Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BI2533

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
245860 - HA ZA 05-2089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Varkensrechten, artikel 1 Eerste Protocol EVRM /

onrechtmatige wet-/regelgeving, LNV, varkensrechten, onrechtmatige daad, artikel 1 EP, geen individual and excessive burden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 245860 / HA ZA 05-2089

Vonnis van 6 augustus 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur: mr. J.P. Heinrich.

Partijen zullen hierna ook '[eiser]' en 'de Staat' worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 juni 2005;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten en het wettelijk kader

2.1. [eiser] is varkenshouder. Ter uitvoering van zijn voornemen om een nieuw varkensbedrijf te gaan exploiteren op basis van grondgebonden mestproductierechten heeft [eiser]:

- in april of mei 1997 een boerderij in [woonplaats] gekocht met daarbij ongeveer 26 hectaren grond;

- op 6 juni 1997 een perceel grond gekocht van 3 hectaren, 7 aren en 90 centiaren;

- 12 hectaren en 2 aren grond aan het bedrijf toegevoegd door middel van een pachtontbinding;

- 7 hectaren en 74 aren grond gepacht.

2.2. De grondgebonden mestproductierechten die naar de destijds geldende maatstaven op deze gronden rustten boden [eiser] de mogelijkheid om circa 770 vleesvarkens te gaan houden.

2.3. Op 4 juli 1997 heeft [eiser] een bouwvergunning aangevraagd voor een nieuw te bouwen varkensstal, welke vergunning vervolgens ook is verleend.

2.4. Naar aanleiding van een telefonische melding op 9 juli 1997 aan het Bureau Heffingen heeft [eiser] het formulier "overdracht van een geheel bedrijf" toegezonden gekregen.

2.5. Bij brief van 10 juli 1997 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna kortweg 'de minister') zijn beleidsvoornemen tot herstructurering van de varkenssector bekendgemaakt.

2.6. Op 14 juli 1997 zijn de akten van levering gepasseerd inzake de door [eiser] gekochte boerderij en gronden.

2.7. Op of omstreeks 29 juli 1997 heeft [eiser] een milieuvergunning aangevraagd voor het houden van varkens op zijn nieuwe bedrijf. Ook deze vergunning is later verleend.

2.8. De Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) is op 1 september 1998 in werking getreden. Bij deze wet is een stelsel van varkensrechten (en fokzeugenrechten) geïntroduceerd. Ingevolge artikel 15 van de Whv mogen op een bedrijf, kort gezegd, niet méér varkens worden gehouden dan het aan dat bedrijf toegekende varkensrecht toestaat. Het varkensrecht komt op grond van de artikelen 6 en 7 van de Whv in beginsel overeen met het in 1996 dan wel 1995 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, verminderd met 10%.

2.9. Eveneens op 1 september 1998 is het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv) in werking getreden, dat (voornamelijk) is gebaseerd op artikel 25 van de Whv. Op grond van het Bhv kunnen in bepaalde gevallen extra varkensrechten worden toegekend.

2.10. Aan [eiser] zijn (in ieder geval wat betreft zijn nieuwe bedrijf) geen varkensrechten toegekend. [eiser] heeft zich meerdere malen bij het Bureau Heffingen aangemeld als zogeheten hardheidsgeval, om in aanmerking te komen voor varkensrechten op grond van het Bhv. Het Bureau Heffingen heeft die aanmeldingen op 17 november 2000, 14 maart 2002 en 17 juli 2003 afgewezen. Daarbij heeft het Bureau Heffingen zich onder meer op het standpunt gesteld dat [eiser], kort gezegd, niet beschikt over een in het juiste tijdvak aangevraagde of verleende milieuvergunning. Een door [eiser] gevoerde bestuursrechtelijke procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft evenmin geleid tot toekenning van varkensrechten aan [eiser].

2.11. Een door [eiser] ingevulde en ondertekende standaardbrief aan de minister, die is gedateerd op 3 juni 2003 en die kennelijk een bijlage is bij een op 4 juni 2003 gedateerde brief van Area Adviseurs aan de minister, vermeldt, kort gezegd, dat [eiser] onverkort aanspraak blijft maken op schadevergoeding in verband met de Whv en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen.

2.12. De Whv en het Bhv zijn na hun inwerkingtreding diverse malen gewijzigd. Per 1 januari 2006 zijn de Whv en het Bhv komen te vervallen.

