Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BI4216

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
09/755111-03 (beslissing ex artikel 36e SR)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6459, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.272.240,00 en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.272.240,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR)

parketnummer 09/755111-03

's-Gravenhage, 30 januari 2008

Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren te [geboortedatum] 1946 op [geboorteplaats],

adres: [adres]

De vordering.

De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 3.149.893,00.

Het onderzoek ter zitting.

Ter terechtzitting van 16 januari 2008 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 1.748.604,00 en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.

De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsvrouw mr C. Vogtschmidt, advocaat te 's Gravenhage, is verschenen en gehoord.

Beoordeling van de vordering.

De veroordeelde is bij arrest van Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 18 juni 2007, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van deze rechtbank van 16 december 2005, voor zover van belang, veroordeeld terzake van de strafbare feiten:

1.

Oplichting, meermalen gepleegd;

2.

Medeplegen van opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag ontrekken;

3.

Verduistering, meermalen gepleegd;

4.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

5.

Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15a, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

6.

Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechter der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken;

7.

Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers op enige wijze bevoordelen.

In deze zaak heeft de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in het dossier van de strafzaak tegen de veroordeelde. De conclusie van de officier van justitie is, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.748.604,00 bedraagt.

Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van hiervoor genoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist met de bewijsmiddelen, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan deze beslissing zal worden gehecht.

Motivering van de op te leggen maatregel.

De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/755111-03 en 09/017127-04 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de in onderhavige zaak opgemaakte ontnemingsrapportage en de door de officier van justitie en de raadsvrouw van veroordeelde genomen conclusies. De berekening is onder meer gebaseerd op de verklaringen van veroordeelde, schriftelijke bescheiden, waaronder bankafschriften en consignatie-overeenkomsten en getuigenverklaringen. In de rapportage is het wederrechtelijk voordeel per zaaksdossier berekenend. Uit de conclusies blijkt dat de officier van justitie en veroordeelde het eens zijn over de hoogte van het wederrechtelijk voordeel genoemd in de paragrafen 5.1, 5.5 tot en met 5.7.10, 5.7.13, 5.7.14 en 5.7.16 tot en met 5.7.18 van de ontnemingsrapportage. De rechtbank acht het gezien de onderbouwing in de rapportage aannemelijk dat veroordeelde in genoemde zaaksdossiers wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van € 1.592.140,--.

Ten aanzien van de overige zaaksdossiers leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen het navolgende af.

5.2 Onderzoek ZD-02.

De officier van justitie heeft de ontneming gevorderd van het voordeel dat veroordeelde zou hebben genoten als gevolg van de oplichting met betrekking tot het schilderij “[schilderij 1]”.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft gesteld dat de opbrengst van het schilderij “[schilderij 1]” ten goede is gekomen aan de schuldenlast van [veroordeelde] en Partners B.V.. Veroordeelde zou met betrekking tot dit schilderij persoonlijk geen voordeel hebben verkregen uit de oplichting.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de oplichting met betrekking tot het schilderij “[schilderij 1]”. Daartoe overweegt de rechtbank dat de rechtspersoon [veroordeelde] en Partners B.V., waarvan veroordeelde bestuurder en enig aandeelhouder was, vanaf 1998 feitelijk niet meer operationeel was. De betrokken benadeelden hadden over het algemeen de indruk zaken te doen met veroordeelde persoonlijk. Niet is gebleken dat veroordeelde sinds 1998 enige administratie ten behoeve van de vennootschap heeft gevoerd. De in de rapportage genoemde schilderijen zijn niet verwerkt in de administratie van [veroordeelde] en Partners B.V. en veroordeelde heeft geen enkel inzicht gegeven in de geldstromen van die vennootschap. Gelet op deze omstandigheden moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de opbrengst van de verkoop van het schilderij “[schilderij 1]” feitelijk ter beschikking van veroordeelde stond en niet de normale, legale uitoefening van de aan de vennootschap verbonden onderneming diende. Dit betekent dat de rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van paragraaf 5.2. zal uitgaan van een bedrag aan inkomsten van € 102.101,--.

5.3 Onderzoek ZD-03 / ZD-04.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft de berekening van het voordeel niet betwist, maar verzoekt de rechtbank bij de vaststelling van het wederechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met de door het gerechtshof toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van het wederechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met de door het gerechtshof toegewezen vorderingen van de genoemde benadeelde partijen nu tegen dit arrest cassatie is ingesteld en de toewijzing van de beide vorderingen derhalve nog niet onherroepelijk is.

