Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BI5951

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
298892 / HA ZA 07-3549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Vordering nakoming verzekeringsovereenkomst.

Beroep op verval dekking wegens onjuiste mededelingen? Onvoldoende medewerking aan schade-afwikkeling? Verzekeraar in belang geschaad? Vordering eiser deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 298892 / HA ZA 07-3549

Vonnis van 30 juli 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. A.H. Albertz,

tegen

1. de naamloze vennootschap

GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Gouda,

gedaagde,

procureur mr. R.B. van Beem,

2 de vennootschap onder firma

WESTEINDER ADVIESGROEP,

gevestigd te Aalsmeer,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RONZENDAL & VAN BEMMEL ADVIESGROEP B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

4. de vennootschap onder firma

WBM ADVIESGROEP,

gevestigd te Aalsmeer,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KARLOT HOLDING B.V.,

gevestigd te Kudelstaart,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOPHRATES B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DINO B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

gedaagden,

procureur mr. E. Grabandt.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Goudse (gedaagde sub 1) en Westeinder (gedaagden sub 2 t/m 7) genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 november 2007;

- de conclusie van antwoord van de zijde van De Goudse;

- de conclusie van antwoord van de zijde van Westeinder;

- het tussenvonnis van 23 januari 2008;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 25 april 2008.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen [eiser] als verzekeringnemer en de Goudse als verzekeraar is een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren gesloten door middel van tussenkomst van Westeinder als assurantietussenpersoon.

2.2. In de avond en nacht van 28 op 29 juni 2003 vond in [woonplaats] het zogenaamde Flippofeest plaats, dat werd gehouden in een gehuurde feesttent. Op het feest werd muziek gedraaid door een DJ met eigen apparatuur. In de vroege ochtend van 29 juni 2003 heeft [eiser] als bezoeker van het Flippofeest een poederblusser leeggespoten in de feesttent. Ook andere aanwezigen hadden, voordat [eiser] dat deed, al met poederblussers gespoten. De geluidsapparatuur is door het bluspoeder beschadigd geraakt. De eigenaar van de geluidsapparatuur heeft één van de organisatoren van het feest ([A]) aansprakelijk gesteld voor deze schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van [A], Achmea, heeft de schade vergoed.

2.3 Achmea heeft vervolgens als gesubrogeerd verzekeraar [eiser] aangesproken tot vergoeding van de door haar aan de eigenaar van de apparatuur uitgekeerde schade. [eiser] heeft de aansprakelijkstelling bij Westeinder gemeld via een daartoe door hem ingevuld schadeaangifteformulier gedateerd 20 juli 2003. Op dit schadeaangifteformulier heeft [eiser] ingevuld bij “Oorzaak van de schade / toedracht omschrijving:” “In feest werd brandblusser leeg gespoten dat was gebeurd. Na 15 min. pakte ik een brandblusser en spoot naar de vermoedelijke brandhaard”.

2.4. Westeinder heeft de behandeling van de claim overgedragen aan De Goudse. In opdracht van De Goudse is een (nader) onderzoek ingesteld naar het schadevoorval door [B] + [C]. Laatstgenoemde heeft op 2 maart 2005 gerapporteerd aan De Goudse.

2.5. De Goudse heeft jegens Achmea geen (definitief) standpunt ingenomen met betrekking tot de aansprakelijkheid van [eiser] voor de schade. Achmea heeft op enig moment in het voorjaar van 2005 aan De Goudse bericht dat zij voornemens was om tot dagvaarding van [eiser] over te gaan. Op verzoek van De Goudse heeft Westeinder aan [eiser] laten weten dat hij een door hem te ontvangen dagvaarding zo spoedig mogelijk aan Westeinder moest doorsturen.

2.6. Achmea heeft [eiser] op 21 februari 2006 gedagvaard. De dagvaarding is achtergelaten op het GBA-adres van [eiser]. [eiser] heeft deze dagvaarding niet aan Westeinder of De Goudse toegezonden. Op 29 maart 2006 is [eiser] door de rechtbank ’s Gravenhage bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 41.081,94 aan Achmea, nog te vermeerden met rente en kosten. De advocaat van Achmea heeft op 26 april 2006 een kopie van het verstekvonnis toegezonden aan [eiser]. [eiser] heeft dit vonnis op 3 mei 2006 toegezonden aan Westeinder. Westeinder heeft het vonnis dezelfde dag nog doorgezonden aan De Goudse. [eiser] heeft voorts eigener beweging op 5 mei 2006 een brief gezonden aan de advocaat van Achmea, waarin hij die advocaat verwijst naar Westeinder. Op 8 mei 2006 heeft Westeinder aan [eiser] bericht dat een juridisch adviseur van De Goudse de zaak zal behandelen.

