Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BH5447

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
AWB 07/30723, 07/46649, 07/46651, 07/46653, 07/46554, 07/46655
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / 8 EVRM / minderjarig ten tijde van plegen delicten / criteria Maslov

Eiser verblijft sinds augustus 1998 in Nederland en is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. De vader en stiefmoeder van eiser verblijven rechtmatig in Nederland. Eiser is wegens overtreding van artikel 312 WvSr veroordeeld tot 77 dagen jeugddetentie, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie. Daarnaast is eiser wegens overtreding van artikel 317 WvSr veroordeeld tot 219 dagen jeugddetentie waarvan 150 dagen voorwaardelijk. Eiser is op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst verklaard. Eiser heeft de achttienjarige leeftijd bereikt één dag voordat het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring ongegrond is verklaard.

De rechtbank zoekt aansluiting bij het toetsingskader zoals weergegeven in het arrest Maslov van het EHRM, nu ook eiser een jongvolwassene is, zonder eigen gezin, die een groot deel van zijn jeugd in het gastland heeft doorgebracht. Uit dat arrest leidt de rechtbank af dat indien het gaat om delicten welke gepleegd zijn als minderjarige, alleen zeer ernstige (gewelds)delicten de ongewenstverklaring rechtvaardigen. Voor de beoordeling of sprake is van zeer ernstige feiten is ook de feitelijke toedracht van belang. Daarbij is ook van belang of en in hoeverre de veroordeling voorwaardelijk heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt dat, in een situatie als de onderhavige, de omstandigheid of verblijf al dan niet rechtmatig is bij de beoordeling een rol kan spelen. De rechtbank begrijpt het EHRM echter niet zo dat aan de omstandigheid dat het verblijf van een minderjarige onrechtmatig was, vergaande betekenis dient toe te komen. Een kind is afhankelijk van door diens ouders gemaakte keuzen omtrent het verblijf. Het onrechtmatige verblijf kan de minderjarige niet in die zin worden aangerekend dat aan het verblijf geen enkele positieve betekenis kan toekomen. Daar komt in casu bij dat de staat inspanningen heeft verricht welke waren gericht op de herintegratie van eiser in de maatschappij.

Verweerder heeft er verder onvoldoende blijk van gegeven bij de beoordeling te hebben betrokken eisers gedragingen sinds de laatste veroordeling en de omstandigheid dat eisers banden met Nederland ontegenzeggelijk sterker zijn dan die met Marokko.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 317
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/195 met annotatie van PB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.:

I. AWB 07/46649 (beroep) en AWB 07/30723 (voorlopige voorziening)

II. AWB 07/46651 (beroep) en AWB 07/46653 (voorlopige voorziening)

II. AWB 07/46654 (beroep) en AWB 07/46655 (voorlopige voorziening)

V-nr: 130.510.5087

inzake:

[eiser /verzoeker], geboren [geboortedatum] in 1989, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te Amsterdam,

gemachtigde: mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

Met betrekking tot de ongewenstverklaring (procedure I)

1. Bij besluit van 2 maart 2007, uitgereikt op 31 juli 2007, heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst verklaard. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 11 december 2007 ongegrond verklaard.

2. Op 13 december 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en geen rechtmatig verblijf kan hebben. Voorts vermeldt het besluit dat de ongewenstverklaring onder meer tot rechtsgevolg heeft dat (verder) verblijf van eiser in Nederland strafbaar is op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr).

3. Bij brief van 31 juli 2007 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Bij brief van 13 december 2007 heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Met betrekking tot de weigering van de verblijfsvergunning regulier (procedure II)

4. Bij besluit van 5 december 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “conform beschikking Minister” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 11 december 2007 ongegrond verklaard.

5. Op 13 december 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen dit besluit. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep gericht tegen de weigering van de verblijfsvergunning is beslist.

