden in eisers rittenstaten. [r.o. 4.6 en 4.7].

Volgens de rechtbank dienen de eisen van artikel 127, eerste lid, onder d, van het Besluit Personenvervoer 2000 (mede) te worden aangemerkt als de eisen die aan het bedrijf van eiser kunnen worden gesteld als bedoeld in artikel 52, eerste lid van de AWR. Eiser heeft niet aan deze eisen voldaan. Er is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de omzetten niet (geheel) op redelijke wijze heeft berekend en vermindert deze.

Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat verweerder enig beginsel van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, heeft geschonden. Met betrekking tot de vergrijpboetes overweegt de rechtbank dat sprake is van een samenloop van boeten die tot matiging aanleiding geeft.

Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0943

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 08/379 IB/PVV, AWB 08/380 IB/PVV, AWB 08/381 IB/PVV en AWB 08/382 OB

Uitspraakdatum: 29 oktober 2009

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen en, bij beschikkingen, de volgende vergrijpboeten opgelegd:

- voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer 1]), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.956, alsmede een boete van € 1.000;

- voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer 2]) , berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.701, alsmede een boete van € 5.038;

- voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer 3]), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.680, alsmede een boete van € 16.022;

- over het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer 4]) van € 9.962, alsmede een boete van € 4.981.

Verweerder heeft bij uitspraken op de bezwaarschriften de aanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 15 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 16 januari 2008, beroep ingesteld. De beroepen zijn aangevuld bij brief van 10 maart 2008.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009 te 's-Gravenhage. De zaken AWB 08/379 IB/PVV, AWB 08/380 IB/PVV, AWB 08/381 IB/PVV en AWB 08/382 OB zijn gezamenlijk behandeld.

Namens eiser is daar verschenen mr. A.H.G. Katz. Namens verweerder zijn verschenen mr. C.J.M. Hulsing en [...]

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

De voorzitter heeft, met instemming van partijen, het onderzoek in de zaak geschorst teneinde partijen in staat te stellen met inachtneming van het verhandelde ter zitting alsnog tot overeenstemming te komen. Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 8 april 2009 meegedeeld dat partijen daarin niet zijn geslaagd.

II Feiten

2.1. Eiser exploiteert een taxionderneming in de vorm van een eenmanszaak. Eiser had in de onderhavige jaren een wisselend aantal (2 tot 7 of 8) werknemers in dienst en had maximaal 7 à 8 auto's tot zijn beschikking.

2.2. Bij eiser zijn meerdere chauffeurs in loondienst werkzaam. Eiser is niet aangesloten bij een taxicentrale. Er was sprake van straattaxi's die vanaf standplaatsen klanten oppikten.

2.3. Bij eiser heeft in de periode januari 2005 tot november 2005 een boekenonderzoek plaatsgevonden over de jaren 2001 tot en met 2003. De bevindingen zijn neergelegd in een controlerapport met dagtekening 25 november 2005 (hierna: het rapport). In het rapport, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, is onder meer het volgende vermeld:

"2.6 Ontvangstverantwoording

De omzet wordt geheel per kas ontvangen.

Door belastingplichtige zelf werd een kasboek bijgehouden.

Voor de diensten van procuratiehouder [A] werd fl. 400,- per maand incl. BTW betaald.

In september 2001, vóór de start van de onderneming werd vanuit privé een auto gekocht voor fl.. 12.500. Samen met de WIRA keuring en de kosten van een vergunning is in 2001 in totaal fl.. 18.500,- vanuit privé in de zaak gestort. Hoe dit gefinancierd is, is niet duidelijk. Er was per ultimo 2000 geen banktegoed op naam van dhr. [X]. Dit zal nog worden toegelicht door belastingplichtige. In oktober 2001 werd nog eens fl. 15.000 geleend van familie. Het bedrag werd als contant ontvangen geboekt en er werd geen contract opgemaakt. De aflossing bedroeg f. 1000,- per maand (tevens contant).