2.13. In een onder meer door de vereniging Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) tegen de Staat aanhangig gemaakte procedure betreffende het stelsel van varkensrechten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 16 november 2001 (NJ 2002, 469, hierna kortweg 'het arrest van 16 november 2001'), onder meer het volgende overwogen:

"6.2.2 Art. 1 lid 2 van het Eerste Protocol (bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), toevoeging rechtbank) bepaalt, voorzover hier van belang, dat de bepalingen van het eerste lid op geen enkele wijze het recht aantasten, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Uit het verband tussen dit tweede lid en de overige bepalingen van art. 1, en meer in het bijzonder het beginsel dat ten grondslag ligt aan de eerste volzin daarvan, heeft het EHRM het vereiste afgeleid dat een onder lid 2 vallende inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts toegestaan is, wanneer er een "fair balance" is getroffen tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds.Dit vereist het bestaan van een "reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised", een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee nagestreefd wordt (...). Aan het vereiste van een "fair balance" is niet voldaan, indien er sprake is van een "individual and excessive burden", een individuele en buitensporige last, voor de betrokken persoon (...). Bij deze afweging is mede van belang of de maatregel in strijd is met eerder door de overheid gewekte verwachtingen (...).

Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een "wide margin of appreciation" toe (...). Dat het gestelde doel ook met een lichter middel kan worden bereikt, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de inbreuk ongerechtvaardigd is (...). Wel kan de aanwezigheid van alternatieven worden meegewogen bij de proportionaliteitstoets (...).

(...)

"De wetgever heeft (...) een ingrijpende quoteringsregeling nodig geacht. Bij de beoordeling van de vraag of deze regeling voldoet aan de ingevolge art. 1 te stellen eisen van proportionaliteit, moet in aanmerking worden genomen

- dat deze doelstellingen zwaarwegend zijn;

- dat het in beginsel aan de wetgever is om te beoordelen welke maatregelen ter bereiking van dergelijke doelstellingen noodzakelijk en aanvaardbaar zijn en dat niet gezegd kan worden dat de wetgever met de bestreden maatregelen is getreden buiten de hem terzake toekomende "wide margin of appreciation";

- dat het in beginsel niet ongerechtvaardigd is om de kosten verbonden aan maatregelen ter beperking van schade aan het milieu en andere maatschappelijke belangen voor rekening te laten van de bedrijven die die schade veroorzaken;

- dat de mestproductierechten en de varkensrechten in eerste instantie krachtens de wet aan de varkenshouders zijn toegekend op basis van berekeningen uitgaande van de bestaande omvang van hun bedrijf en in zoverre door de varkenshouders om niet zijn verworven;

- dat (...) art. 25 van de Whv de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde groepen van gevallen, waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of fokzeugenrecht leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels te stellen omtrent een afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten, en hieraan uitvoering is gegeven door middel van het Besluit hardheidsgevallen. Wel hebben NVV c.s. in deze procedure aangevoerd dat de wetgever bij de totstandbrenging van de Whv van onjuiste gegevens is uitgegaan. In het licht van hetgeen - in cassatie tevergeefs bestreden; zie hiervóór, 6.3 - te dien aanzien door het Hof is vastgesteld, kan niet gezegd worden dat, mede in aanmerking genomen de "wide margin of appreciation" die ook in dit opzicht aan de wetgever moet worden gelaten, de wetgever niet tot de quoteringsregeling kon komen.

[..]

7.3 Uit het in 7.2 overwogene volgt dat art. 1 lid 2 van het Eerste Protocol in beginsel geen grond biedt om de Whv buiten toepassing te laten ten aanzien van varkenshouders die door de bestreden maatregelen slechts getroffen zijn in mestproductierechten of varkensrechten die ingevolge de wet aan hen zijn toegekend en die zij niet op andere wijze tegen betaling hebben verworven.

Na verwijzing zal evenwel nog dienen te worden onderzocht of de bestreden maatregelen van de Whv voor één of meer van de eisers tot cassatie sub 2 t/m 8 in verband met bijzondere, niet voor alle varkenshouders geldende, feiten en omstandigheden een "individual and excessive burden" vormen en of de desbetreffende bepalingen van de Whv om die reden voor hen buiten toepassing moeten worden gelaten, althans zolang niet is voorzien in een adequate financiële compensatie. In het bijzonder - maar niet uitsluitend - kan dit het geval zijn, wanneer een varkenshouder wordt getroffen in mestproductie-/varkensrechten die hij tegen betaling heeft verworven, waarbij met name van belang is in hoeverre de Staat verwachtingen heeft gecreëerd, die, bijvoorbeeld, tot uitdrukking zijn gekomen in de prijs waartegen de betrokken rechten zijn verworven.