Met betrekking tot de weigering van de afgifte van een EG-verblijfsdocument (procedure III)

6. Bij besluit van 11 december 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 december 2006 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

7. Op 13 december 2007 heeft de rechtbank een beroepschrift ontvangen tegen dit besluit. Het besluit vermeldt als rechtsgevolg dat eiser niet in het bezit wordt gesteld van het gevraagde document.

Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep gericht tegen de weigering van de verblijfsvergunning is beslist.

Met betrekking tot alle procedures

6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

7. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiser verblijft sinds augustus 1998 in Nederland. Eiser heeft op 5 november 1998 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel “verblijf bij vader”. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 13 augustus 1999 afgewezen. Op 14 november 2001 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend voor verblijf met hetzelfde doel. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 25 februari 2002. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 16 mei 2003 ongegrond verklaard. Met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 februari 2004, staat dit besluit in rechte vast.

Op 28 juni 2002 heeft eisers vader verzocht om een positief advies met betrekking tot de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser met als doel “verblijf bij vader”. Dit verzoek is bij brief van 27 augustus 2002 niet ingewilligd.

2. Uit het uittreksel justitiële documentatieregister van 14 november 2006 is gebleken dat eiser wegens een op 4 februari 2005 gepleegde overtreding van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) door de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 juni 2005 is veroordeeld tot 77 dagen jeugddetentie, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een werkstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie. Aan de voorwaardelijke veroordeling is de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat eiser zich richt naar de aanwijzingen hem gegeven door de in de uitspraak vermelde hulpverlenende instantie(s).

Voorts is eiser wegens een op 8 maart 2006 gepleegde overtreding van artikel 317, eerste lid, van het WvSr door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 12 juni 2006 veroordeeld tot 219 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk. Ook aan deze voorwaardelijke veroordeling is de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat eiser zich richt naar de aanwijzingen hem gegeven door de in de uitspraak vermelde hulpverlenende instantie(s).

De bij vonnis van 17 juni 2005 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie is bij uitspraak van 12 juni 2006 gedeeltelijk omgezet. De proeftijd van het resterende gedeelte van de voorwaardelijke jeugddetentie is met één jaar verlengd.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Met betrekking tot de ongewenstverklaring (procedure I)

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en de nationale veiligheid rechtmatig is. Hiermee is er aanleiding om eiser ongewenst te verklaren. Eiser heeft geen verblijfsrecht ingevolge artikel 17 en 18 van het EG-Verdrag, noch op grond van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) dan wel de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Richtlijn 2003/86/EG). Eiser kan dan ook geen rechten ontlenen aan de EG-regelgeving ten aanzien van zijn ongewenstverklaring. De stelling van eiser dat voor een ongewenstverklaring niet kan worden verwezen naar oude feiten, omdat sprake moet zijn van een actuele bedreiging, wordt reeds hierom niet gedeeld.

Er is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond van welke, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, toch aanleiding bestaat de ongewenstverklaring ingevolge het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb achterwege te laten.

Er is geen schending artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Weliswaar is sprake van gezinsleven, maar de inmenging hierin is gerechtvaardigd. Het belang van de Staat dient zwaarder te wegen.

2. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Het bestreden besluit kan de toets aan het EG-recht niet doorstaan. Eiser heeft als gezinslid van burgers van de EU een declaratoir verblijfsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit artikel 17 en 18 van het EG-verdrag. Een andere interpretatie zou strijdig zijn met artikel 12 van het EG-Verdrag. Voorts is Richtlijn 2003/86/EG van toepassing op eiser, omdat de verblijfgevers tevens de Marokkaanse nationaliteit hebben. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 15 juli 2008 (200800488/1). De hoedanigheid van de verblijfgevers als burger van de Europese Unie (Unieburger) doet hieraan niet af. Dat betekent dat voor de ongewenstverklaring van eiser sprake moet zijn van een reële en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder dient zwaarwegende argumenten aan te voeren en eerdere veroordelingen zijn daartoe onvoldoende.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat geen daadwerkelijke afweging van de persoonlijke belangen van eiser heeft plaatsgevonden.