2.7 Rittenstaten

De rittenstaten waren bij de administratie aanwezig. Deze voldoen vanaf begin 2002 over het algemeen aan de gestelde eisen; de kilometerstanden per dienst én per rit ; begin- en eindtijd per rit. Op enkele staten was het kenteken niet vermeld. Op de ritstaten van 2001 waren meestal geen kilometerstanden per rit en regelmatig geen kenteken vermeld.

Waar het bij dit bedrijf fout gaat is, dat er op grote schaal forse hiaten in de kilometerstanden tussen de rittenstaten-zijn aangetroffen. Deze hiaten variëren tussen de 30 en 1600 kilometer. Dit in combinatie met het ontbreken van ritstaten over enkele dagen tot enkele weken.

In 2003 bedraagt het aantal auto's 16 stuks. Door het personeel werd onderling vaak van auto gewisseld, hetgeen een onoverzichtelijk beeld geeft. De ritstaten waren in eerste instantie opgeborgen op naam van de chauffeur.

Dit had tot gevolg, dat in eerste instantie niet was vast te stellen of er aansluiting was tussen de staten van één kenteken. Door mij werden alle auto's op kenteken gesorteerd en op datum gelegd. Daarna konden de grote hiaten worden vastgesteld.

Er zijn tevens hiaten tussen de aanschaf van de auto's en de 1e rittenstaat. (bijv. de [...]; aankoopdatum: [datum]2001; 1e rittenstaat: 23-1-2002). Hetzelfde geldt voor het moment van verkoop en de laatste rittenstaat.

2.8 Aanvulling rittenstaten (na afloop onderzoek)

Nadat belastingplichtige via zijn boekhouder geconfronteerd was met de bij het onderzoek aangetroffen hiaten in de rittenstaten, kwam hij tijdens de eindbespreking van het onderzoek op 23 maart 2005 met een map, waarin een toelichting zat op alle hiaten in de rittenstaten. Per kenteken was iedere rittenstaat ingetypt met km standen en werden de door mij vastgestelde gaten toegelicht met opmerkingen als: auto wisseling, schoonmaken, geld brengen en "op zoek auto". Vooral deze autozoekacties consumeerden jaarlijks vele duizenden taxikilometers. Er waren zelfs ritten bij naar Duitsland van 1200 km. Opvallend was tevens dat belastingplichtige deze ritten niet verrichtte in zijn eigen wagen, maar daar regelmatig voor naar steeds een andere chauffeur reed, zijn auto daar parkeerde en met de auto van die chauffeur op zoek naar auto's ging. [Eiser] vond het overigens normaal dat hij de taxi's gebruikte voor dit soort ritten, die niets te maken hebben met het vervoer van personen. De aangeleverde toelichtingen voldoen niet aan de eisen, die worden gesteld aan een kilometeradministratie. De plaats van bestemming en de gevolgde route waren niet vermeld. De toelichting is daarmee onvolledig.

Op 4 oktober 2005 werd [eiser] uitgenodigd ten kantore van de Belastingdienst. Deze uitnodiging had tot doel met hem mee te gaan naar zijn woning om vast te kunnen stellen of en wanneer de toelichtingen op de ritstaten zijn vervaardigd op de computer van belastingplichtige. [Eiser] verklaarde dat dit niet mogelijk was, omdat zijn computer gecrasht was. Hij had geen back-up gemaakt van de bestanden op enige gegevensdrager dan ook.

Tijdens het gesprek op het belastingkantoor dat daarna volgde, verklaarde hij, dat hij elke dag voor iedere auto deze aanvullingen had gemaakt. Dit gebeurde volgens zijn verklaring niet achteraf, maar op de betreffende datum waarop de rit plaatsvond, per auto. (in 2003 waren er 16 auto's in totaal in bedrijf). De laptopcomputer waarop deze administratie was vervaardigd, zou volgens zijn verklaring begin 2004 kapot zijn gegaan. Hij heeft toen niet getracht de gegevens veilig te stellen maar de portable pc zo weggegooid.