2.7. Bij brief van 18 mei 2006 heeft De Goudse aan [eiser] (onder meer) het volgende laten weten:

“(…) Uit voornoemd schrijven blijkt dat u op 29 maart 2006 bij verstek bent veroordeeld door de Rechtbank in Den Haag om aan Achmea Schadeverzekeringen de uit het voorval op 29 juni 2004 (bedoeld zal zijn: 2003, rechtbank) voortvloeiende schade te betalen.

Wij waren onaangenaam verrast door de inhoud van het schrijven. Reeds op 21 juni 2005 attendeerde onze gevolmachtigde, Westeinder Assuradeuren B.V., u op de mogelijkheid dat Avero Achmea u zou dagvaarden. Tevens verzocht zij u toen om een eventueel door u te ontvangen dagvaarding direct aan haar door te zenden. Nu u hebt nagelaten de dagvaarding, die op 21 februari 2006 door u werd ontvangen, direct naar onze gevolmachtigde door te zenden, zijn wij niet in de gelegenheid gesteld om verweer in deze kwestie te voeren. Bovendien is het, gelet op de verstreken tijd tussen het bij verstek gewezen vonnis en het moment dat onze gevolmachtigde hiervan in kennis werd gesteld niet meer mogelijk het verstek te zuiveren.

Reeds eerder tijdens de behandeling van deze kwestie constateerden wij dat uw medewerking bij de schadebehandeling te wensen overliet. Naar aanleiding hiervan heeft onze gevolmachtigde u op 16 maart 2005 gewezen op de gevolgen dat het niet verlenen van medewerking aan de schadebehandeling voor de polisdekking heeft. Nu is gebleken dat de door u ontvangen dagvaarding niet direct door u werd doorgezonden constateren wij opnieuw dat u de in de polisvoorwaarden opgenomen verplichtingen niet bent nagekomen. (…)

Wij zijn van mening dat door uw handelen in deze onze belangen zijn geschaad. Gelet hierop zijn wij niet bereid om dekking te verlenen voor de geclaimde schade.”

2.8. [eiser] heeft daarop een advocaat ingeschakeld die op 29 juni 2006 een verzetdagvaarding heeft uitgebracht. Bij vonnis van 4 juli 2007 heeft de rechtbank ’s Gravenhage [eiser] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzet. De rechtbank oordeelde dat het verzet te laat is ingesteld nu de brief van 5 mei 2006 van [eiser] aan de advocaat van Achmea moet worden aangemerkt als een daad van bekendheid, zodat de verzettermijn van vier weken op die datum is gaan lopen. Ter gelegenheid van de in deze verzetprocedure gehouden comparitie heeft Achmea aan [eiser] toegezegd niet meer dan € 25.000,= bij [eiser] te zullen innen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Goudse en Westeinder hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan hem van een bedrag van € 25.000,= aan hoofdsom en € 8.199,04 aan advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.

3.2. [eiser] legt - kort gezegd - het volgende ten grondslag aan zijn vordering. Vast staat dat De Goudse en Westeinder Adviesgroep door de brief van 3 mei 2006 van [eiser] op de hoogte zijn gekomen van het verstekvonnis van 29 maart 2006. Dat betekent dat De Goudse en Westeinder op dat moment verzet tegen dit verstekvonnis hadden kunnen instellen. De Goudse heeft bij brief van 18 mei 2006 - ruim twee weken voor het aflopen van de verzettermijn - aan [eiser] laten weten dat de verzettermijn reeds was verlopen. De Goudse en Westeinder hebben onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] nu van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verzekeraar en van een redelijk bekwame en redelijk handelende assurantietussenpersoon mag worden verwacht dat zij de verzekeringnemer tenminste voldoende inlichtingen geven teneinde hem in staat te stellen zijn schade zo veel mogelijk te beperken, zelfs indien die verzekeraar meent of mocht menen dat zij zelf niet langer gehouden is de schade in behandeling te nemen en uit te keren aan haar verzekeringsnemer [eiser]. Het verweer van [eiser] in de verzetprocedure was zeer kansrijk geweest: hij spoot immers zijn blusser pas leeg toen de apparatuur al stilstond. Westeinder en De Goudse hebben bovendien gehandeld in strijd met een rechtsplicht door niet zelf verzet tegen het verstekvonnis in te stellen. [eiser] mocht erop vertrouwen dat de Goudse en namens haar Westeinder op het moment dat zij het verstekvonnis bij brief van 3 mei 2006 ontvingen, nog immer bereid en in staat waren de schade voor hem in behandeling te nemen en uiteindelijk een uitkering aan hem te doen. Ter comparitie heeft [eiser] nog toegevoegd dat zijn vordering (voor wat betreft de hoofdsom) ook is gebaseerd op de nakoming van de verzekeringsovereenkomst.