Ten slotte geeft het bestreden besluit geen blijk van een gedegen toetsing aan het recht op een gezins- en privéleven als gedefinieerd in artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft ter onderbouwing onder meer verwezen naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 23 juni 2008 inzake Maslov tegen Oostenrijk (no. 1638/03, JV 2008/267, hierna: het arrest Maslov).

Met betrekking tot de weigering van de verblijfsvergunning regulier (procedure II)

3. Verweerder heeft de aanvraag primair afgewezen nu eiser ongewenst is verklaard en om die reden geen rechtmatig verblijf kan hebben in de zin van artikel 8 van het Vw 2000. Subsidiair heeft verweerder de aanvraag afgewezen nu eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste.

4. Eiser heeft gesteld dat het besluit in strijd is met het EU-recht en met name met artikel 17 en 18 van het EG- Verdrag en artikel 8 van het EVRM. Voorts is het besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser heeft verwezen naar de gronden van het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring.

Met betrekking tot de weigering van de afgifte van een EG-verblijfsdocument (procedure III)

5. Verweerder heeft de aanvraag primair afgewezen nu eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan de Richtlijn 2004/38/EG. Dientengevolge komt eiser niet in aanmerking voor het gevraagde verblijfsdocument.

6. Eiser heeft – kort gezegd – gesteld dat het besluit in strijd is met het EU-recht en met name met artikel 17 en 18 van het EG-Verdrag en artikel 8 van het EVRM. Voorts is het besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De gronden van het beroep zijn gelijkluidend aan de gronden van het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring.

IV. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de ongewenstverklaring (procedure I)

1.1. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij stelt dat eiser een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 18 van het EG-Verdrag en dat verweerder dientengevolge voor de ongewenstverklaring diende de toetsen aan de relevante regelgeving.

1.2 Ingevolge artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan verweerder het rechtmatig verblijf van een burger van de EU/EER, een Zwitsers onderdaan dan wel hun familielid ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

2. Vast staat dat verweerder voormelde criteria niet bij de beoordeling omtrent eisers ongewenstverklaring heeft betrokken.

3. Allereerst is dan ook aan de orde of eiser op grond van artikel 18 van het EG-verdrag van rechtswege een verblijfsrecht toekomt, omdat, aldus eiser, het verblijfsrecht van zijn vader als Unieburger zich uitstrekt over eiser.

4. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-Verdrag heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

5. De bepalingen ter uitvoering van artikel 17 en 18 van het EG-Verdrag zijn thans neergelegd in Richtlijn 2004/38/EG. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van deze richtlijn, is deze van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

6. Anders dan door eiser is gesteld, valt uit de door eiser aangehaalde uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG, zie Chen: 19 oktober 2004 C-200/02, Europese Commissie tegen Nederland: 7 juni 2007, C-50/06, Garcia Avello: 2 oktober 2003, C-148/02 en Micheletti: 1 juli 1992, C-369/90) niet af te leiden dat het HvJ EG, in weerwil van voornoemde regelgeving, heeft beslist dat het EU-recht van toepassing is op een burger van de Unie die in de eigen lidstaat verblijft en die geen voor de toepassing van het EU-recht relevante grensoverschrijdende activiteiten (heeft) verricht. Bij uitspraak van 25 juli 2008 (Metock e.a. tegen Ierland, r.o. 77, JV 2008/291) heeft het HvJ EG nog eens bevestigd dat het EU-recht niet op puur interne situaties van toepassing is. Voorts heeft het HvJ EG in r.o. 78 overwogen dat het eventuele verschil in behandeling met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf van familieleden van enerzijds burgers van de Unie die geen en anderzijds burgers van de Unie die wel gebruik hebben gemaakt van hun verkeersvrijheid, niet onder de werking van het gemeenschapsrecht valt. Eisers beroep op artikel 12 van het EG-Verdrag kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

7. Eiser heeft voorts gesteld dat hem ook een beroep op het EU-recht toekomt nu zijn ouders als toerist hebben gereisd en aldus goederen en diensten hebben afgenomen in de lidstaten. Deze stelling is niet onderbouwd en kan reeds hierom niet slagen. Eisers stelling dat zijn ouders en eiser zelf in de toekomst gebruik zullen maken van het recht op vrij verkeer kan onbesproken blijven, reeds omdat dit een toekomstige en onzekere gebeurtenis betreft.