[..]"

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat de Staat jegens [eiser] onrechtmatig handelt door de Whv vast te stellen en uit te vaardigen zonder te voorzien in vergoeding van de door [eiser] als gevolg daarvan geleden en te lijden schade;

b. de Staat te veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van de door hem als gevolg van het vaststellen en uitvaardigen van de Whv geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente;

c. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2. [eiser] heeft - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.

Op basis van het Bhv komt [eiser] niet in aanmerking voor enig varkensrecht. Aldus wordt hem het recht om op basis van zijn grondgebonden mestproductierechten varkens te houden volledig ontnomen. Dit is in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna 'artikel 1 EP').

Het arrest van 16 november 2001 is in dit geval niet van toepassing omdat dat arrest geen betrekking heeft op grondgebonden mestproductierechten. Er is dan ook wel degelijk sprake van een (al dan niet de facto) "deprivation of possession", een ontneming van eigendom, nu [eiser] op basis van zijn grondgebonden mestproductierechten in het geheel geen varkens meer kan houden.

Voor zover geoordeeld zou worden dat er in dit geval geen sprake zou zijn van een "deprivation of possession", heeft te gelden dat de Staat niet heeft voldaan aan de eisen en voorwaarden die worden gesteld aan een legitieme "regulation of possesion", nu er geen sprake is van een "fair balance" tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. Hierbij is onder meer van belang dat (1) er geen redelijk belang gemoeid is met het beperken van volledig grondgebonden productie, omdat die productie juist milieuhygiënisch verantwoord is, (2) de gevolgen van de onderhavige regelgeving voor [eiser] zeer ingrijpend zijn, nu hem zijn rechten volledig worden ontnomen en zijn investeringen volledig teniet worden gedaan en (3) de Whv in strijd is met eerder door de overheid gewekte verwachtingen over het houden van varkens op basis van grondgebonden mestproductierechten, hetgeen tevens meebrengt dat de invoering van de Whv onrechtmatig was omdat zij niet "foreseeable" was. Bovendien is er sprake van een "individual and excessive burden" voor [eiser]. Ten eerste is er in zijn geval, anders dan bij andere varkenshouders, geen sprake van een generieke korting van 10% en een verval van latente ruimte, maar van een volledig verlies van het recht om op basis van zijn grondgebonden rechten varkens te houden. Ten tweede is van belang dat de situatie van [eiser] zich in principe leent voor toepassing van categorie 3 van het Bhv, nu hij aantoonbaar bezig was om de productiecapaciteit binnen zijn grondgebonden mestproductierechten uit te breiden, en dat hij slechts om "formele redenen" niet voor toepassing van deze categorie in aanmerking is gekomen. Ten derde is van belang dat de schade van [eiser] aanzienlijk is. [eiser] heeft reeds in mei 1997 het rundveebedrijf van zijn buurman gekocht met de bedoeling om op dat bedrijf varkens te houden. Dit bracht omvangrijke investering mee, waaronder een koopsom van € 975.627,-- (exclusief "kosten koper"), een bedrag van € 42.873,-- voor de aanschaf van ammoniakrechten en diverse advieskosten in verband met de milieuvergunning en het bestemmingsplan. [eiser] kon deze investeringen niet meer terugdraaien. Er resteerde voor [eiser] niets dan de aankoop van varkensrechten tegen een prijs die in 1998 ongeveer € 400,-- per varkensrecht bedroeg. Ten vierde is van belang dat het afstoten van de onderhavige gronden voor [eiser] niet mogelijk was, gelet op de ligging van deze gronden en de strategie van zijn bedrijf. Ten vijfde is van belang dat het voor [eiser] niet mogelijk was om in plaats van varkens (bijvoorbeeld) rundvee te gaan houden, mede nu hij varkenshouder is en niet over de kennis beschikt om rundvee te houden. Daarnaast was het voor [eiser] pas in juli 2003 echt duidelijk dat hij niet in aanmerking zou komen voor extra varkensrechten op grond van het Bhv, mede nu over het Bhv lang gedebatteerd is en het Bhv herhaaldelijk is verruimd.