3.3. De Goudse en Westeinder c.s. voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering tegen De Goudse

Onrechtmatig handelen van de Goudse?

4.1. Volgens [eiser] heeft De Goudse jegens hem onrechtmatig gehandeld door hem - nadat hij het verstekvonnis aan De Goudse had toegestuurd - niet te wijzen op de mogelijkheid van het (tijdig) instellen van verzet en door niet zelf verzet tegen het verstekvonnis in te stellen.

4.2. De rechtbank verwerpt de vordering van [eiser] voor zover deze is gegrond op onrechtmatige daad. [eiser] heeft niet onderbouwd op welke grond - anders dan de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst - De Goudse gehouden zou zijn om [eiser] van juridisch advies te voorzien dan wel de belangen van [eiser] te behartigen door (namens hem) verzet in te stellen tegen het verstekvonnis van 29 maart 2006.

Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst?

4.3. [eiser] baseert zijn vordering voor wat betreft de hoofdsom van € 25.000,= tevens op de nakoming van de tussen [eiser] en De Goudse gesloten verzekeringsovereenkomst.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat deze verzekeringsovereenkomst dekking biedt voor schade als gevolg van wettelijke aansprakelijkheid als de onderhavige. De Goudse voert ten verwere aan dat [eiser] niet heeft voldaan aan de op grond van de polisvoorwaarden op hem rustende verplichting om - kort gezegd - op de juiste wijze aan de schaderegeling mee te werken, op grond waarvan [eiser] zijn recht op dekking heeft verspeeld. De Goudse verwijst daartoe naar art. 7:941 BW en naar artikel 4 van de toepasselijke polisvoorwaarden, dat - voor zover van belang - luidt als volgt:

“Zodra verzekerde kennis draagt van een gebeurtenis die voor de maatschappij tot een verplichting tot uitkering kan leiden, is hij verplicht de maatschappij:

a. zo spoedig mogelijk die gebeurtenis te melden;

b. zo spoedig mogelijk alle gegevens te verstrekken en stukken door te zenden;

c. desverlangd door de maatschappij, een schriftelijke en door hemzelf ondertekende verklaring over te leggen omtrent de oorzaak, de toedracht en de omvang van de schade.

De door verzekerde verstrekte en/of te verstrekken gegevens, zowel mondeling als schriftelijk, zullen (mede) dienen tot vaststelling van de oorzaak, de toedracht en de omvang van de schade, alsmede tot vaststelling van het recht op uitkering;

d. zijn volle medewerking te verlenen en alles na te laten wat de belangen van de maatschappij zou kunnen schaden. (…) De verzekering geeft geen dekking indien de verzekerde een van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de maatschappij heeft geschaad.

4.2. Elk recht op schadevergoeding vervalt indien de verzekerde een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven of een onware opgave heeft gedaan in verband met een ingediende claim.”

Onware opgave van [eiser] met opzet tot misleiden van De Goudse?

4.5. De Goudse voert aan dat de dekking is vervallen op de voet van het hierboven geciteerde artikel 4.2 van de polisvoorwaarden omdat [eiser] aantoonbaar onware verklaringen heeft afgelegd tegenover De Goudse. [eiser] heeft zowel in het schadeaangifteformulier als tegenover de deskundige van [B] + [C] verklaard dat hij met de brandblusser heeft gespoten, omdat hij dacht dat er brand was. De werkelijkheid is echter, aldus De Goudse, dat het spuiten met brandblussers een op het Flippofeest jaarlijks terugkerende baldadige actie was. Voorts heeft [eiser] aantoonbaar in strijd met de waarheid verklaard dat hij de door Achmea uitgebrachte dagvaarding niet heeft ontvangen. Daardoor was De Goudse niet goed in staat om zich een oordeel te vormen over de toedracht en de mogelijke aansprakelijkheid van [eiser], aldus de Goudse.