8. Voorts slaagt eisers beroep op de Richtlijn 2003/86/EG evenmin. Gezinsleden van burgers van de Unie zijn ingevolge artikel 3, derde lid, van deze richtlijn expliciet van de toepassing van deze richtlijn uitgesloten. De door eiser aangehaalde uitspraak van de AbRS van 15 juli 2008 maakt dit niet anders. In die zaak speelde de vraag of er aanknopingspunten waren met het gemeenschapsrecht bij een in Nederland verblijvende referent die naast de Nederlandse nationaliteit tevens de nationaliteit van een andere lidstaat, namelijk Spanje, bezit. Die zaak heeft derhalve geen raakvlak met de onderhavige zaak, nu referent naast de Nederlandse nationaliteit de Marokkaanse nationaliteit heeft.

9. Het beroep van eiser op de toepasselijkheid van het EG-recht slaagt dan ook niet. Dientengevolge heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht niet getoetst aan de voorwaarden voor ongewenstverklaring zoals die gelden voor een onderdaan van de EU/EER, of Zwitserland, dan wel diens familielid.

10. Niet in geding is dat eiser tweemaal is veroordeeld vanwege een misdrijf. Het totale onvoorwaardelijke deel van de hem opgelegde jeugddetentie beloopt meer dan een maand. De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat verweerder gelet hierop bevoegd was om eiser ingevolge artikel 67, eerste lid, en onder c, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren.

11. Eiser heeft zich evenwel subsidiair op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring achterwege diende te blijven, nu eisers belang dient te prevaleren. Voorts heeft eiser meer subsidiair betoogd dat artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen de ongewenstverklaring.

12.1.1 De rechtbank ziet aanleiding om eerst eisers laatstgenoemde standpunt met betrekking tot artikel 8 van het EVRM te beoordelen. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij bedoelt te betogen dat verweerder de individuele omstandigheden van eiser en zijn ouders onvoldoende dan wel op onjuiste wijze bij de belangenafweging heeft betrokken en dat het besluit om die reden onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft gewezen op de volgende omstandigheden. Eiser was minderjarig toen hij de delicten pleegde, terwijl verweerder dezelfde maatstaf heeft gehanteerd als bij een volwassene. De strafbare feiten die eiser heeft begaan zijn situationeel gebonden en terug te voeren op zijn afhankelijke persoonlijkheidskenmerken. Het betrof jeugdzonden. Voorts kan eiser niet terugkeren naar Marokko. Eiser kan zich daar niet handhaven, gelet op zijn afhankelijke persoonlijkheid en het ontbreken van een sociaal vangnet. Eiser spreekt de taal niet en hij heeft geen contact met zijn familie in Marokko. Zijn familie wil ook geen contact met eiser. Met zijn ouders heeft eiser daarentegen juist een bijzonder sterke band. Eiser heeft hier een schoolopleiding gevolgd en een sociaal leven ontwikkeld. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat hij vrijwilliger is bij een project voor probleemjongeren. Eisers banden met Nederland zijn dan ook veel sterker dan zijn banden met Marokko.