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde ten aanzien van paragraaf 5.3. een bedrag van € 458.318,-- aan inkomsten heeft genoten.

5.4 Onderzoek ZD-04.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft gesteld dat de ontnemingsrapportage met betrekking tot zaaksdossier ZD-04 voor het deel aangaande de schilder [VB] gebaseerd is op informatie met betrekking tot het schilderij “[schilderij 2]”, terwijl een strafbaar feit is gepleegd met het schilderij “[schilderij 3]”. Aangezien er geen verband aannemelijk is geworden tussen de schilderijen dient de ontnemingsvordering ten aanzien van het schilderij van [VB] afgewezen te worden.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, blijkens document 38 uit zaaksdossier ZD-04, het ontnemingsrapport op dit punt is gebaseerd op het schilderij “[schilderij 3]” van [VB]. Dit schilderij is door veroordeelde in consignatie genomen voor een minimale verkoopprijs van fl. 17.000,--. Veroordeelde is door de rechtbank onder meer veroordeeld voor de verduistering van dit schilderij.

Voorts voert de raadsvrouw van veroordeelde aan dat het wederechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde ten aanzien van de schilderijen van [VB], [P] en [H] is berekend door middel van extrapolatie. Uitgaande van de gegevens over de verkoop van de schilderijen van [VBL] en [R] betreft de verhouding tussen de consignatieprijs en de verkoopprijs 99,57%. Op basis van dit percentage heeft de officier van justitie de vermoedelijke verkoopprijs van de overige drie schilderijen berekend. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat, gezien de verhouding tussen de consignatieprijs en de verkoopprijs in de andere zaaksdossiers, een percentage van 99,57% niet representatief is en derhalve niet als uitgangspunt kan worden gebruikt bij de extrapolatie.

Blijkens de rapportage varieert het verkooppercentage van de door veroordeelde in consignatie genomen schilderijen en ligt de verkoopprijs in het merendeel van de gevallen aanzienlijk lager dan de overeengekomen consignatieprijs. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat veroordeelde voor elk van de drie schilderijen een verkoopprijs heeft ontvangen gelijk aan nagenoeg 100% van de consignatieprijs. In het voordeel van de veroordeelde stelt de rechtbank de ondergrens van de verkoopprijs van de betreffende schilderijen vast op 50% van de consignatieprijs zodat het wederechtelijk verkregen voordeel dient te worden verminderd met het meer gevorderde, zijnde € 16.084,00.

Ten slotte voert de raadsvrouw van veroordeelde aan dat ten aanzien van de schilderijen van [P] en [H] de vordering van de benadeelde partij door het gerechtshof is toegewezen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank daarmee rekening te houden bij de vaststelling van het verkregen voordeel.

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank onder 5.3 heeft overwogen aangaande de benadeelde partijen ziet de rechtbank ook in dit zaaksdossier geen aanleiding om met de vordering van de benadeelde partij rekening te houden bij de bepaling van het wederechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat veroordeelde ten aanzien van paragraaf 5.4. een bedrag van € 53.360,-- aan inkomsten heeft genoten.

5.7.11. Onderzoek ZD-07/3.15.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft aangevoerd dat niet aannemelijk is geworden dat de in de rapportage gestelde verkoopprijs betrekking heeft op het schilderij “[schilderij 4]” van [HWM] is. Het schilderij is door [X1] aan veroordeelde in consignatie gegeven en daarvan is een consignatieovereenkomst opgemaakt. De raadsvrouw stelt dat de vermeende koper van het schilderij ([X2]) vier dagen voor het totstandkomen van de genoemde consignatieovereenkomst € 38.571,00 naar haar cliënt heeft overgemaakt. Het is derhalve niet aannemelijk dat die betaling betrekking heeft op het schilderij “[schilderij 4]”.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op de faktuur die veroordeelde aan [X2] heeft gezonden is vermeld dat het schilderij afkomstig is van [X1]. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat de betaling betrekking heeft op het schilderij “[schilderij 4]” van [HWM].

De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat veroordeelde ten aanzien van paragraaf 5.7.11. een bedrag van € 38.571,-- aan inkomsten heeft genoten.

5.7.12. Onderzoek ZD-07/3.17.

De raadsvrouw heeft betoogd dat door de officier van justitie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat haar cliënt schilderijen van [X3] zou hebben verduisterd. Bovendien zou uit het dossier niet blijken welke schilderijen het betreft. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor de ontneming van de gevorderde € 13.000,00 euro.