4.6. Bij de beoordeling van dit verweer staat voorop dat op de voet van artikel 7:941 BW, dat van dwingend recht is, het recht op uitkering bij onjuiste opgave aangaande de toedracht van het voorval slechts vervalt indien sprake is van een onjuiste opgave met het opzet de verzekeraar te misleiden.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan, ook al was het spuiten met brandblussers een bij het Flippofeest behorende jaarlijks terugkerende traditie, niet worden uitgesloten dat [eiser] tijdens het feest waar het in deze procedure om gaat op enig moment in de veronderstelling verkeerde dat er ergens in de tent een brandhaard was. Derhalve staat op basis van hetgeen De Goudse heeft aangevoerd niet vast, dat [eiser] een onware verklaring heeft afgelegd, nog daargelaten de vraag of - zo de verklaring van [eiser] onjuist is - sprake is van opzet om de verzekeraar te misleiden. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de Goudse voor zover gebaseerd op hetgeen [eiser] heeft medegedeeld aangaande de toedracht van het voorval.

4.8. Over het niet-ontvangen van de dagvaarding het volgende. Op zichzelf staat vast dat de door Achmea uitgebrachte dagvaarding op 21 februari 2006 is bezorgd op het adres [adres] te [woonplaats]. Met zijn stelling dat hij de dagvaarding niet heeft ontvangen doelt [eiser] er kennelijk op dat hij niet, althans niet bewust, kennis heeft genomen van deze dagvaarding. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat hij feitelijk op een ander adres verbleef, bovendien tot en met maart 2006 in het buitenland vertoefde en voorts dat hij, voor zover hij op enig moment toch kennis heeft genomen van de dagvaarding, niet heeft begrepen dat het om een dagvaarding ging omdat hij de gebezigde terminologie niet begreep. De rechtbank is van oordeel dat gezien deze stellingen van [eiser] niet kan worden vastgesteld dat hij opzettelijk onjuist heeft verklaard over het niet-ontvangen van de dagvaarding met het doel de verzekeraar te misleiden.

Handelen in strijd met meldingsplicht?

4.9. De Goudse voert voorts ten verwere aan dat [eiser] haar niet tijdig heeft geïnformeerd: [eiser] heeft immers de bij hem uitgebrachte dagvaarding niet doorgestuurd aan haar of aan Westeinder. Bovendien heeft [eiser] niet (voldoende) willen meewerken met het onderzoek en bleek hij slechts na aandringen van De Goudse bereid om de deskundige zeer kort te woord te staan. Tot slot heeft [eiser] verzuimd om aan De Goudse door te geven dat hij op 5 mei 2006 een reactie aan de advocaat van Achmea had gestuurd. Daardoor was De Goudse niet ervan op de hoogte dat de verzettermijn reeds was gaan lopen.

4.10. De rechtbank oordeelt als volgt. [eiser] heeft - naar het oordeel van de rechtbank: terecht - niet bestreden dat op hem op grond van de polis de verplichting rustte om een bij hem uitgebrachte dagvaarding ter zake van een schadevoorval zo spoedig mogelijk door te zenden aan Westeinder of De Goudse. Vast staat dat [eiser] dit heeft nagelaten. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat het feit dat hij geen kennis heeft genomen van de dagvaarding (en deze dus niet heeft doorgestuurd) hem niet kan worden toegerekend omdat hij inmiddels was verhuisd naar het adres van zijn vriendin, faalt dit standpunt nu hij - naar hij zelf ter comparitie heeft verklaard - ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de Gemeentelijke Basis Administratie stond ingeschreven op het adres ([adres] te [woonplaats]) waar de dagvaarding is uitgebracht. [eiser] diende er derhalve rekening mee te houden dat hij post op dit adres zou ontvangen. Naar blijkt uit de in dit geding overgelegde brieven ontving [eiser] ook de post van De Goudse en Westeinder in de betrokken periode op zijn GBA-adres in [woonplaats]. Dat [eiser] de aan hem gerichte post op dit adres niet of niet regelmatig controleerde (zoals [eiser] ter zitting heeft verklaard), komt voor risico van [eiser] zelf. Dit klemt te meer nu Westeinder op verzoek van De Goudse aan [eiser] heeft gevraagd een eventuele dagvaarding zo spoedig mogelijk door te sturen, zodat [eiser] op de ontvangst van een dagvaarding bedacht moest zijn. Voor zover juist is dat [eiser] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding voor langere tijd in het buitenland verbleef, geldt eens te meer dat [eiser] ervoor diende te zorgen dat de aan hem gerichte post op de een of andere wijze werd gecontroleerd. Door de dagvaarding niet door te sturen heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank derhalve gehandeld in strijd met de ingevolge de polis op hem rustende verplichtingen.