12.1.2 Verweerder heeft gesteld dat bij de belangenafweging meer gewicht toekomt aan het belang van de staat. Hierbij spelen de volgende omstandigheden een rol. Eiser is tweemaal veroordeeld voor een misdrijf. Gelet op de aard van de misdrijven en de strafmaat wordt eiser geacht een gevaar op te leveren voor de openbare orde. Gelet op eisers leeftijd kon hij vermoeden dat het plegen van de misdrijven van invloed zou zijn op zijn verblijfsrechtelijke positie. De kans op herhaling is niet ondenkbaar. Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat met de minderjarigheid van eiser rekening is gehouden door de strafrechter bij het bepalen van de strafmaat. Voorts heeft eiser nimmer rechtmatig verblijf gehad op basis van een verblijfsvergunning en is er geen sprake van zeer langdurig verblijf. Ook de omstandigheden dat eiser in Marokko niet naar school kan en geen werk kan vinden, vormen geen reden om van de ongewenstverklaring af te zien. Niet is gebleken dat eiser geen sociaal netwerk heeft in Marokko. Gelet op de leeftijd van eiser heeft hij geen intensieve verzorging meer nodig. Eventueel kan eiser financieel vanuit Nederland worden ondersteund. Ook de stelling van eiser dat hij volgens het rapport van psychologen de steun van zijn ouders nodig heeft, kan niet afdoen aan de ongewenstverklaring. Het rapport is gebruikt bij de veroordeling van eiser in 2005 en is dan ook betrokken bij het bepalen van de strafmaat. Ten slotte is het mogelijk het gezinsleven in Marokko uit te oefenen.

13.1 De rechtbank overweegt als volgt.

13.2.1 In het arrest Maslov heeft het EHRM in rechtsoverweging 71 en 72 het volgende overwogen:

“71. In a case like the present one, where the person to be expelled is a young adult who has not yet founded a family of his own, the relevant criteria are:

– the nature and seriousness of the offence committed by the applicant;

– the length of the applicant's stay in the country from which he or she is to be expelled;

– the time elapsed since the offence was committed and the applicant's conduct during that period;

– the solidity of social, cultural and family ties with the host country and with the country of destination.

72. The Court would also clarify that the age of the person concerned can play a role when applying some of the above criteria. For instance, when assessing the nature and seriousness of the offences committed by an applicant, it has to be taken into account whether he or she committed them as a juvenile or as an adult (see, for instance, Moustaquim v. Belgium, judgment of 18 February 1991, Series A no. 193, p. 19, § 44, and Radovanovic v. Austria, no. 42703/98, § 35, 22 April 2004).”

Vervolgens heeft het EHRM in rechtsoverweging 75 overwogen:

75. In short, the Court considers that for a settled migrant who has lawfully spent all or the major part of his or her childhood and youth in the host country very serious reasons are required to justify expulsion. This is all the more so where the person concerned committed the offences underlying the expulsion measure as a juvenile”.

13.2.2 De rechtbank zoekt aansluiting bij het hierboven weergegeven toetsingskader, nu het ook in de onderhavige zaak een jongvolwassene zonder eigen gezin betreft, die een groot deel van zijn jeugd in het gastland, in casu Nederland, heeft doorgebracht.

13.3 Uit deze uitspraak leidt de rechtbank voorts af dat, indien het gaat om delicten welke gepleegd zijn als minderjarige, alleen zeer ernstige (gewelds)delicten de ongewenstverklaring kunnen rechtvaardigen. Voor de beoordeling of sprake is van dergelijke zeer ernstige feiten is, naast de strafmaat en de kwalificatie van de delicten, ook de feitelijke toedracht van belang (zie r.o. 80, 81, 84 en 85 van het arrest Maslov).

The nature and seriousness of the offence committed by the applicant

13.4.1 De rechtbank stelt vast dat eiser voor twee geweldsdelicten is veroordeeld, terwijl hij op het moment dat hij de delicten pleegde nog minderjarig was. De eerste veroordeling betrof een diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd op 4 februari 2005. Van dit delict is de feitelijke toedracht bekend geworden uit het door eiser overgelegde rapport van Pro Justitia van 22 maart 2005. Hieruit blijkt dat eiser met een mededader een winkel is binnengegaan en onder het tonen van een mes en daarbij dreigend de woorden toevoegend “geld, geef geld nu” en “anders snij ik je keel door”, zes euro van de winkelbediende heeft weggenomen. In de rapportage staat voorts vermeld dat eiser ten tijde van dit delict aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis leed waardoor het strafbare feit hem in verminderde mate is toe te rekenen.