3.3. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De Staat heeft primair betoogd dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. Daartoe heeft de Staat onder meer betwist dat de hiervoor genoemde brief van 3 juni 2003 daadwerkelijk (aangetekend) is verzonden en betoogd dat hij deze brief in ieder geval niet heeft ontvangen.

4.2. Nu de Staat zijn stellingen met betrekking tot de brief van 3 juni 2003 pas in zijn conclusie van dupliek heeft aangevoerd, kunnen deze stellingen niet als vaststaand worden aangenomen zonder eerst [eiser] in de gelegenheid te stellen om op die stellingen te reageren. De rechtbank ziet daarom aanleiding om eerst in te gaan op het subsidiaire verweer van de Staat, dat, kort gezegd, inhoudt dat er geen sprake is van een schending van artikel 1 EP.

4.3. Partijen verschillen in dit verband allereerst van mening over de vraag of de invoering van de Whv, die meebracht dat [eiser] geen varkens kon gaan houden op basis van zijn onder 2.2 bedoelde grondgebonden mestproductierechten, heeft geleid tot een ontneming van eigendom van [eiser] of slechts tot een regulering van zijn eigendom.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de invoering van de Whv slechts heeft geleid tot een regulering van [eiser]' eigendom. Hierbij is doorslaggevend dat de invoering van de Whv niet heeft geleid tot een volledig verlies van de economische waarde van de onderhavige percelen landbouwgrond, dan wel een volledig verlies van de economische waarde van de onderhavige grondgebonden mestproductierechten. Zoals tussen partijen niet in geschil is, kunnen op basis van deze mestproductierechten immers nog wel bepaalde andere dieren dan varkens worden gehouden.

4.5. Nu de invoering van de Whv slechts heeft geleid tot een regulering van [eiser]' eigendom, kan de enkele omstandigheid dat de Staat geen financiële compensatie aan [eiser] heeft verstrekt in verband met het verval van de mogelijkheid om op basis van zijn grondgebonden mestproductierechten varkens te houden, niet de conclusie rechtvaardigen dat het verval van deze mogelijkheid een onrechtmatige daad van de Staat jegens [eiser] oplevert.

4.6. [eiser] stelt zich, naar de rechtbank begrijpt, voorts op het standpunt dat het uitvaardigen van de Whv voor zover deze betrekking heeft op het vervallen van grondgebonden mestproductierechten jegens hem onrechtmatig is, los van de vraag of het vervallen van deze rechten voor hem een "individual and excessive burden" oplevert. [eiser] voert daartoe aan dat het hierboven gedeeltelijk geciteerde arrest van de Hoge Raad van 16 november 2001, NJ 2002, 469, geen betrekking heeft op het vervallen van de latente grondgebonden mestproductierechten. Dit betoog berust op een verkeerde lezing van genoemd arrest en mist doel. In zijn arrest van 16 november 2001 heeft de Hoge Raad blijkens de rechtsoverwegingen 7.2 en 7.3 een oordeel gegeven over de verenigbaarheid van artikel 1 EP en het omzetten van (grondgebonden en niet-grondgebonden) mestproductierechten in varkensrechten (vergelijk het arrest van 21 december 2006 van het gerechtshof 's-Gravenhage, LJN AZ5772, rov. 5.1).

4.7. Dit een en ander brengt mee dat nog slechts de vraag bespreking behoeft of in de omstandigheden van [eiser] sprake is van een "individual and excessive burden". Daarbij gaat het om alle omstandigheden van [eiser]' individuele geval, inclusief de omstandigheden die meer in het algemeen ook voor (alle) andere varkenshouders gelden, zij het dat die laatstgenoemde algemene omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om die conclusie te kunnen dragen (vergelijk het op het arrest van 16 november 2001 volgende arrest na cassatie en verwijzing van 29 augustus 2006 van het gerechtshof Arnhem, LJN AY7535, r.o. 3.5.1).