Op onze vraag hoe hij de gegevens had uitgeprint als hij geen gegevensdragers had, verklaarde hij, dat hij met de laptop onder de arm naar een belwinkel of universiteit was gegaan om te printen. Dus niet met behulp van een diskette of Cd-rom. Er waren overigens geen bonnetjes bewaard van deze printkosten om dit verhaal te onderbouwen.

Hij verklaarde voorts, dat de prints per jaar waren gemaakt in het jaar waarop ze betrekking hadden. De prints vertoonden echter absoluut geen gebruikssporen (ze zagen er uit of ze de dag voor overhandiging waren uitgeprint).

Op de vraag waarom hij de aanvullende gegevens niet direct bij de administratie had gevoegd bij aanvang van het onderzoek, gaf belastingplichtige als argument, dat ik niet met hem zou hebben willen praten tijdens het boekenonderzoek, hetgeen niet juist is. Tijdens een boekenonderzoek is een belastingplichtige altijd in de gelegenheid zaken toe te lichten of vragen te stellen.

De boekhouder bleek overigens ook niet op de hoogte van het bestaan van deze aanvullende ritstaten.

Op onze vraag hoe één en ander was gegaan in 2004 m.b.t. een aanvullende kilometeradministratie (een jaar dat niet bij dit onderzoek was betrokken), reageerde dhr. [X] nerveus en verward. In eerste instantie verklaarde hij dat hij geen toelichtingen had gemaakt in 2004, daarna verklaarde hij van wel. Op onze vraag waar deze toelichtingen zich dan bevonden, antwoordde hij, dat deze bij de boekhouder waren. Nadat wij aanstalten maakten om deze terstond te gaan ophalen, veranderde hij zijn antwoord weer in: nee ik heb niets bijgehouden.

Enkele uren nadat dhr. [X] was vertrokken werd ik door hem gebeld, met de mededeling dat het toelichtingbestand van 2004 toch bestond en dat het op de computer van zijn jongere broer stond. Deze zou administratieve bijstand hebben verleend in 2004 in de vorm van het bijhouden van aanvullende rittenadministraties voor iedere taxi. Dhr. [X] had tijdens ons voorgaande gesprek die ochtend niets vermeld over administratieve activiteiten van een broer.

Het betreffende bestand werd op schijf die middag afgeleverd op het Belastingkantoor.

Leeftijdanalyse van het bestand gaf aan, dat het in februari 2005 was gemaakt (nadat het boekenonderzoek plaats vond) en niet in de loop van 2004, zoals te doen geloven.

2.9 Waarnemingen

Betreffende het najaar van 2003 is er een lijst met waarnemingen, gedaan door de IVW en de Belastingdienst.

(...).

2.9.1 Conclusie

Er is sprake van een ondeugdelijke/ onbetrouwbare ontvangstverantwoording. Tevens is er geen betrouwbare kilometeradministratie. De naderhand aangeleverde aanvullingen op de rittenstaten ten spijt. Het standpunt van de Belastingdienst is, dat ze achteraf zijn opgemaakt om de tekortkomingen welke tijdens het onderzoek zijn geconstateerd te maskeren.

Zelfs al zouden ze authentiek zijn, voldoen ze niet aan de eisen van een kilometeradministratie.

De ontvangstverantwoording kan derhalve niet dienen als basis voor de winst berekening.

De vele waarnemingen die niet zijn teruggevonden in de rittenstaten en de vele ontbrekende kilometers tussen deze staten, kunnen niet tot een andere conclusie leiden, dan dat er bewust ritten buiten de boeken zijn gehouden.

Uit het bovenstaande volgt dat belastingplichtige niet volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De belastingplichtige is er op gewezen dat bij eventuele procedure deze tekortkomingen-omkering van de bewijslast tot gevolg heeft op grond van artikel 25 of 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Er zal op basis van een door de Belastingdienst gemaakte schatting een omzet worden vastgesteld.