De tweede veroordeling betreft een afpersing, gepleegd op 8 maart 2006. Van dit tweede feit is de feitelijke toedracht niet bekend.

13.4.2 Eiser heeft gesteld dat de door hem begane misdrijven situationeel gebonden waren en zijn terug te voeren op de (afhankelijke) persoonskenmerken van eiser. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij hiermee bedoelt te verwijzen naar de feitelijke toedracht van het eerste delict.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aard van de delicten en de opgelegde straf de ongewenstverklaring rechtvaardigen. Ter zitting heeft verweerder nog gesteld dat het ging om ernstige delicten en heeft verweerder verwezen naar de uitspraken van de strafrechter, met de stelling dat het niet aan verweerder is te treden in de beoordeling van de strafrechter.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er daarmee onvoldoende blijk van gegeven de feitelijke toedracht van de delicten bij diens beoordeling te hebben betrokken, terwijl dit aspect, zoals hierboven onder 13.3 is overwogen, wel van belang is bij de beoordeling of de delicten van dusdanige aard en ernst zijn dat zij de ongewenstverklaring kunnen rechtvaardigen. Het besluit is op dit punt dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.

13.4.3 Zoals hierboven tevens is overwogen speelt naast de feitelijke toedracht ook de strafmaat een rol bij de beoordeling of sprake is van zeer ernstige feiten welke de ongewenstverklaring kunnen rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij van belang of en in hoeverre de veroordeling voorwaardelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van het EHRM van 22 april 2005, inzake Radovanovic tegen Oostenrijk (no. 42703/98, JV 2004/225, r.o. 35). In die zaak heeft het EHRM waarde toegekend aan het feit dat de, ten tijde van het delict minderjarige, vreemdeling weliswaar tot een gevangenisstraf van 30 maanden was veroordeeld, maar dat het overgrote deel van die straf, 24 maanden groot, in voorwaardelijke vorm was opgelegd.

13.4.4. Voor het eerste delict is eiser veroordeeld tot 77 dagen jeugddetentie, waarvan 30 dagen voorwaardelijk. Voor het tweede delict is eiser veroordeeld tot 219 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk. De rechtbank stelt vast dat een groot deel van beide straffen voorwaardelijk zijn opgelegd en dat verweerder zich daar in het bestreden besluit niet, althans niet kenbaar, rekenschap van heeft gegeven.

The length of the applicant's stay in the country from which he or she is to be expelled

13.5.1 Niet is in geding dat eiser sinds augustus 1998 in Nederland verblijft. Eiser was toen acht jaar oud. Verweerder heeft met betrekking tot eisers verblijf hier te lande overwogen dat eisers verblijf nimmer rechtmatig is geweest, waardoor de gevolgen van het voortzetten van zijn onrechtmatig verblijf voor zijn rekening en risico komen. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat eisers langdurige verblijf hier te lande niet als een in het voordeel van eiser wegende omstandigheid kan worden meegenomen.

13.5.2. De rechtbank overweegt dat, in een situatie als de onderhavige, de omstandigheid of het verblijf al dan niet rechtmatig is, bij de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM wel een rol kan spelen (zie het gebruik van het woord ‘lawfully’ in r.o. 75 van het arrest Maslov, zoals hierboven weergegeven in 13.2.1.). De rechtbank begrijpt het EHRM echter niet zo dat aan de omstandigheid dat het verblijf van een minderjarige onrechtmatig was, verregaande betekenis dient toe te komen. Een kind van acht jaar oud is afhankelijk van door diens ouders gemaakte keuzen omtrent het verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onrechtmatig verblijf van een minderjarige dan ook niet in die zin worden aangerekend, dat aan dat verblijf geen enkele positieve betekenis kan toekomen.