4.11. Ter beoordeling staat vervolgens de stelling van [eiser], dat De Goudse door het niet doorsturen van de dagvaarding niet in een redelijk belang is geschaad. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat De Goudse belang had bij het voeren van verweer in de door Achmea aangespannen procedure: partijen zijn het erover eens dat dit verweer kansrijk zou zijn geweest. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de verzettermijn pas is gaan lopen enkele dagen nadat De Goudse het verstekvonnis heeft ontvangen. Voorts geldt dat door het instellen van verzet de oorspronkelijke gedaagde in dezelfde positie komt als hij zou verkeren als hij aanstonds verweer had gevoerd: er vindt immers een voortzetting van de behandeling van de zaak op tegenspraak plaats voor de rechterlijke instantie die bij verstek uitspraak heeft gedaan. Op zich is juist dat een verzekeraar er (enig) belang bij heeft om aanstonds een uitgebrachte dagvaarding te ontvangen en daarop verweer te kunnen voeren en niet geconfronteerd te worden met een verstekvonnis met de daaraan verbonden korte verzettermijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft De Goudse echter onvoldoende onderbouwd dat en waarom zij niet in staat was om op deugdelijke wijze verzet in te stellen in de periode van vier weken die haar in ieder geval nog restte nadat het verstekvonnis haar op 3 mei 2006 bereikte. Uit de inhoud van de hierboven onder 2.7 geciteerde brief van 18 mei 2006 van De Goudse aan [eiser] volgt dat de medewerker van De Goudse die met de behandeling van de kwestie was belast niet of onvoldoende bekend was met de mogelijkheid van het instellen van verzet; in de brief wordt immers slechts vermeld dat het niet meer mogelijk is het verstek te zuiveren. De Goudse heeft in lijn daarmee in het geheel geen stappen ondernomen om verzet te doen instellen. De rechtbank is van oordeel dat van een verzekeraar als De Goudse verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de mogelijkheid van het instellen van verzet, danwel dat zij in staat is om zich daarover (bijvoorbeeld door het raadplegen van een advocaat) op korte termijn te laten voorlichten.

4.12. Op deze grond verwerpt de rechtbank ook het verweer van De Goudse dat [eiser] ten onrechte niet aan De Goudse heeft laten weten dat hij een daad van bekendheid heeft gepleegd: nu De Goudse op geen enkel moment het voornemen heeft gehad om verzet te doen instellen, is De Goudse niet in een nadeliger positie gebracht doordat zij niet op de hoogte was van het moment waarop de verzettermijn ging lopen.

4.13. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat De Goudse in een redelijk belang is geschaad doordat [eiser] - in strijd met de uit de polis voortvloeiende verplichtingen- de dagvaarding niet heeft doorgestuurd, nu De Goudse nog voldoende gelegenheid had verzet in te (doen) stellen tegen dit vonnis en dit als aansprakelijkheidsverzekeraar ook van haar mocht worden verwacht.

4.14. Resteert nog de stelling van De Goudse dat [eiser] onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar de toedracht van de schade. De rechtbank verwerpt ook deze stelling. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] - zij het na aandringen - (al dan niet telefonisch) een gesprek heeft gevoerd met een door De Goudse ingeschakelde deskundige van [B] + [C] naar aanleiding waarvan deze deskundige heeft gerapporteerd. Daarnaast had De Goudse de beschikking over het rapport van Hanselman Expertises B.V. waaruit de toedracht van het voorval blijkt. De Goudse maakt niet duidelijk welke informatie over de toedracht van het ongeval zij nog - nader - van [eiser] had willen vernemen. De Goudse heeft in de periode van ruim een jaar die is verstreken tussen het moment van de ontvangst van de rapportage van [B] + [C] en het ontvangen van het verstekvonnis nooit aan [eiser] laten weten dat zij hetzij nog nadere informatie wenste, hetzij de dekking ontzegde op grond van de gebrekkige medewerking.