Door mij werd per auto bepaald wat er verreden was in een jaar. Van alle auto's samen werd een jaar kilometrage vastgesteld. Deze telling werd door mij gebruikt om een omzet vast te stellen. Hiervoor wordt een voor de taxibranche gebruikelijke opbrengst per kilometer gehanteerd.

Bij de correcties heb ik mij beperkt tot de aanwezige ritstaten (de eerste en de laatste) ter bepaling van het aantal verreden kilometers. Dus wordt er niet uitgegaan van de aanschaf- en verkoopdatum van een auto."

2.4. Verweerder heeft naar aanleiding van het rapport de volgende correcties aangebracht op de bij aanslagregeling vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2001 tot en met 2003 en heeft op de herrekende grondslagen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor die jaren opgelegd.

tabel 1

Voorts heeft verweerder vergrijpboeten (hierna: vergrijpboeten inkomstenbelasting) opgelegd van 50%.

2.5. Tevens heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 opgelegd ten bedrage van € 9.962. Deze belastingaanslag is mede gebaseerd op correcties 2002 en 2003 van de omzet en het privégebruik auto, zoals weergegeven in 2.4.

Voorts heeft verweerder een vergrijpboete (hierna: vergrijpboete omzetbelasting) opgelegd van 50% van het bedrag van de naheffingsaanslag.

III Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de naheffingsaanslag omzetbelasting en de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd.

3.2. Eiser heeft daartegen aangevoerd:

- In het rapport zijn grote interpretatiefouten gemaakt, waardoor ten onrechte de omzetten over 2001, 2002 en 2003 zijn gecorrigeerd.

- Het onderzoek vertoont gebreken. Zo houdt verweerder geen rekening met ritten die daadwerkelijk zijn uitgevoerd, maar die uiteindelijk geen doorgang hebben gevonden, bijvoorbeeld omdat de chauffeur, eenmaal aangekomen bij de eventuele klant, uiteindelijk de rit tevergeefs heeft gemaakt omdat de klant inmiddels niet meer aanwezig was.

- De waarnemingen en kilometerstanden worden door verweerder anders beoordeeld dan door de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW).

- De administratie voldoet aan de gestelde eisen. De administratie vertoont geen gebreken, althans niet zodanig dat sprake dient te zijn van omkering van de bewijslast.

- Eiser is te goeder trouw geweest bij het voeren van zijn administratie. Verweerder is volledig voorbij gegaan aan de verklaringen van eiser en de boeten zijn ten onrechte opgelegd.

- Door de wijze waarop het boekenonderzoek tot stand is gekomen en omdat met de verklaringen van eiser geen rekening is gehouden, heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

- Het motiveringsbeginsel is geschonden omdat de aanslagen en boeten zodanig zijn gemotiveerd dat zij de beslissing niet kunnen dragen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder onvoldoende bestreden.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, de naheffingsaanslag en de boeten .

3.3. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

IV OVERWEGINGEN

Aanvang van de onderneming

4.1. Eiser heeft gesteld dat hij zijn taxibedrijf sinds 2002 uitoefent. Verweerder heeft gesteld dat eiser zijn onderneming per 1 oktober 2001 is begonnen. Verweerder heeft gesteld dat eiser weliswaar in 2002 zijn taxipapieren heeft gehaald, maar in 2001 zijn bedrijf heeft uitgeoefend onder procuratiehouderschap van een derde. Voorts heeft de controleambtenaar geconstateerd dat eiser in 2002 drie auto's ter beschikking heeft gehad, waarvan de eerste vanaf september 2001. Eiser heeft een en ander niet, althans onvoldoende weersproken. De rechtbank acht het op die grond aannemelijk dat eiser het taxibedrijf per 1 oktober 2001 is begonnen.