4.8. Dat [eiser], naar tussen partijen niet in geschil is, anders dan bepaalde groepen andere varkenshouders niet in aanmerking is gekomen voor toepassing van één van de hardheidscategorieën van het Bhv brengt op zichzelf nog niet mee dat er sprake is van een "individual and excessive burden". Ter beoordeling ligt voor of de gevolgen van de invoering van de Whv, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, voor [eiser] een "individual and excessive burden" opleveren. Eén van de in aanmerking te nemen omstandigheden van dit geval is dat [eiser] niet in aanmerking is gekomen voor toepassing van het Bhv. Op welke gronden [eiser] daarvoor niet in aanmerking kwam, is aldus bezien niet relevant. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiser], dat zijn geval zich naar "aard en strekking" wel leent voor toepassing van het Bhv.

4.9. Hetgeen [eiser] heeft aangevoerd over de door hem als gevolg van de invoering van de Whv geleden schade kan evenmin de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van een "individual and excessive burden". Tussen partijen is weliswaar niet in geschil dat [eiser] vóór 10 juli 1997 (in ieder geval) een boerderij en diverse percelen landbouwgrond heeft gekocht met de bedoeling om op basis van grondgebonden mestproductierechten varkens te gaan houden. Evenmin is in geschil dat [eiser] na in werking treding van de Whv geen varkensrechten heeft gekregen ter vervanging van de vervallen - door hem nog niet benutte - grondgebonden mestproductierechten. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee niet vast dat de door [eiser] gekochte onroerende zaken door de invoering van de Whv hun waarde in wezenlijke mate hebben verloren. Niet gesteld of gebleken is immers dat de prijs die [eiser] voor deze onroerende zaken heeft betaald, in wezenlijke mate werd bepaald door de mogelijkheid die ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bestond om ter plaatse varkens te kunnen gaan houden op basis van grondgebonden mestproductierechten. Anders gezegd: uit [eiser] stellingen blijkt niet dat het voor hem niet mogelijk was om deze onroerende zaken kort na 10 juli 1997 van de hand te doen tegen een verkoopprijs die min of meer gelijk was aan de door hem (in totaal) betaalde koopsom. Gesteld noch gebleken is voorts dat [eiser] vóór 10 juli 1997 (onomkeerbare) investeringen heeft gedaan met het doel het rundveebedrijf te veranderen in een varkensbedrijf (zoals de bouw van stallen en dergelijke). Dat [eiser] er ook na dat bekend werd dat hij op grond van de Whv in beginsel geen varkensrechten zou krijgen besloten heeft om de onroerende zaken niet te verkopen - bijvoorbeeld vanwege de voor hem gunstige locatie daarvan en/of omdat hij hoopte dat aan hem uiteindelijk toch varkensrechten zouden worden verleend -, dient als een door hem aanvaard normaal bedrijfsrisico voor zijn rekening te blijven. Hoewel juist is dat al snel na invoering van de Whv duidelijk werd dat het Bhv verruimd zou worden en het Bhv ook daadwerkelijk enkele malen is verruimd, kan daaraan niet de conclusie verbonden worden dat [eiser] er op mocht vertrouwen dat ook een verruiming voor gevallen als het zijne zou volgen. Verder is niet gesteld of gebleken dat [eiser] de volgens zijn stellingen door hem aangekochte ammoniakrechten ter waarde van € 42.873,-- niet meer zou hebben kunnen doorverkopen tegen een min of meer gelijke verkoopprijs, nog daargelaten of hij die rechten al vóór 10 juli 1997 heeft gekocht, hetgeen de Staat betwist. Evenmin heeft [eiser] duidelijkheid verschaft over de hoogte van de door hem gestelde advieskosten in verband met de milieuvergunning en het bestemmingsplan en over het moment waarop deze kosten gemaakt zijn. Tot slot is onvoldoende duidelijk of [eiser] alsnog extra varkensrechten heeft aangekocht, mede nu [eiser] in de dagvaarding juist gesteld heeft dat hij geen geld had om alsnog varkensrechten te kopen.

4.10. Resumerend is de rechtbank gelet op het bovenstaande van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van een "individual and excessive burden" als bedoeld in het arrest van 16 november 2001, nu uit de stellingen van [eiser] niet kan worden afgeleid dat hij vóór de bekendmaking van het voornemen van de minister tot herstructurering van de varkenssector investeringen heeft gedaan die daarna waardeloos zijn gebleken.

4.11. Dit leidt tot de conclusie dat het subsidiaire verweer van de Staat slaagt en dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Het primaire verjaringsverweer van de Staat kan derhalve buiten beschouwing blijven. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, op de wijze als hierna vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 244,-- aan verschotten en € 904,-- aan salaris van de procureur en te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2008.