De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde twee schilderijen van [X3] heeft verduisterd. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de vordering die [X3] bij de curator heeft ingediend blijkt om welke schilderijen het gaat. Daarnaast heeft veroordeelde bij de politie verklaard dat hij niet meer wist welke schilderijen hij in consignatie had van [X3], waaruit volgt dat hij derhalve meer dan één schilderij van [X3] in consignatie had.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat veroordeelde ten aanzien van paragraaf 5.7.12. totaal een bedrag van € 13.000,-- aan inkomsten heeft genoten.

5.7.15. Onderzoek ZD-07/3.20.

Met betrekking tot het schilderij “[schilderij 5]” heeft de raadsvrouw gesteld dat uit het dossier onvoldoende aannemelijk wordt dat haar cliënt ten aanzien van dit schilderij voordeel heeft genoten.

De rechtbank overweegt dat [X4] het voornoemde schilderij aan veroordeelde in consignatie heeft gegeven en dat veroordeelde heeft verklaard dat [X4] nog een schilderij van hem tegoed had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde wederechtelijk voordeel heeft genoten met betrekking tot het schilderij “[schilderij 5]”.

De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat veroordeelde ten aanzien van paragraaf 5.7.15. een bedrag van € 52.750,-- aan inkomsten heeft genoten.

Kosten.

In de ontnemingsrapportage zijn de kosten die veroordeelde heeft gemaakt vastgesteld op € 2.000,-- per zaaksdossier. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde een bedrag van € 38.000,-- aan kosten heeft gemaakt. Het in de rapportage opgevoerde bedrag van € 116.000,-- heeft betrekking op een door veroordeelde verduisterd schilderij genaamd “[schilderij 6]”. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat veroordeelde kosten heeft gemaakt ten aanzien van dit schilderij.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een bedrag van € 38.000,-- aan kosten in mindering brengen op de door veroordeelde genoten inkomsten.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 2.272.240,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank legt aldus een hogere betalingsverplichting op dan het bedrag van € 1.748.604,00 zoals door de officier van justitie – na vermindering – is gevorderd, en overweegt in dit verband als volgt.

In de optelsom die de officier van justitie in de conclusie van repliek heeft gemaakt, is het voordeel dat veroordeelde ter zake van zaaksdossier 07 - besproken in par. 5.7.7. van het ontnemingsrapport – heeft behaald, kennelijk per abuis buiten beschouwing gelaten. Blijkens de gewisselde conclusies en gelet op het verhandelde ter terechtzitting zijn de officier van justitie en de veroordeelde het er evenwel over eens dat het wederrechtelijk genoten voordeel ter zake van deze post € 539.857,00 bedraagt. Nergens blijkt uit dat de officier van justitie deze – onbetwiste - vordering heeft prijsgegeven zodat sprake moet zijn van een kennelijke rekenfout. Aangezien de ontnemingsvordering niet de grondslag doch enkel de aanleiding voor de ontnemingsbeslissing vormt en voorts sprake is van een kennelijke rekenfout, neemt de rechtbank het bedrag van € 539.857,00 mee in de berekening, waarmee het wederrechtelijk genoten in totaal € 2.272.240,00 bedraagt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 2.272.240,00.

De op te leggen betalingsverplichting.

Namens de veroordeelde is gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de draagkracht van de veroordeelde niet toereikend is om aan een veroordeling tot betaling te voldoen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Gelet op de hoogte van de betalingsverplichting en de leeftijd en het inkomen van veroordeelde zal veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel naar redelijke verwachting in ieder geval niet geheel terug kunnen betalen. Veroordeelde heeft evenwel onvoldoende inzicht verschaft in zijn financiële situatie zodat de rechtbank niet kan vaststellen of, en zo ja welk bedrag, veroordeelde zou kunnen betalen. Gezien deze omstandigheid zal de rechtbank bij de vaststelling van de betalingsverplichting geen rekening houden met de draagkracht van veroordeelde.

Voorts heeft de raadsvrouw van veroordeelde betoogd dat art. 6 EVRM is geschonden nu de redelijke termijn van berechting is overschreden en dat om die reden een korting van 10% zou moeten worden toegepast op het bedrag van de ontneming.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Daartoe overweegt de rechtbank dat het vonnis van de rechtbank waarbij veroordeelde is veroordeeld dateert van december 2005 en dat de verdediging zelf om uitstel heeft gevraagd voor het nemen van een conclusie van antwoord.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.272.240,00;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.272.240,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is genomen door

mrs O. van der Burg, voorzitter,

M.E. Honée en G.M.G. Hink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.H. Kielman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2008.