Administratieplicht

4.2. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken. Ingevolge het vierde lid van voormeld artikel zijn administratieplichtigen, voor zover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, verplicht de in het eerste lid bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

4.3. Artikel 127, eerste lid, onder d, van het Besluit Personenvervoer 2000 (hierna: BPV) bepaalt:

"De vervoerder die taxivervoer verricht draagt er voor zorg dat terstond voor aanvang en terstond na beëindiging van de rit volledig en naar waarheid een controledocument wordt ingevuld met daarop, voorzover van toepassing de volgende gegevens:

1. de naam en het adres van de vervoerder,

2. de naam van de bestuurder,

3. het kenteken van de auto,

4. de datum en het tijdstip van aankomst en vertrek per rit, vertrek- en aankomstplaats per rit en de kilometerstand per dienst,

5. de aanvang en einde, en afstand en prijs van het vervoer per rit in beladen en onbeladen staat,

6. de rij- en rusttijden van de bestuurder."

4.4. De rechtbank overweegt dat in artikel 127, eerste lid onder d, van het BPV regels omtrent de eisen aan de voor het taxibedrijf te voeren administratie zijn gesteld. Deze eisen dienen (mede) te worden aangemerkt als de eisen die aan het bedrijf van eiser kunnen worden gesteld als bedoeld in artikel 52, eerste lid van de AWR.

4.5. Tot de gedingstukken behoren enkele weekstaten, enkele rittenstaten en een overzicht van wel en niet in de administratie teruggevonden waarnemingen van de IVW. Deze stukken zijn zowel door eiser als verweerder schriftelijk toegelicht en tijdens het onderzoek ter zitting besproken. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.6. De kilometersadministraties van de auto's bestaan uit dagelijkse ritstaten die per auto door de chauffeurs worden bijgehouden. Hierop worden in vakjes vermeld:

- naam van de bestuurder en zijn geboortedatum;

- datum;

- tijdstippen van aanvang en einde van de diensten en begin- en eindtijden van de pauze(s);

- eind kilometerstand en begin kilometerstand van de dienst;

- rittenvolgnummer;

- vertrektijd rit;

- plaats van vertrek;

- plaats van aankomst;

- betaald bedrag;

- kilometerstand begin- en einde rit.

Op de kopieën van de overgelegde ritstaten zijn de vakjes totaal gereden kilometers niet en de vakjes einde dienst en woon- werkverkeer in de meeste gevallen niet ingevuld.

Als de ritstaten per auto op datum worden gelegd, zou er in samenhang met de vastgelegde begin- en eindstanden per dienst een sluitende kilometeradministratie moeten ontstaan. Er zijn echter hiaten tussen de eindkilometerstanden van laatste ritten en eindkilometerstanden van de dag, tussen eindkilometerstanden van de ene dag en beginkilometerstanden van de volgende dag en tussen beginkilometerstanden van de dag en beginkilometerstanden van eerste ritten. Deze hiaten variëren van enkele kilometers tot honderden kilometers. Omdat de afstanden woon- werkverkeer in de regel niet zijn ingevuld, is niet na te gaan welke deel van de hiaten op dat verkeer ziet. Eiser heeft deze hiaten toegelicht door in algemene bewoordingen te verklaren dat sprake was van autowisseling, schoonmaken, geld brengen en gebruik van auto voor zoeken naar andere auto. Eiser heeft zijn verklaring op geen enkele wijze met stukken of op andere wijze onderbouwd. De hiaten komen zo veelvuldig voor en zijn regelmatig van een dusdanig grote omvang dat de rechtbank het onaannemelijk acht dat de niet verantwoorde kilometers (uitsluitend) zijn verreden voor de door eiser gestelde doeleinden.

Een andere constatering is dat in de ritstaten de (kennelijk lege) terugritten van het einde van een rit naar een volgend beginpunt niet zijn verantwoord. Uit de overgelegde kopieën van de ritstaten is op te maken dat in een aantal gevallen voor terugritten van het eindpunt van een rit naar de volgende standplaats meer kilometers - in een aantal gevallen aanzienlijk meer - zijn geboekt, dan de werkelijke afstanden rechtvaardigen. De verklaring van eiser dat die kilometers in pauzes zijn verreden acht de rechtbank niet afdoende, nu die kilometers lang niet altijd gedurende de op de ritstaten vermelde pauzetijden zijn verreden en die kilometers niet op de ritstaten of anderzins zijn verantwoord.