Daar komt in eisers geval bij dat de staat inspanningen heeft verricht welke gericht waren op de herintegratie van eiser in de maatschappij. Die inspanningen blijken uit de onder II.2 genoemde veroordelingen tot, onder meer, de bijzondere voorwaarde dat eiser zich gedurende zijn proeftijd diende te richten naar de aanwijzingen van de in de uitspraken genoemde hulpverlenende instantie(s). In het dossier bevinden zich dienaangaande rapportages van onder meer het Bureau Resocialisatie en Begeleiding (R&B), Nieuwe Perspectieven en het 16+-project van Spirit Jeugdhulpverlening.

13.5.3 Nu verweerder blijkens het bestreden besluit met betrekking tot de duur van eisers verblijf slechts heeft overwogen dat dit verblijf niet rechtmatig was en de gevolgen van dit verblijf dan ook voor rekening en risico van eiser komen, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

The time elapsed since the offence was committed and the applicant's conduct during that period

13.6.1 Eiser heeft erop gewezen dat hij een opleiding heeft gevolgd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij juist zijn leven op orde had en ook vrijwilligerswerkzaamheden verrichtte, toen hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld. De rechtbank stelt in dit verband het volgende vast.

Eiser is sinds het laatste delict, gepleegd op 8 maart 2006, niet nogmaals in aanraking geweest met justitie. Blijkens de brief van het ROC Amsterdam van 25 oktober 2007 is eiser halverwege het schooljaar 2006-2007 ingestroomd in [nadere aanduiding] een horeca opleiding. Blijkens een ongedateerd schrijven van de gezinsvoogd was eiser aangemeld voor voornoemd 16+ project (begeleid wonen) omdat eiser zelf had aangegeven niet meer in zijn oude omgeving te willen wonen. Eiser kon zich op die manier onttrekken aan verkeerde indrukken en personen. Eiser heeft dit ter zitting herhaald. In de brief staat voorts dat eiser goed voor zichzelf kan zorgen en dat eiser aan zijn gezinsvoogd heeft verteld zich zeer verbonden te voelen met Nederland en geen contact meer te hebben met zijn familie in Marokko. Ook blijkt uit deze brief, als ook uit een brief van 4 oktober 2007 van [naam medewerker] van Bureau R&B, dat eiser vanuit R&B als vrijwilliger is meegegaan op een reis naar de Ardennen. Uit de laatste brief blijkt tevens dat eiser heeft deelgenomen aan het project Beware Watch Out (BWO), zijnde een surveillanceteam bestaande uit jongeren uit Amsterdam-West. In zijn email van 25 oktober 2007, schrijft [naam] een coördinator van het traject ‘Nieuwe Pespectieven’, waaraan eiser meedeed vanaf 1 december 2006, dat het op dat moment goed ging met eiser, dat hij zijn best deed op school, goede cijfers haalde en geen contact meer had net zijn negatieve vriendenkring. [naam gezinsvoogd + -instelling] Zijn gezinsvoogd mailt op 23 oktober 2007 dat hij van mening is dat eiser alle praktische vaardigheden kan leren die nodig zijn om zelfstandig te wonen.

13.6.2 De rechtbank stelt vast dat uit deze informatie blijkt dat het goed ging met eiser, zowel op het gebied van scholing als op het gebied van huisvesting en dat eiser zijn leven op orde had. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder, nu iedere daartoe strekkende overweging ontbreekt in het bestreden besluit, er onvoldoende blijk van heeft gegeven eisers gedragingen sinds de laatste veroordeling bij de beoordeling inzake artikel 8 van het EVRM te hebben betrokken.