Eigen schuld

4.15. Nu de rechtbank aldus van oordeel is dat De Goudse ten onrechte dekking heeft geweigerd, komt aan de orde het verweer van de Goudse dat de door [eiser] gevorderde schade aan zijn eigen gedragingen is toe te rekenen, zodat die schade op grond van artikel 6:101 BW voor zijn eigen rekening dient te blijven. [eiser] had immers, aldus de Goudse, zelf tijdig verzet kunnen instellen tegen het verzetvonnis.

4.16. De rechtbank verwerpt dit verweer voor zover gericht tegen de - naar het oordeel van de rechtbank toewijsbare - vordering tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst. Afdeling 10 van boek 6 BW, waarvan artikel 6:101 BW onderdeel uitmaakt, heeft uitsluitend betrekking op de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en niet op een contractuele verplichting tot schadevergoeding zoals die voortvloeit uit een verzekeringsovereenkomst. Reeds op deze grond komt aan De Goudse geen beroep op dit artikel toe.

4.17. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom van € 25.000,= zal worden toegewezen. De wettelijke rente over dat bedrag is, als onweersproken, toewijsbaar als gevorderd.

Kosten verzetprocedure

4.18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toewijzing van de door [eiser] gevorderde advocaatkosten die zijn gemaakt voor het vergeefs instellen van verzet. Ter comparitie is namens [eiser] uitdrukkelijk te kennen gegeven dat deze vordering (uitsluitend) is gegrond op een onrechtmatig handelen van De Goudse. Zoals hierboven onder punt 4.2 vermeld is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd op welke grond De Goudse onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De Goudse heeft voorts met juistheid opgemerkt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat [eiser] in het door hemzelf ingestelde verzet niet ontvankelijk is verklaard. [eiser] voert immers in de dagvaarding aan dat de oorzaak van het te laat instellen van het verzet is dat hij ten onrechte zijn advocaat niet op de hoogte heeft gesteld van de door hem gepleegde daad van bekendheid.

Proceskosten

4.19. De Goudse zal, als overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op € 814,31 aan vastrecht en € 1.158,= aan kosten procureur.

De vordering tegen Westeinder

4.20. De vordering jegens Westeinder is er op gebaseerd dat op Westeinder als tussenpersoon de verplichting rustte om [eiser] te adviseren over de mogelijkheid om (tijdig) verzet in te stellen tegen het verstekvonnis van 29 maart 2006 en/of om zelf verzet tegen dat vonnis in te stellen danwel te doen instellen.

4.21. De rechtbank verwerpt deze vordering. Tussen partijen is niet in geschil dat Westeinder ten aanzien van het onderhavige evenement de schaderegeling aan De Goudse had overgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank rustte op Westeinder als assurantietussenpersoon derhalve slechts de verplichting het van [eiser] ontvangen verstekvonnis zo spoedig mogelijk aan De Goudse ter kennis te brengen. Aan deze verplichting heeft Westeinder nog op de dag dat zij het verstekvonnis ontving voldaan. Westeinder heeft voorts, toen haar bekend werd dat De Goudse bij brief van 18 mei 2006 de dekking had afgewezen, [eiser] nog aangeraden om zo spoedig mogelijk een advocaat in te schakelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan van Westeinder als tussenpersoon niet meer worden gevergd. Het geven van juridisch advies over de mogelijkheid van het instellen van verzet en de duur van de verzettermijn behoort niet tot de taken van een assurantietussenpersoon; het (namens [eiser]) doen instellen van verzet evenmin.

4.22. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Westeinder begroot op € 730,= aan griffierecht en € 1.158,= aan kosten procureur.

5. De beslissing

De rechtbank:

In de zaak tegen De Goudse

- veroordeelt De Goudse om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 25.000,= met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt De Goudse in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op € 814,31 aan vastrecht en € 1.158,= aan salaris procureur;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak tegen Westeinder

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Westeinder begroot op € 730,= aan griffierecht en € 1.158,= aan kosten procureur.

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2008.