4.7. Verweerder heeft geconstateerd dat van de 113 waarnemingen van de IVW 48 niet zijn terug te vinden in de rittenadministratie. Verweerder heeft de rechtbank er geen inzicht in gegeven welke waarnemingen niet zouden zijn te traceren. Eiser heeft een aantal van deze mismatches kunnen verklaren. Van een aantal andere mismatches heeft eiser aangegeven dat hij die niet in de rittenadministratie heeft teruggevonden.

4.8. Verweerder heeft voorts gesteld dat eisers administratie ook op andere punten gebreken vertoont. Zo was een in 2003 aangeschafte auto per 31 december 2003 wel aanwezig maar ontbrak deze op de balans, en is de eerste ritstaat van een op 5 november 2001 aangeschafte auto pas op 23 januari 2002 opgemaakt. Eiser heeft deze en andere voorbeelden niet, althans onvoldoende, weersproken en evenmin verklaard.

4.9. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een juiste en controleerbare rittenadministratie, en - nu de omzet uit de rittenadministratie zou moeten blijken - evenmin van een juiste en controleerbare omzetadministratie. Eiser heeft daarmee niet naar de eisen van zijn bedrijf op zodanige wijze een administratie gevoerd, dat hij heeft voldaan aan de eisen van artikel 52, eerste lid, van de AWR. Dat eiser pas op 1 oktober 2001 met zijn onderneming is gestart, doet aan het voorgaande niet af, nu de hiaten van dien aard en van een zodanige omvang zijn, dat deze niet kunnen worden afgedaan als startersfouten. Dat eiser, naar hij stelt, zijn chauffeurs die de ritstaten correct moeten invullen 'niet aan een lijntje heeft', komt voor zijn risico.

Omkering van de bewijslast

4.10. Artikel 27e van de AWR verbindt, voor zover hier van belang, aan het niet voldoen aan de in artikel 52 van de AWR neergelegde verplichtingen de consequentie dat het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt derhalve op de weg van eiser ervan te doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn en dat de de navorderingsaanslagen en de naheffingsaanslag niet in stand kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met al hetgeen hij heeft aangevoerd dat bewijs niet geleverd.

Redelijke schatting?

4.11. Nu sprake is van omkering van de bewijslast dient de rechtbank te toetsen of de navorderingsaanslagen voor de inkomstenbelasting en de naheffingsaanslag voor de omzetbelasting zijn gebaseerd op redelijke schattingen. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Verweerder heeft de omzetten herrekend door per jaar en per auto aan de hand van de begin- en eindstand het aantal verreden kilometers te bepalen. De kilometrages van alle auto's tezamen heeft hij bij elkaar opgeteld en dit aantal heeft hij vermenigvuldigd met een voor de taxibranche gebruikelijke opbrengst per kilometer. Daarvoor heeft hij voor de jaren 2001, 2002 en 2003 km-prijzen van respectievelijk f. 2,--€ 0,90 en € 1,-- aangehouden. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat de door berekende stijging van deze km-prijzen met 11% per jaar niet aannemelijk is en bepleit een km-prijs van circa € 0,75. Hij heeft dit bedrag niet onderbouwd. Verweerder heeft gesteld dat hij de km-prijzen heeft ontleend aan branchegegevens en dat deze bevestiging vinden in de rittenstaten. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde km-prijzen op grond van deze motivering redelijk.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder bij diens berekening van de verreden kilometers verzuimd heeft op de juiste wijze rekening te houden met het privégebruik van de auto's en met het gebruik voor niet-omzetgenererend woon-werkverkeer van de chauffeurs. Verweerder heeft deze stelling niet, althans onvoldoende weersproken. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verweerder de omzetten niet (geheel) op redelijke wijze heeft berekend. Rekening houdend met het voorgaande stelt de rechtbank de schatting van verweerder bij en vermindert zij de omzetcorrecties voor de jaren 2001, 2002 en 2003 tot respectievelijk € 3000, € 17.000 en € 27.000. Dit houdt in dat de belastbare inkomens voor die jaren worden verminderd met respectievelijk € 963, € 5.093 en € 9.494. De herrekende omzetten voor de jaren 2002 en 2003 hebben ook tot gevolg dat de naheffingsaanslag omzetbelasting dient te worden verminderd.