The solidity of social, cultural and family ties with the host country and with the country of destination

13.7. Eiser heeft gesteld dat hij een zeer sterke band heeft met Nederland en dat hij daarentegen nauwelijks nog banden heeft met Marokko. De rechtbank stelt in dit kader vast dat eiser zijn vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht, dat hij hier naar school is geweest en dat zijn naaste familie zich in Nederland bevindt. Eiser heeft wel nog familieleden in Marokko, maar dit betreffen tweede- en derdegraads familieleden. Niet is in geschil dat eiser gedurende vele jaren niet meer in Marokko is geweest. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat niet gesteld kan worden dat eiser helemaal geen banden meer heeft met Marokko, zijn eisers banden met Nederland ontegenzeggelijk sterker. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking geen blijk van gegeven die omstandigheid te hebben betrokken bij de beoordeling.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerders standpunt ten aanzien van artikel 8 van het EVRM geen stand kan houden, nu dit standpunt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Derhalve zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de ongewenstverklaring (procedure I)

15. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

16. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden en de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring op te schorten, totdat is beslist op het beroepschrift. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroepen heeft beslist.

17. Het gevolg van deze uitspraak is evenwel dat verweerder opnieuw op het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring dient te beslissen. Nu eiser ongewenst is verklaard, heeft het bezwaar geen schorsende werking. Gelet daarop en gelet op feit dat het beroep gegrond is verklaard wegens schending van de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat de strafrechtelijke rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring van 2 maart 2007 worden opgeschort tot vier weken nadat is beslist op het bezwaar.

Ten aanzien van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de ongewenstverklaring (procedure I)

18. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

19. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de rechtbank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de weigering van de verblijfsvergunning regulier (procedure II)

20. Voor zover het beroep van eiser zich tevens richtte tegen de afwijzing van zijn aanvraag van een verblijfsvergunning, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang. Nu het primaire besluit van 2 maart 2007 niet is vernietigd, duurt de ongewenstverklaring immers voort. Als gevolg van zijn ongewenstverklaring kan eiser geen rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. Eiser heeft dit niet betwist.

Ten aanzien van het verzoeken om een voorlopige voorziening met betrekking tot de de weigering van de verblijfsvergunning regulier (procedure II)

21. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

22. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden, totdat is beslist op het beroepschrift. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen de weigering van afgifte van een EG-verblijfsdocument (procedure III)

23. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte beroep in plaats van bezwaar heeft ingesteld tegen het besluit van 11 december 2007, waarbij eiser het gevraagde verblijfsdocument is geweigerd. De rechtbank zal het beroepschrift evenwel niet doorzenden aan verweerder teneinde dit te behandelen als bezwaarschrift, gelet op het navolgende.

24. Uit hetgeen is overwogen in rechtsoverweging IV.9 volgt dat eiser naar het oordeel van de rechtbank geen verblijfsrecht toekomt op grond van het EU-recht. Dientengevolge kan eiser naar het oordeel van de rechtbank evenmin in aanmerking komen voor het gevraagde verblijfsdocument. Hieruit volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het bezwaar kan eindigen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 78 van de Vw 2000 op het bezwaar te beslissen. Ter zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op die mogelijkheid. Partijen hebben te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen toepassing van artikel 78 van de Vw 2000. De voorzieningenrechter zal het bezwaar tegen de afwijzende beschikking op de aanvraag van verzoeker dan ook ongegrond verklaren. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van de beroepen en verzoeken om een voorlopige voorziening met betrekking tot de weigering van de verblijfsvergunning en de weigering van de afgifte van een EU-verblijfsdocument (procedure II en III)

22. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

Procedure I

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/46649,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de strafrechtelijke rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring van 2 maart 2007, uitgereikt op 31 juli 2007, worden opgeschort tot vier weken nadat is beslist op het bezwaar;

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/30723,

- wijst het verzoek af;

In beide zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 286, -- (zegge: tweehonderdzesentachtig ).

Procedure II

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/46651,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/46653,

- wijst het verzoek af;

Procedure III

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/46654,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/46655,

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

- verklaart het bezwaar gericht tegen het besluit van 11 december 2007 betreffende de weigering van de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. van Meel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2008.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: MvM/RO

Coll: AS

D: B

Tegen de uitspraak op beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.