4.12. Eiser heeft geconcludeerd dat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en de naheffingsaanslag omzetbelasting dienen te worden vernietigd. Tegen de correcties inkomstenbelasting 2001 ter zake van entreekosten van € 454 en kleine ondernemersregeling van € 23 alsmede de correctie inkomstenbelasting 2003 ter zake van privégebruik auto van € 8.000 heeft eiser evenwel geen grieven aangevoerd. De correcties zijn in het rapport gemotiveerd. Ook tegen de berekening van de naheffingsaanslag omzetbelasting heeft eiser naast zijn stellingen met betrekking tot de omzetberekening geen grieven aangevoerd. De rechtbank stelt voorop dat de omkering van de bewijslast zich uitstrekt over de gehele aangifte van eiser; vergelijk HR 25 september 2009, nr. 08/04803. De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft doen blijken dat de correcties onjuist zijn en acht voorts de correcties en de berekening van de naheffingsaanslag omzetbelasting redelijk.

4.13. Verweerder heeft de primitieve aanslag voor het jaar 2003 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.484. De navorderingsaanslag voor dat jaar heeft opgelegd naar een een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.680, dat is een bijtelling van € 48.196. In het rapport zijn de in 2.4 vermelde correcties opgenomen. Deze bedragen in totaal € 44.494. Verweerder heeft het verschil van € 3.702 in zijn verweerschrift niet toegelicht en daarvoor, ook desgevraagd, geen verklaring gegeven. Om die reden zal de rechtbank het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2003 met € 3.702 verminderen.

Beginselen van behoorlijk bestuur

4.14. Ter onderbouwing van zijn beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel heeft eiser gesteld dat de ritstaten volgens het rapport vanaf begin 2002 over het algemeen voldoen aan de gestelde eisen. Kennelijk doelt eiser op de eerste alinea van paragraaf 2.7 van het rapport (hiervoor aangehaald onder 2.3.), waar is opgemerkt '[De ritstaten] voldoen vanaf begin 2002 over het algemeen aan de gestelde eisen; de kilometerstanden per dienst en per rit; begin- en eindtijd per rit.' Gelezen in samenhang met de daarop volgende alinea's begrijpt de rechtbank deze eerste alinea aldus dat de ritstaten naar hun inrichting voldoen aan de daaraan te stellen eisen. In de tweede en derde alinea van die paragraaf wordt echter duidelijk aangegeven dat de ritstaten forse hiaten vertonen. Om die reden verwerpt de rechtbank deze grief.

4.15. Ter onderbouwing van zijn beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft eiser gesteld dat in het rapport interpretatiefouten zijn gemaakt, dat daardoor het rapport te zijde moet worden gesteld, en dat het niet kan dienen voor de onderbouwing dat de administratie van eiser ernstige gebreken vertoont. De rechtbank verwerpt deze grief onder verwijzing naar haar hiervoor gegeven oordelen. Ook overigens heeft eiser niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat verweerder enig beginsel van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, heeft geschonden.

Slotsom met betrekking tot de belastbare inkomens

4.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat

- het belastbare inkomen uit werk en woning 2001, dat was vastgesteld op € 21.956, met € 963 (zie 4.11) moet worden verminderd tot € 20.993;

- het belastbare inkomen uit werk en woning 2002, dat was vastgesteld op € 44.701, met € 5.093 (zie 4.11) moet worden verminderd tot € 39.608;

- het belastbare inkomen uit werk en woning 2003, dat was vastgesteld op € 74.680, met € 9.494 (zie 4.11) en € 3.702 (zie 4.12) moet worden verminderd tot € 61.484; en

Slotsom met betrekking tot de omzetbelasting

4.17.Voor de naheffingsaanslag omzetbelasting leidt het voorgaande tot de volgende slotsom.

tabel 2

tabel 3

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de bedragen van deze berekening, behoudens die van de omzet en de daarover verschuldigde belasting, niet in geschil zijn.

Vergrijpboetes

4.18. De vergrijpboeten inkomstenbelasting van 50% zijn opgelegd op grond van artikel 67e van de AWR. De vergrijpboete omzetbelasting van eveneens 50% is opgelegd op grond van artikel 67f van de AWR.

Volgens verweerder had eiser redelijkerwijs moeten begrijpen dat het voeren van een ondeugdelijke administratie tot gevolg kan hebben dat er te weinig belasting zou worden geheven. Er is daarom sprake van (voorwaardelijk) opzet. Daarom acht hij een boete van 50% passend en geboden.

Eiser heeft gesteld dat hij geheel te goeder trouw is, dat uit de feiten het tegendeel niet kan worden afgeleid, dat er geen sprake is van een onvolledige administratie en dat verweerder niet heeft bewezen dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet of grove schuld. Voorts acht eiser de hoogte van de boeten in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4.19. De rechtbank acht op basis van de gedingstukken bewezen dat eiser wist dat zijn rittenadministratie hiaten vertoonde en dat deze daardoor onbetrouwbaar was. Door deze administratie als uitgangspunt te nemen voor de berekening van zijn omzet heeft eiser willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Dit betekent dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Bij het vaststellen van de hoogte van de boete neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser in 2001 met zijn onderneming is begonnen en dat gesteld noch gebleken is dat hij eerder een vergelijkbare boete heeft belopen. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat de (resterende) grondslagen van de navorderingsaanslagen en de naheffingsaanslag zijn vastgesteld met gebruikmaking van omkering van de bewijslast; vergelijk HR 18 januari 2008, nr. 41 832, LJN: BC1962.

Gelet op de ernst van de beboetbare feiten acht de rechtbank met inachtneming van het vorenoverwogene een boete van 30% van de nagevorderde en nageheven bedragen in beginsel passend en geboden.

4.20. De rechtbank overweegt dat de vergrijpboeten inkomstenbelasting 2002 en 2003 en de vergrijpboete omzetbelasting 2002 tot en met 2003 zijn terug te voeren op eenzelfde verwijtbare gedraging, te weten het niet op behoorlijke wijze voldoen aan de administratieve verplichtingen over vermelde jaren. De rechtbank overweegt dat er sprake is van een samenloop van boeten die tot matiging aanleiding geeft; vergelijk HR 10 maart 1993, nr. 28 911, BNB 1993/198. De rechtbank oordeelt dat de boete omzetbelasting om die reden dient te vervallen.

4.21. Sedert de bekendmaking van het rapport van het boekenonderzoek op 25 november 2005 zijn bijna vier jaren verstreken. Om die reden dient een matiging van de boeten plaats te vinden wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Om deze reden stelt de rechtbank de boeten vast op 25%.

4.22. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

V Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 322,- en een wegingsfactor 1,5 voor samenhang).

VI BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.993;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.608;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.484;

- vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 tot een aanslag van € 9.885;

- vermindert de boete inkomstenbelasting 2001 tot 25% van de herrekende navorderingsaanslag voor dat jaar;

- vermindert de boete inkomstenbelasting 2002 tot 25% van de herrekende navorderingsaanslag voor dat jaar;

- vermindert de boete inkomstenbelasting 2003 tot 25% van de herrekende navorderingsaanslag voor dat jaar;

- vernietigt de vergrijpboete omzetbelasting 2002-2003;

- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder de kosten van de beroepen ten bedrage van € 966 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 182 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K.M. Braun mr. J.P.F. Slijpen en mr. D.J. de Korte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.R.M. Dekker.

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2009.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.